Haagse taferelen VIII: Incompatibele functies (deel 2)

ThorbeckeDe leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van de twaalf provinciale staten (artikel 55 Grondwet), maar zij zijn geen provinciale representanten. Net als de leden van de Tweede Kamer vertegenwoordigen zij het gehele Nederlandse volk (artikel 50 Grondwet). Er is evenwel geen regel die Eerste Kamerleden verbiedt tevens lid van provinciale staten te zijn. Zoals reeds vermeld in de vorige aflevering van Haagse taferelen is dat ooit anders geweest. De Grondwet van 1917 bepaalde in artikel 128 nog: “Niemand kan te gelijk zijn lid der Eerste Kamer van de Staten-Generaal en lid der Staten eener provincie, noch ook lid der Staten van meer dan ééne provincie.”

Deze bepaling is geïntroduceerd door de Grondwet van 1848. Wat de precieze ratio van de bepaling is, is niet gemakkelijk te achterhalen. Dit deel van de grondwetsherziening ging vooral over de vraag of de Eerste Kamer gehandhaafd moest worden, en zo ja, door wie zij dan moest worden gekozen of benoemd. De Eerste Kamer mocht blijven, al was het alleen maar ‘om alle overijling voor te komen’ en ‘om tijd van beraad, welke steeds tot bedaarde overweging leidt, te winnen’. Met slechts één Kamer ‘staat de regering bloot om in een oogenblik van opgewondenheid, als de driften het bedaard overleg hebben verbijsterd, ten onregte te worden omvergeworpen. De Eerste Kamer is daartegen een dam.’ Die Eerste Kamer moest volgens het oorspronkelijke voorstel rechtstreeks worden gekozen, maar na kritiek vanuit de Tweede Kamer kwam de verantwoordelijke minister Donker Curtius met het voorstel de provinciale staten met de verkiezing te belasten. Zo kwam het voortaan in de Grondwet te staan, en dat leden van provinciale staten geen lid van de Eerste Kamer mogen zijn en vice versa, lijkt er een beetje tussen te zijn gesmokkeld.

Johan Wilhelm Hein (bron: Fotoarchief Eerste Kamer).

Johan Wilhelm Hein (bron: Fotoarchief Eerste Kamer).

Een mogelijke reden voor de incompatibiliteit zou kunnen zijn dat het ongewenst werd gevonden dat leden van provinciale staten op zichzelf konden stemmen, met andere woorden: dat zij konden beslissen of zij zelf zitting mochten nemen in de Eerste Kamer. Zo sterk is die redenering echter niet, aangezien – zeker anno 1848, toen er slechts een paar duizend kiezers waren – hetzelfde feitelijk gold voor de rechtstreekse verkiezing van de Tweede Kamer. Bovendien konden Tweede Kamerleden wel lid van provinciale staten zijn, en aldus mede de samenstelling van de Eerste Kamer bepalen. Het is ook mogelijk dat het verbod bedoelde te bevorderen dat de belangen van de provincie en de belangen van het Rijk gescheiden werden. Een lid van de Eerste Kamer dat tevens statenlid was, zou met rolverwarring en belangenverstrengeling geconfronteerd kunnen worden. Maar dat gold natuurlijk evengoed voor een Tweede Kamerlid dat tevens in de provinciale staten had plaatsgenomen. De ratio van het Grondwetsartikel blijft dus enigszins raadselachtig, maar het artikel werd wel strikt nageleefd. De liberaal J.W. Hein verliet bijvoorbeeld op 17 mei 1865 de provinciale staten van Zuid-Holland om een dag later in de Eerste Kamer plaats te nemen.

Bij de Grondwetsherziening van 1922 is de incompatibiliteit gesneuveld met als simpele motivering “Er is geen voldoende aanleiding om de bepaling te bestendigen, welke verbiedt het gelijktijdig bekleeden van het lidmaatschap der Eerste Kamer en dat der Staten eener provincie”. Sindsdien komt het ook weer voor dat leden van provinciale staten zitting hebben in de Senaat. Om enkele voorbeelden te geven: VVD’er Tom Veen was lid van de provinciale staten van Gelderland van 1974 tot 1981 en tevens lid van de Eerste Kamer van 18 september 1979 tot 13 september 1983 en Suzanne Steigenga-Kouwe (PvdA) was lid van provinciale staten van Noord-Holland van 1970 tot 1977 en daarnaast lid van de Eerste Kamer van 2 maart 1976 tot 13 september 1983. Eerder was Liesbeth Ribbius Peletier (SDAP), in 1958 het eerste vrouwelijke lid van de Raad van State, zowel statenlid in Noord-Holland als lid van de Eerste Kamer. Iets bekender is Jan Baas (VVD), in een eerdere bijdrage reeds genoemd, die lid van provinciale staten van Gelderland was van 5 juli 1966 tot januari 1976 en daarnaast van 1960 tot 1981 in de Eerste Kamer zat. Ook de bekende CHU’er en CDA’er Ad Kaland bleef na zijn installatie als senator in 1977 nog enige maanden lid van de provinciale staten van Zeeland, net zoals KVP’er Maan Sassen in de jaren 50 het lidmaatschap van de Eerste Kamer met dat van de provinciale staten van Noord-Brabant combineerde. En SGP-senator Gert van den Berg bleef na zijn verkiezing tot lid van de Eerste Kamer in 1995 nog bijna acht jaar lang lid van de provinciale staten van Utrecht. Ten slotte kon Düzgün Yildirim in 2007 zijn positie als fractievoorzitter in de staten van Overijssel gebruiken om vanaf zijn onverkiesbare plaats met voorkeurstemmen in de Eerste Kamer verkozen te worden. Deze tournure leidde wel tot een royement door zijn partij, de SP.

Gerrit Holdijk (1944-2015; foto: Apdency, CC0-licentie).

Gerrit Holdijk (1944-2015; foto: Apdency, CC0-licentie).

Wellicht het bekendste voorbeeld van een senator die tevens statenlid was, is Gerrit Holdijk. Deze SGP’er zat tussen 1987 en 2011 bijna 24 jaar in de staten van Gelderland en is al sinds 1991 lid van de Eerste Kamer (na een eerder lidmaatschap in 1986-1987). Holdijk is, na het vertrek van Egbert Schuurman (ChristenUnie), tevens het langstzittende lid van de Senaat. Toch zou hij ondanks zijn meer dan 8.300 dagen op het Binnenhof relatief onbekend zijn gebleven als hij niet was uitgegroeid tot Supergedoger van het eerste kabinet-Rutte. Dat had bij zijn aantreden immers geen meerderheid in de Eerste Kamer en na de verkiezingen van 2011 (voor provinciale staten en Senaat) nog steeds niet. VVD, CDA en PVV waren blijven steken op 37 zetels en in ruil voor wat terughoudendheid op medisch-ethisch gebied hielp Holdijk de gedoogcoalitie aan de felbegeerde 38e zetel en dus aan een meerderheid. De SGP had nog nooit zoveel macht gehad.

Ondertussen lijkt de combinatie van statenlid en senator bij één partij wel heel populair te zijn: maar liefst vier van de tien PVV-senatoren zijn tevens actief in de staten van hun provincie. Peter van Dijk is statenlid in Zeeland, Mariëtte Frijters-Klijnen in Noord-Brabant, Kees Kok in Flevoland en Marjolein Faber-van de Klashorst in Gelderland. Deze laatste stortte zich in haar hoedanigheid van statenlid op de declaraties (en de woonplaats) van Co Verdaas, toen gedeputeerde en later staatssecretaris in het twee kabinet-Rutte. Toen de affaire rond de declaraties weer werd opgerakeld door de Volkskrant waren de dagen van Verdaas geteld. Na slechts één maand trad hij alweer af als staatssecretaris.

Deze bijdrage verscheen op 30 mei 2013 op het weblog Publiekrecht & Politiek. Gerrit Holdijk is op 30 november 2015 overleden.

6 Comments:

  1. Het lijntje breekt niet af in 1848 maar loopt via artikel 95 Grondwet 1840 terug tot 1814. Opvallend is dat in 1815 werd bepaald dat ook de leden van PS die door de Koning in de Eerste Kamer werden benoemd ophielden tot de Provinciale Staten te behoren. Dat brengt een mogelijke oorspronkelijke ratio in beeld: het doorsnijden van de band met de rol van de Staten-Generaal in de Republiek, vergelijkbaar met (tegenwoordig) artikel 50 en artikel 67 lid 3 Grondwet.

    Thorbecke wijdt er overigens niet veel woorden meer aan in zijn Aantekening: ‘men heeft alle gemeenschap na de verkiezing willen afbreken, en een strijd van plichten verhoeden.’

  2. Heel interessant. De wens definitief afscheid te nemen van de oude Republiek klinkt heel plausibel, in elk geval voor 1814 en 1815. Een bepaling als “Leden van provinciale Staten in eene der Kamers van de Staten-Generaal zitting nemende, houden op tot de provinciale Staten te behooren” (artikel 93 Grondwet 1815) is dan logisch en consequent. Je dient de provincie of je dient het Rijk, punt.

    De vraag blijft echter waarom men dan in 1848 wel een incompatibiliteit voor Eerste Kamerleden heeft willen introduceren, c.q. handhaven, maar niet voor Tweede Kamerleden. Zie ik het goed, dan is er geen met artikel 124 Grondwet 1848 vergelijkbare bepaling voor Tweede Kamerleden. Dat artikel staat ook in het hoofdstuk “Van de zamenstelling der Provinciale Staten”, terwijl artikel 95 Grondwet 1840 in de afdeling “Beschikkingen aan beide kamers gemeen” stond. Het beperken van de incompatibiliteit van 1848 tot Eerste Kamerleden blijft iets willekeurigs houden; ook bij Tweede Kamerleden die in de provinciale staten bleven zitten, zou je nog wel een ‘strijd van plichten’ kunnen ontwaren, bijvoorbeeld als de Tweede Kamer moet beslissen over een Spoorwegwet die voor een of meer provincies van groot belang is.

    Het lijkt erop dat over deze incompatibiliteit gewoon niet heel goed is nagedacht, en dat kan ook verklaren waarom ze in 1922 geschrapt is zonder dat daar veel woorden aan vuil gemaakt zijn.

  3. Het lijkt inderdaad alsof de ratio in de loop der tijd verschuift van het garanderen van onafhankelijke oordeelsvorming door Kamerleden naar het beschermen van de kwaliteit van de keuze in PS – beter zou dan zijn geweest om te bepalen dat PS niet iemand ‘uit hun midden’ mogen aanwijzen of zoiets – omdat het mogelijk lastiger is om te oordelen dat een directe collega ongeschikt is voor het echte werk dan om een incompetente buitenstaander af te serveren. Het probleem verschuift dan van een intrinsiek probleem van de combinatie van beide functies naar de integriteit van het functioneren van PS als kiescollege, zoals de bepaling in 1848 ook in een ander hoofdstuk opduikt. Deze tweede ratio zou het verschil tussen Eerste en Tweede Kamer kunnen verklaren.

    Maar rammelen blijft het. Zie ik het goed, dan komt de bepaling ook niet voor in de Schets van Van Hogendorp.

    [Ik ben aan het uitzoeken of je aan de hand van geschiedenis van deze specifieke incompatibiliteit iets kunt zeggen over het innestelen van de partijendemocratie in de parlementaire democratie, omdat het vanuit het oogpunt van de representatie via levensbeschouwing en beginselen eerder efficiënt dan problematisch is om partijsoldaten met verschillende deeltijdfuncties tegelijk uit te rusten. Dat juist SP en SGP er goed in zijn/waren, suggereert iets dergelijks.]

  4. Als het gaat om de combinatie van deeltijdfuncties, dan is wel opvallend dat de combinatie gemeenteraad-Eerste Kamer (of Tweede Kamer) kennelijk nooit problematisch is geweest. De incompatibiliteit heeft dus echt iets te maken met de provincie.

    Als het gaat om het stapelen van deeltijdfuncties, is ook de huidige Eerste Kamerfractie van de PVV interessant. Vijf van de negen leden zitten tevens in de provinciale staten.

  5. Overigens lijkt het erop dat de incompatibiliteit statenlid-lid Eerste of Tweede Kamer helemaal niet meer voorkwam in het oorspronkelijke regeringsvoorstel voor ‘1848’. Dit voorstel ging nog uit van rechtstreekse verkiezing van beide Kamers:

    http://resolver.kb.nl/resolve?urn=sgd%3Ampeg21%3A18471848%3A0000295

    Artikel 95 Grondwet 1840 (de provinciale incompatibiliteit) komt in dit voorstel te vervallen. Toen het voorstel werd aangepast en werd voorgesteld de Eerste Kamer door provinciale staten te laten kiezen, werd er weer een incompatibiliteit toegevoegd, maar dan alleen voor de Eerste Kamer en bovendien geplaatst in een heel ander deel van de Grondwet. Het relevante Kamerstuk heb ik nog niet gevonden, maar zo zal het gegaan zijn.

  6. Nog een aanvulling: de formulering van het lastverbod luidde in 1815: De leden dezer Kamer [de Tweede] stemmen voor zich zelven, en zonder last van, of ruggespraak met de vergadering, door welke zij benoemd zijn.

    Dus een toespitsing van het verbod van ruggespraak op de PS als het kiescollege. Een incompatibiliteit is makkelijk als het verlengde hiervan voor te stellen.

    We hebben een mooi vak!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *