Boekbespreking: Riphagen

riphagenNa de Tweede Wereldoorlog zijn diverse oorlogsmisdadigers ter dood veroordeeld in het kader van de Bijzondere Rechtspleging. Een aanzienlijk aantal van hen kreeg uiteindelijk gratie, maar veertig oorlogsmisdadigers werden ook daadwerkelijk doodgeschoten. “Wat er zonder twijfel eenenveertig zouden zijn geweest als Dries ‘Al Capone’ Riphagen zich niet tijdig aan strafvervolging had weten te onttrekken”, aldus auteurs Bart Middelburg en René ter Steege in hun boek Riphagen. Het boek verscheen al in 1990, maar is in 1997 en 2010 geactualiseerd, onder meer aan de hand van gesprekken met de in 1943 geboren zoon van Riphagen. Nu in 2016 een film over de beruchte, maar bij het grote publiek nauwelijks bekende oorlogsmisdadiger in de bioscoop draait, is lezing van deze korte biografie (206 pagina’s) mogelijk extra interessant. De film is deels op het boek gebaseerd.

De man

Het boek gaat allereerst in op de achtergronden van Dries Riphagen, die op 7 september 1909 in Amsterdam geboren werd als Bernardus Andreas Riphagen. Hij was een nakomertje en zijn moeder stierf toen hij zeven was. Zijn vader, al achter in de vijftig, had geen zin in en tijd voor de opvoeding. Al op jonge leeftijd kwam Riphagen in aanraking met Justitie, aanvankelijk voor kleinere vergrijpen. In de tweede helft van de jaren 30, na de scheiding van zijn tweede vrouw, begaf hij zich echter in de handel in tweedehands auto’s en werd hij een berucht souteneur (pooier) op de Wallen. Riphagen werd hiermee onderdeel van de keiharde Amsterdamse onderwereld en verwierf de bijnaam ‘Al Capone’. Hij liep altijd met een pistool op zak, nu heel gebruikelijk, toen nog de uitzondering.

Dries Riphagen was zonder enige twijfel een Jodenhater. Dat was ook de voornaamste reden van zijn lidmaatschap van de extreemrechtse en antisemitische Nationaal Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij (NSNAP), opgericht door Ernst Ridder van Rappard (1899-1953). De NSNAP moest weinig hebben van die andere sterk antisemitische partij, de NSB. Waar de NSB nog uitging van een zelfstandig Nederland, beschouwde de NSNAP Nederland slechts als een onderdeel van het Grootgermaanse Rijk. Dit alles kon Riphagen waarschijnlijk weinig boeien: politiek interesseerde hem niet echt, het ging hem vooral om de Jodenhaat.

Mugshot van Dries Riphagen.

Mugshot van Dries Riphagen.

De Jodenhater en de Persoonsbewijzencentrale

En die haat kon hij tijdens de Duitse bezetting naar hartenlust botvieren. In wezen kon hij hierbij zijn onderwereldactiviteiten combineren met werk voor de Duitsers. Riphagen was actief voor onderdelen van de Sicherheitsdienst (SD) en het Devisenschutzkommando, dat Joods bezit moest opsporen. Ook werkte hij voor de Kolonne Henneicke, geleid door de automonteur en zwarthandelaar W.C.H. Henneicke, die in december 1944 door het verzet zou worden geliquideerd. De Kolonne jaagde op Joden, waarvoor een kopgeld werd geïnd. Het Joodse bezit werd vervolgens in beslag genomen en het was de bedoeling dat het ter beschikking zou worden gesteld aan de inwoners van Duitse steden die door de Geallieerden waren gebombardeerd. Zo ging het in de praktijk niet: de mannen van de Kolonne en andere betrokkenen drukten gewoon een deel van buit achterover. Ze zagen er duidelijk geen been in bij alle samenwerking met de bezetter deze ook nog een poot uit te draaien. SD-commandant Willy Lages (1901-1971) – een van de Vier van Breda – zag zich genoodzaakt de Kolonne tot tweemaal toe op te heffen vanwege het dievengedrag. Tussen april en september 1943 pakte de Kolonne 3.400 Joodse mensen op en velen daarvan hebben de oorlog niet overleefd.

Riphagen speelde ook een belangrijke rol bij het oprollen van de Persoonsbewijzencentrale (PBC) van de beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen (1902-1944). De PBC is vooral bekend van een geslaagde overval op de Algemene Landsdrukkerij in Den Haag op 29 april 1944, toen vellen met 10.000 persoonsbewijzen werden buitgemaakt. Van der Veen werd twee dagen later door twee kogels geraakt tijdens een mislukte overval op een Huis van Bewaring in Amsterdam. Niet veel later viel hij in handen van de Duitsers, die hem op 10 juni 1944 fusilleerden in de duinen bij Overveen. De leiding van de PBC ging toen over op een driemanschap, onder wie zich ook de Duitse Jood Gerhard Badrian (1905-1944) bevond. De PBC werd vervolgens verraden door Betje Wery, een vrouw die zelf voor driekwart Joods was en die – mede uit angst voor deportatie van haar ondergedoken familie – besloot als informant voor de Duitsers te gaan werken.

Het boek poneert de stelling dat Wery het verraad niet in haar eentje pleegde, maar dat Riphagen hierin een aandeel had dat minstens even groot, zo niet groter was. De auteurs hebben hiervoor ook met Wery zelf (overleden in 2006) gesproken. Riphagen fungeerde als haar opdrachtgever, met de omineuze woorden “Zo meid, jij gaat keurig doen wat ik zeg en anders trap ik je met je ouders naar Polen”. Het behoeft dan ook geen betoog dat zij geen hoge pet op had van de man: hij zou slechts geïnteresseerd zijn geweest in ‘wijven, zuipen en glimmertjes’. Wery werd na de oorlog veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, maar kwam in 1958 al vrij. Riphagen ontsprong de dans.

De ontsnapping

President Perón van Argentinië.

President Perón van Argentinië.

Een groot deel van het boek is gewijd aan de ontsnapping van deze notoire oorlogsmisdadiger. Zo wordt in kaart gebracht hoe hij in februari 1946 het huis in Amsterdam verliet waar hij verbleef, de grens met België over gesmokkeld werd en via Frankrijk uiteindelijk in het Spanje van Franco terecht kwam. Daar werd hij gedetineerd wegens illegaal verblijf, maar na zeven maanden weer vrijgelaten. Toen de autoriteiten in Nederland lucht hadden gekregen van zijn verblijfplaats volgde met de nodige vertraging een uitleveringsverzoek. Maar op dezelfde dag als dit verzoek (21 maart 1948) slaagde Riphagen erin met het vliegtuig naar Argentinië te vluchten, een favoriet toevluchtsoord voor Nazi’s en anderen die iets op hun kerfstok hadden. Een poging hem door dat land uitgeleverd te krijgen liep spaak. Het relevante uitleveringsverdrag dateerde van 1893 en oorlogsmisdrijven werden er niet in genoemd, alleen strafbare feiten uit het commune strafrecht. Er werd door de Nederlandse autoriteiten wel uitlevering gevraagd op basis van een diefstal gepleegd vóór de oorlog en voor een overval, maar dat verzoek rammelde aan alle kanten. Het leverde dan ook niets op.

Riphagen bleef dus op vrije voeten en knoopte een warme vriendschap aan met de Argentijnse president Juan Perón (president van 1946-1955) en diens vrouw Evita. Toen Perón ten val werd gebracht vertrok hij naar Spanje. Riphagen volgde hem eind jaren 50 en vestigde zich uiteindelijk in West-Berlijn. Hij gaf zich uit als handelsreiziger en knoopte meerdere relaties tegelijk aan met oudere, rijke en alleenstaande vrouwen, door wie hij zich liet onderhouden. In 1973 stierf hij in een peperdure Zwitserse kliniek aan kanker. Hij ligt begraven op de gemeentelijke begraafplaats te Montreux. Nederland hoorde pas in 1988 van zijn overlijden, toen een nieuwe poging werd gedaan hem uitgeleverd te krijgen.

Einthoven vs. Sanders

Het laatste gedeelte van het boek gaat in op de vraag hoe Riphagen kon ontsnappen. Daarbij gaan de auteurs ook in op de voorloper van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD, zelf weer de voorloper van de huidige AIVD), het Bureau Nationale Veiligheid (BNV). Of, zoals het ook wel genoemd werd vanwege het feit dat ook verraders en collaborateurs zich er binnen wisten te wurmen, het Bureau Nationale Vuiligheid. Een veel groter probleem was echter dat het gezag van het hoofd van de dienst niet geaccepteerd werd. Tot baas van het BNV was de voormalige Rotterdamse politiecommissaris Louis Einthoven – onder meer bekend van de Nederlandse Unie – benoemd. Deze werd echter stelselmatig tegengewerkt door Wim Sanders, de chef van de opsporingsdienst van het BNV. Sanders was een gerenommeerd en moedig verzetsman, die al tijdens de oorlog een eigen inlichtingendienst had gerund. Hij zag zichzelf dan ook als de gedoodverfde baas van de nieuwe Nederlandse inlichtingendienst, maar die baan ging als gezegd naar Einthoven.

Louis Einthoven (Gemeentearchief Rotterdam, P 004442).

Louis Einthoven (Gemeentearchief Rotterdam, P 004442).

Het BNV functioneerde nooit goed en werd in augustus 1946 geliquideerd. Voor die tijd was Sanders vooral zijn eigen gang gegaan, waarbij hij ‘privéarrestanten’ maandenlang liet verblijven bij aan hem gelieerde rechercheurs thuis in plaats van hen aan politie en justitie over te dragen. Zijn ‘rechercheurs’ waren mensen met een achtergrond in het verzet, maar zonder veel ervaring in het recherche- en inlichtingenwerk. Dries Riphagen kwam na zijn arrestatie in huis bij ene Frits Kerkhoven, die voor de oorlog eigenaar was van de Amsterdamse Luxe Taxi Onderneming (ALTO). Feitelijk kon hij gaan en staan waar hij wilde. De omgang met Kerkhoven was vriendschappelijk, en op 18 februari 1946 kon Riphagen gewoon de deur uitlopen om spoorloos te verdwijnen. De vrouw van Riphagen trok daarna met haar zoontje bij Kerkhoven in, terwijl die ook nog gewoon getrouwd was.

Dat is allemaal vrij schokkend, maar de schokkendste bewering van de auteurs is dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de ontsnapping van Riphagen bij BNV-man Wim Sanders berust. Die bepaalde immers dat Riphagen niet hoefde te worden opgesloten, maar huisarrest kreeg bij Kerkhoven. Als Riphagen alsnog, na zo’n negen maanden huisarrest, vervolgd zou worden, zou hij zich zonder twijfel tegen Sanders keren en allerhande ware en onware beschuldigingen uiten, die Sanders kapot zouden maken. De ontsnapping van Riphagen kwam Sanders dan ook bepaald niet ongelegen. Hoewel het naar België smokkelen van Riphagen door Frits Kerkhoven en zijn broer werd uitgevoerd (met een lijkwagen), stellen de auteurs op basis van diverse bronnen – waaronder de zoon van Riphagen – vast dat Sanders op de hoogte was en alles goedkeurde.

De stelling dat Sanders verantwoordelijk was voor de ontsnapping, “en dus voor het feit dat een van de grootste Nederlandse oorlogsmisdadigers nooit voor de rechter is gebracht”, is wel bestreden. De auteurs gaan uitvoerig in op de argumenten die de historicus Gerard Aalders in 1996 ten faveure van Sanders naar voren heeft gebracht, en laten daar weinig van heel. Het is natuurlijk heel treurig dat een man die ontegenzeggelijk zeer veel voor het verzet heeft betekend toch wezenlijk heeft bijgedragen aan de vlucht van een notoire misdadiger.

Slot

Riphagen is een tamelijk onthutsend boek. Het is spannend, goed geschreven, en af en toe behoorlijk ingewikkeld vanwege het grote aantal personages dat erin voorkomt. Het waren natuurlijk ook chaotische tijden, vlak voor, tijdens en direct na de oorlog, waarin lang niet alles netjes volgens het boekje kon gaan en soms meerdere kapitein op één schip voeren. De onderwereld van Dries Riphagen trok zich sowieso al niets van boekjes aan. Met Riphagen brengen de auteurs enige orde in de chaos aan, en met de twee actualiseringen van 1997 en 2010 kan wel geconcludeerd worden dat er nog maar weinig losse eindjes zijn. Uitstekende onderzoeksjournalistiek, aanrader!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *