Boekbespreking: De Bekentenissen van Petrus

Deze literaire thriller van antropoloog Jeroen Windmeijer (1969) zou je in feite kunnen omschrijven als ‘De Da Vinci Code in Leiden’. De overeenkomsten met het bekende (en beruchte) boek van Dan Brown uit 2003 zijn groot. Een wat sullige geleerde (Peter de Haan) en een sterke vrouw aan zijn zijde (Judith Cherev) raken op de hoogte van een geheim dat de Katholieke Kerk op haar grondvesten zou kunnen doen schudden. Natuurlijk mag dit geheim niet uitkomen en dus wordt het dappere tweetal het hele boek door achtervolgd door een fanatieke moordenaar. Een oude, eminente wetenschapper blijkt ook dubbelspel te spelen en natuurlijk is er sprake van een geheimzinnige orde met wortels in de Middeleeuwen. Waar dat in De Da Vinci Code de Tempeliers waren, komt in De Bekentenissen van Petrus de Duitse Orde langs, meer specifiek een protestantse afsplitsing daarvan, de Ridderlijke Duitse Orde van Balije te Utrecht.

Pluspunten

De overduidelijke parallellen met het boek van Dan Brown maken De Bekentenissen van Petrus zeker geen slecht boek. Integendeel, het boek bevat voldoende originele elementen om een ruime voldoende te scoren. Het verhaal speelt zich af tussen 2 en 4 oktober 1996, dus rondom de viering van Leids Ontzet en rondom de ontdekking van een Romeins ruitermasker bij opgravingen op het terrein van het voormalige Romeinse legerkamp Matilo. Daar wordt ook nog iets anders gevonden, namelijk een kistje waarin zich een briefwisseling tussen de discipelen Petrus en Judas blijkt te bevinden. Die werpt een interessant licht op de bedoelingen van Christus en vooral op die van de apostel Paulus, die zich na Christus’ dood meer en meer de leer van de man die hij nooit gekend heeft gaat toe-eigenen. Het gaat dan onder meer om de vraag of nieuwe leden van de christelijke gemeente ook besneden moeten worden en zich moeten houden aan de Joodse spijswetten. De discussie daarover is bekend uit de Handelingen van de Apostelen, onderdeel van de Bijbel, maar de briefwisseling waar de hoofdpersonen de hand op weten te leggen bevat de nodige brisante informatie. Deze briefwisseling is bijzonder fraai (en bij vlagen ook humoristisch).

Romeins ruitermasker, gevonden te Matilo (Rijksmuseum van Oudheden).

Zonder nu al te veel details weg te geven, kan ik wel zeggen dat een belangrijk element van het verhaal is dat Petrus helemaal niet in Rome is gekruisigd en begraven. Dat is ook niet uit de Bijbel af te leiden, maar moet worden gebaseerd op de apocriefe Handelingen van Petrus (tweede eeuw). Waar is Petrus dan wel terechtgekomen? In Leiden natuurlijk! Vandaar dat Leidens belangrijkste kerk de Pieterskerk is en de stad bovendien de Sleutelstad wordt genoemd (naar de sleutels van het koninkrijk van de hemel, die Jezus aan Petrus belooft in Mattheüs 16:19). Petrus is in het verhaal dus in de vicus van Matilo gestorven en daar ter aarde besteld, tezamen met de hierboven reeds genoemde briefwisseling met Judas. Het moet gezegd worden: het is een originele gedachte en een prima element voor een roman.

Een sterk punt van het boek is de humor. De Bekentenissen van Petrus speelt als gezegd in 1996, een tijd waarin mobiele telefoons en e-mail nog niet zo ingeburgerd waren. Hoofdpersoon Peter kan zich ook niet voorstellen dat het ooit wat wordt met die mobieltjes: “Overal op straat waren toch telefooncellen?” (p. 24). Ook van ‘elektronische post’ moet hij niet veel hebben (“een overbodige vernieuwing”; p. 15). De auteur is bovendien niet te beroerd om de overeenkomsten tussen zijn eigen boek en de Da Vinci Code op de hak te nemen. Op p. 183 komt het boek Het Heilige Bloed en de Heilige Graal van Michael Baigent en Richard Leigh ter sprake. Dat (overigens volstrekt pseudowetenschappelijke) boek diende weer als inspiratie voor Dan Brown (en beide auteurs spanden een zaak aan tegen Brown wegens auteursrechtschending, die ze verloren). Peters vriend Luuk vindt het boek van Baigent en Leigh maar niets. Het staat vol onzin en “als je nog eens een spannend boek wilt schrijven, Peter, dan moet je dat als uitgangspunt nemen” (p. 183). Aldus geschiedde.

Reconstructie van het Romeinse kamp Matilo, nu een park.

De auteur neemt zijn lezers in veel vaart mee door het feestende Leiden en last gelukkig de nodige momenten in voor dialogen en reflectie. Waar De Da Vinci Code nogal eens irriteert door de onzinnige raadsels, ontbreken deze gelukkig in dit boek. Veel van de personages in het boek zijn op de een of andere wijze aan het Oude of Nieuwe Testament verbonden. De hoofdpersoon heet net als de apostel formeel Petrus en zijn achternaam De Haan is natuurlijk ook een verwijzing naar de Bijbel (en het verraad van Petrus). Zijn vrouwelijke sidekick heet Judith, de oude hoogleraar Pieter, een variant op Peter/Petrus. Judiths goede vriend heet Mark, de boezemvriend van Peter Luuk, beide natuurlijk verwijzingen naar de evangelisten (Mattheüs en Johannes ontbreken). Dat Peters nogal ongelovige vriend Thomas heet, zal ook geen toeval zijn. En dan is er nog de bibliothecaris Huibrecht Eco. Geen connectie met de Bijbel, maar als dit geen verwijzing is naar de Italiaanse auteur Umberto Eco (1932-2016) dan is Petrus daadwerkelijk in Leiden begraven!

Minpunten

De Bekentenissen van Petrus is vlot geschreven en leest als een trein. Helaas staan er wel wat foutjes in. Op p. 182 wordt gesteld dat graaf Floris IV in 1268 het patronaatsrecht toekende aan de Duitse Orde, hetgeen leidde tot een link tussen de Orde en de Leidse Pieterskerk. Floris IV was echter al in 1234 overleden. Bedoeld is zijn kleinzoon, de in Leiden geboren graaf Floris V (graaf van 1256-1296). Eenzelfde soort fout wordt gemaakt op p. 244. Daar komt een bisschop Godebald ter sprake, die ervoor zou hebben gezorgd dat de Pieterskerk aan Petrus (en Paulus trouwens) werd gewijd. Hij wordt aangeduid als “ook weer zo’n geheime gigant binnen onze [Duitse] Orde”. Godebald, bisschop van Utrecht, wordt inderdaad gezien als de man die in 1121 de kapel op de plaats van de huidige kerk wijdde aan beide heiligen. Hij stierf echter in 1127, terwijl de Duitse Orde pas rond 1190 werd opgericht. Natuurlijk kun je deze fouten afdoen als character mistakes – ook romanfiguren kunnen zich vergissen – maar hoofdpersoon Peter is expert op het gebied van de Leidse geschiedenis: hij zou die figuren stellig hebben gecorrigeerd.

De Leidse Pieterskerk.

Hoewel ik de briefwisseling tussen Petrus en Judas zeer fraai vindt, is deze ook wel enigszins merkwaardig. Jezus zelf wordt daarin steeds met zijn Hebreeuwse naam Jesjoea aangeduid, maar je zou dan ook Shi’mon, Ya’akov en Miriam verwachten en niet Petrus, Jakobus en Maria. Die laatste (gelatiniseerde) namen worden echter wel gebruikt. Dat komt wat inconsistent over.

Ook niet heel sterk zijn de passages waarin archeoloog Thomas zijn theorieën uit de doeken doet over waarom de Spanjaarden in 1573-1574 nu juist Leiden wilden belegeren en innemen. Natuurlijk, het is maar een roman en daarbinnen kan een eigen logica gelden, maar die moet wel minimaal geloofwaardig zijn. Thomas betoogt dat de Spaanse koning Philips II toch bijzondere redenen moet hebben gehad om “het nietige stadje Leiden” aan te vallen in plaats van Constantinopel en Jeruzalem te heroveren en de Moren in Noord-Afrika te verpletteren. Over het ‘nietige stadje’ zullen we het maar niet hebben, maar genoemde Thomas weet kennelijk niet dat in oktober 1573 Don Juan van Oostenrijk (1547-1578), de halfbroer van Philips II, Tunis veroverde op de Ottomaanse Turken. Dat was in dezelfde maand als waarin het Beleg van Leiden begon. Twee jaar eerder had deze Don Juan, die in 1576 nog landvoogd in de Nederlanden zou worden, ook nog als een van de aanvoerders van de Heilige Liga een Turkse vloot vernietigd bij Lepanto. Dat geen poging werd gedaan Constantinopel of Jeruzalem terug te pakken is nogal gemakkelijk verklaarbaar: Katholiek Europa was verdeeld en verscheurd door de Reformatie, de Heilige Liga viel kort na Lepanto uit elkaar en het Ottomaanse Rijk bevond zich op het toppunt van zijn macht.

Eindoordeel

De Leidse Hortus Botanicus.

De Bekentenissen van Petrus opent met een citaat uit het Evangelie volgens Mattheüs. Daarin roept Jezus zijn discipelen op de heidenen en Samaritanen links te laten liggen en zich te richten op de verloren schapen van het volk van Israël (Mattheüs 10:5-6). Zo zijn er nog wel meer citaten in dit Evangelie te vinden waaruit blijkt dat Jezus geenszins van plan was een totaal nieuw geloof te stichten. Denk aan de Bergrede (Mattheüs 5), waarin Jezus stelt dat hij niet gekomen is om de Wet of de Profeten af te schaffen en betoogt dat “elke jota, elke tittel in de wet” van kracht zal blijven. Zoals bekend is het allemaal heel anders gegaan en heeft het Christendom zich vrij snel radicaal losgemaakt van zijn joodse wortels. Dat daardoor een nogal lastige relatie ontstond tussen de Christelijke Kerk en zijn evident joodse ‘grondlegger’ komt in het boek goed naar voren. De vraag blijft echter wel of wat in het boek naar voren komt over de briefwisseling tussen Petrus en Judas nu echt zo schokkend is. In wezen ondersteunt het alleen maar wat reeds uit de Bijbel zelf kan worden afgeleid.

Net als Dan Brown heeft ook Jeroen Windmeijer wat moeite een mooi einde aan zijn boek te breien. Er blijven nogal wat losse eindjes over, zoals de verstoorde relatie tussen de voormalige boezemvrienden Peter en Luuk. Het zij de auteur vergeven, want De Bekentenissen van Petrus is pas zijn debuutroman. De opvolger van het boek, genaamd Het Pauluslabyrint, zal ik – tegenwoordig zelf Leidenaar – ongetwijfeld met plezier lezen.

One Comment:

  1. Pingback: Boekbespreking: Het Pauluslabyrint – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *