Haagse taferelen XVII: Onze ‘foute’ premier

ThorbeckeOp 19 mei 1959 trad Jan Eduard de Quay aan als minister-president van het door hem geleide kabinet-De Quay. Het kabinet betekende het formele einde van de Rooms-Rode samenwerking. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog trad de PvdA niet tot het kabinet toe. Premier De Quay was voorheen commissaris van de Koningin geweest in Noord-Brabant (1946-1959) en als het aan hem had gelegen, was hij dat gebleven. De Quay hoefde niet zo nodig premier te worden, maar er was ook iemand die vond dat hij het helemaal niet mocht worden. Dat was de Utrechtse historicus en hoogleraar Pieter Geijl, die meende dat De Quay een kwalijk oorlogsverleden had. We hebben eerder gezien dat handelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog ook jaren later nog voor problemen konden zorgen, en we hebben in die context het geval van Hendrik Adams van de Boerenpartij in 1966 besproken. In het geval van De Quay hekelde Geijl het lidmaatschap en zelfs leiderschap van de aanstaande premier van de Nederlandse Unie. Wat was dat voor beweging? Daarvoor moeten we terug naar 1940.

Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Het Nederlandse leger bleek niet tegen de overmacht opgewassen. Vijf dagen later capituleerde het, nadat Rotterdam door een verwoestend bombardement was getroffen. De Koningin en de ministers vertrokken naar Londen en de Duitse bezetter begon met de systematische liquidatie van het democratische politieke bestel. Op 24 juni 1940 werden de werkzaamheden van de Staten-Generaal opgeschort en op 1 september 1941 die van de gemeenteraden en de provinciale staten. Ook de politieke partijen werden aangepakt. Reeds in de zomer van 1940 werden de communistische CPN en de Revolutionair Socialistische Arbeiderspartij van Henk Sneevliet verboden, gevolgd door de andere democratische partijen op 5 juli 1941. Alleen de NSB en de eind juli 1940 opgerichte Nederlandse Unie waren dan nog over. De Nederlandse Unie stond onder leiding van De Quay, op dat moment hoogleraar bedrijfsleer en psychotechniek, de Rotterdamse politiecommissaris Louis Einthoven en de commissaris van de Koningin van Groningen Linthorst Homan. Hoofddoel van de Unie was te voorkomen dat de verachte NSB de macht zou overnemen. Dat betekende echter wel dat de Unie moest samenwerken met de Duitse bezetter. Collaboreren om erger te voorkomen dus. De Unie had betrekkelijk veel aanhang, ongeveer 600.000 mensen werden lid en het aantal sympathisanten was nog veel groter. De NSB kon van zulke aantallen alleen maar dromen.

Premier De Quay in de Tweede Kamer, 1963 (foto: Nationaal Archief/Anefo/Harry Pot, CC BY-SA 3.0 nl-licentie).

Premier De Quay in de Tweede Kamer, 1963 (foto: Nationaal Archief/Anefo/Harry Pot, CC BY-SA 3.0 nl-licentie).

In december 1941 was het geduld van de Duitsers met de Nederlandse Unie op. De Unie, die zich al eerder recalcitrant had betoond, had nu geweigerd de Duitse aanval op de Sovjetunie (Operatie Barbarossa) onomwonden te steunen en dat leidde ertoe dat de bezetter haar verbood. Het driemanschap van de Unie – De Quay, Einthoven en Linthorst Homan – werd met vele anderen geïnterneerd in de gijzelaarskampen te Haaren en Sint Michielsgestel. Daar hadden ze genoeg tijd om met mensen van uiteenlopende achtergronden en gezindten na te denken over de toekomst van het bevrijde Nederland. Dit gebeurde onder meer in het kader van de ‘Heeren Zeventien’. De Quay werd in 1943 vrijgelaten, dook onder en vluchtte later naar het zuiden van Nederland, dat na Operation Market Garden al bevrijd was. In april 1945 werd hij minister van Oorlog in het tweede kabinet-Gerbrandy. Zijn lidmaatschap van de Nederlandse Unie werd hem blijkbaar niet euvel geduid. Dat gold voor meer mensen. Louis Einthoven, nooit erg Duitsgezind geweest als gevolg van het Duitse bombardement op ‘zijn’ stad Rotterdam, kreeg in 1946 de leiding over de voorloper van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (nu: AIVD) en Geert Ruygers, voormalig hoofdredacteur van het weekblad van de Unie, werd lid van de Tweede Kamer voor de PvdA en bleef dat tot aan zijn dood in 1970. Minder goed liep het overigens af met Linthorst Homan. Als meest deutschfreundliche van het driemanschap kon hij niet terugkeren als commissaris van de Koningin. Niettemin lag er voor hem nog een lange en belangrijke carrière in het verschiet in het kader van de EGKS, Euratom en de EEG.

Pieter Geijl was in de Tweede Wereldoorlog ook geïnterneerd in Sint Michielsgestel en maakte ook deel uit van de Heeren Zeventien. Het is niet onaannemelijk dat hij De Quay uit die tijd kende. Zijn woedende aanklacht eind jaren vijftig vond echter in het geheel geen weerklank. Wie het verslag van het debat over de regeringsverklaring op 27 mei 1959 doorneemt, komt slechts één verwijzing naar de Nederlandse Unie tegen. Die verwijzing kwam van dominee Zandt, voorman van de SGP-fractie, die terzijde het Friesch Dagblad citeerde, dat op zijn beurt in een bijzin had opgemerkt dat De Quay “zich eerst naam maakte door zijn optreden als leider van de Nederlandse Unie in bezettingstijd”. De Tweede Kamer hechtte kennelijk weinig belang aan de kwestie. De Quay negeerde het betoog van Geijl en werd, mede dankzij de economische hoogconjunctuur, een populaire premier. Eén termijn vond hij evenwel meer dan genoeg, en na een kort ministerschap in het tussenkabinet-Zijlstra en een eveneens kort lidmaatschap van de Eerste Kamer trok hij zich eind jaren zestig terug uit de Haagse politiek.

Zijn verleden bleef hem echter achtervolgen. In oktober 1965 lekte een vertrouwelijke interne brief van PvdA-fractievoorzitter Nederhorst over het huwelijk van prinses Beatrix en Claus van Amsberg uit. Tegen Claus bestonden bij veel Nederlanders bezwaren, omdat hij bij de Wehrmacht had gediend. Daarover schreef Nederhorst:

“Het gaat mij te ver wanneer wij in Nederland wèl De Quay als minister-president aanvaarden, die n.b. vrijwillig het op een akkoordje met de Duitsers en de NSB wilde gooien (VN van 7 augustus jl.) en dan van een Duitse jongen van 17 jaar verlangen, dat hij midden in oorlogstijd dienst weigert.”

Evenmin erg complimenteus was een andere passage uit de brief, enkele regels later:

“Een Nederland met als staatshoofd een Juliana of een Beatrix — goed in de hand gehouden door regering en parlement — prefereer ik boven een Nederlandse republiek met aan het hoofd een De Quay of een Luns, want dat wordt het.”

Loe de Jong, 1966 (opname uit de beeldengeluidwiki.nl).

Loe de Jong, 1966 (opname uit de beeldengeluidwiki.nl).

In 1972 verscheen het vierde deel van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, het magnum opus van Loe de Jong. Dit deel bestreek de periode mei 1940-maart 1941 en ging ook uitgebreid in op de vorming en de activiteiten van de Nederlandse Unie. Het Driemanschap was niet blij met het onderzoek van De Jong, als we althans mogen afgaan op wat deze zelf in 1988 schreef bij het verschijnen van deel 13 van zijn standaardwerk. De Quay, die net als de anderen in het Driemanschap alle concepten had mogen lezen, had oud-premier Beel benaderd, en later ook nog met premier Biesheuvel en minister van Onderwijs en Wetenschappen Van Veen gesproken. Samen met Einthoven stelde hij de vraag aan de orde of de regering de verschijning van deel 4 niet zou kunnen tegenhouden. De regering bleek echter niet bereid ‘het op censuur beluste driemanschap’ (citaat van De Jong) tegemoet te komen. Deel 4 verscheen, en in 1988 werd in de epiloog van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog nog eens hard uitgehaald naar de partijdige commissie die kort na de Tweede Wereldoorlog het handelen van het Driemanschap had onderzocht (het verwijt van De Jong kwam erop neer dat deze commissie vol Unie-sympathisanten zat). Jan de Quay hoefde dit niet meer mee te maken. Hij overleed in 1985 in zijn geliefde Brabant.

Deze bijdrage verscheen op 1 augustus 2013 op het weblog Publiekrecht & Politiek.

One Comment:

  1. Pingback: Boekbespreking: Riphagen – Corvinus

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *