Boekbespreking: Het Pauluslabyrint

Precies 200 jaar geleden introduceerde de Engelse dichter Samuel Taylor Colerigde (1772-1834) de term willing suspension of disbelief. Kort gezegd houdt suspension of disbelief in dat lezers van een werk van literatuur of poëzie hun ongeloof en scepticisme opzij moeten zetten om van dat werk te kunnen genieten. Wie bij het lezen van een roman voortdurend denkt ‘dat kan niet’ of ‘dat klopt niet’ zal weinig plezier aan zo’n boek beleven. In het epische gedicht Beowulf moet de hoofdpersoon bijvoorbeeld drie dagen onder water zwemmen. Wie dan direct roept dat dat onmogelijk is, zal zo’n stuk poëzie al snel terzijde schuiven. Suspension of disbelief is dus nodig bij het lezen of kijken van ieder werk dat als fictie moet worden aangemerkt, een boek, gedicht, toneelstuk of film. Het is een eis die aan de lezer of kijker wordt gesteld. Aan de andere kant kan de auteur of regisseur het niet te bont maken. Als iets totaal ongeloofwaardig wordt, houdt de suspension of disbelief ergens op. Bij mij was dat laatste helaas al redelijk vlot het geval bij het lezen van Het Pauluslabyrint, de nieuwste thriller van Jeroen Windmeijer.

Windmeijer publiceerde eerder De Bekentenissen van Petrus, een boek dat ik redelijk positief recenseerde. Ik voorspelde toen dat ik ook de opvolger van het boek met plezier zou lezen. Die voorspelling is niet uitgekomen. Het Pauluslabyrint is te lang, vaak nodeloos ingewikkeld en bij vlagen zelfs saai. Het is bovendien regelmatig zo ongeloofwaardig dat ik niet meer tot suspension of disbelief in staat was. De verwachtingen waren nochtans hooggespannen. Op de kaft van het boek prijkt een sticker met de tekst ‘De Dan Brown van de Lage Landen’, terwijl op de achterflap de thrillers van Windmeijer – hij schreef er overigens nog maar twee – als ‘plotdriven, superslim en ontzettend origineel’ worden gekwalificeerd. Dat zijn ongetwijfeld woorden van de uitgever, in dit geval het grote HarperCollins. De gelijkenissen met het werk van Dan Brown zijn evident (wat niet per se positief is), en het aardige was dat die in De Bekentenissen van Petrus door de auteur zelf op de hak werden genomen. Het Pauluslabyrint is daarentegen veel serieuzer en zwaarder, terwijl het met de originaliteit wel meevalt.

Rode draad

De Lakenhal.

Het verhaal van Het Pauluslabyrint speelt zich net als dat van zijn voorganger in Leiden af. Tijdens een feestelijke bijeenkomst in verband met het plaatsen van ondergrondse vuilcontainers kukelt de Leidse burgemeester met graafmachine en al in een gat waarin die containers moeten worden neergelaten. Onder het gat blijkt zich een gangenstelsel te bevinden. Hoofdpersoon Peter de Haan verkent met concullega Arnold het stelsel, waarop de laatste plotsklaps verdwijnt. Hij wordt later dood teruggevonden in de gracht en drie keer raden wie de voornaamste verdachte is. Peters goede vriendin Judith verdwijnt vervolgens ook en Peter blijkt de uitverkorene te zijn om een reeks raadsels van een geheimzinnig genootschap op te lossen. Doet hij dat niet, dan ziet hij Judith nooit meer terug. En dus zien we Peter weer grote delen van de Leidse binnenstad doorkruisen, van het verenigingsgebouw van Quintus naar de Lakenhal en van het Rijksmuseum van Oudheden naar de Hortus Botanicus, de voormalige Sterrewacht, Museum Boerhaave, Molen De Valk en de Hartebrugkerk. Die tocht door Leiden is het beste deel van het werk.

Weinig enthousiast ben ik echter over de rode draad van het verhaal. Die knoopt – men zie de titel – aan bij de apostel Paulus. Paulus blijkt eigenlijk een aanhanger van de Mithrascultus te zijn geweest. Vanwege de liefde bekeerde hij zich tot het jodendom, maar toen hij daarin zwaar werd teleurgesteld, sloot hij zich weer bij de Mithrascultus aan en zon hij op wraak. Vervolgens infiltreerde hij in de jonge christelijke gemeente – feitelijk toen nog een joodse sekte – en stuurde die helemaal weg van het jodendom. Sterker nog, de leer van Christus werd stiekem de leer van Mithras. Feitelijk is het christendom niets anders dan de oude Mithrascultus in een nieuw jasje.

Reliëf met Mithras die de stier doodt. Gevonden onder de kerk van Santo Stefano Rotondo te Rome. Nu in het Museo Nazionale Romano.

Laat ik hier kort over zijn: deze rode draad is echt onzin. De Mithrascultus was een zogenaamde mysteriecultus, alleen toegankelijk voor mannen en vooral populair bij soldaten.[1] De cultus was – zoals zoveel ‘heidense’ godsdiensten, inclusief de Romeinse staatscultus – niet-doctrinair en kende dus geen leer die ethische (gedrags)normen voorschreef. Aan zending werd, voor zover we weten, niet of nauwelijks gedaan. Op universele gelding maakte de cultus nooit aanspraak, hoe populair ze op een gegeven moment ook was, zeker in de stad Rome. Het moge duidelijk zijn dat het christendom op nogal wat punten verschilt van de hier beschreven cultus: geen mysteriecultus, hoewel bepaalde onderdelen bepaald mysterieus genoemd kunnen worden.[2] Toegankelijk voor zowel mannen als vrouwen, wat de positie van de vrouw binnen de christelijke gemeente verder ook moge inhouden. Aanhangers onder alle lagen van de bevolking[3], maar juist niet erg onder soldaten, als we althans mogen afgaan op verhalen over figuren als Sint Maarten, die het leger juist afzwoor. Het christendom is juist wel doctrinair en de zending begon zo’n beetje direct na de dood van Christus. Kortom, er zijn wezenlijke verschillen en hooguit oppervlakkige overeenkomsten.

De Mithrascultus

Mithrasreliëf (Museo Nazionale Romano).

Het voorgaande doet misschien vermoeden dat we veel weten over de Mithrascultus. Het tegendeel is echter het geval: we weten eigenlijk heel weinig. Bronnen waarin de rituelen van de cultus worden beschreven zijn niet overgeleverd. We moeten het doen met wat verspreide passages in teksten die vaak vijandig zijn, zoals werk van de christelijke apologeet Justinus de Martelaar uit de tweede eeuw en van de bekendere Sint Hiëronymus (ca. 347-420), de man die verantwoordelijk was voor de Vulgaat, de Latijnse Bijbelvertaling. Nog veel belangrijker zijn afbeeldingen, reliëfs en fresco’s met daarop Mithras zelf die de stier doodt (de tauroktonie), zijn helpers Cautes en Cautopates, een reeks dieren en niet zelden ook de zonnegod Sol[4] en de maangod Luna. Zie de afbeelding hierboven. De uitdaging bij afbeeldingen is ze correct te interpreteren, en dat is niet eenvoudig bij gebrek aan teksten die een context schetsen. De afbeeldingen zijn ook nogal eens vervaagd of beschadigd. Harde uitspraken doen is zo heel lastig.

Vroeger werd wel aangenomen dat de Mithrascultus was overgenomen van de Perzen. Die kenden immers een godheid Mithra (zonder s) en een van de inwijdingsgraden van de Mithrascultus is die van Pers (Perses). Tegenwoordig is echter het dominante academische standpunt dat de Perzische connectie hooguit zeer losjes is. Zo is er geen bewijs dat er in de Perzische variant sprake was van exclusiviteit en ook hét centrale element van de Mithrascultus, de tauroktonie, ontbreekt daar. De Mithrascultus wordt nu veeleer gezien als een typisch product van de multiculturele samenleving binnen het Romeinse Rijk. Niet voor niets vinden we vooral veel resten van mithraea – heiligdommen van de cultus – in een kosmopolitische stad als Rome of in haar havenstad Ostia. In het oosten van het Romeinse Rijk en het gebied dat aan Perzië – het Parthische en later het Sassanidische Rijk – grenst, zijn die sporen juist veel minder duidelijk.[5]

Alle ballen op Mithras

Magna Mater of Cybele (foto: Marshall Astor, CC BY-SA 2.0 licentie)

Als over een bepaalde cultus niet heel veel bekend is, dan kun je als schrijver van een roman nog heel goed een mooi verhaal vertellen door op een enigszins geloofwaardige manier de gaten in onze kennis op te vullen. Dat hoeft niet helemaal waterdicht te zijn. Immers: suspension of disbelief. Windmeijer slaagt hierin echter mijns inziens niet. Ik geef enige voorbeelden. Op p. 346 (en ook elders in het boek) wordt het taurobolium tot de Mithrascultus gerekend. Bij dit ritueel neemt iemand plaats in een kuil waarover een rooster ligt. Boven dit rooster wordt een stier de keel overgesneden, waardoor de persoon onder het rooster letterlijk baadt in het bloed. Probleem: het taurobolium komt niet uit de Mithrascultus, maar uit die van Cybele, ook wel Magna Mater (Grote Moeder) genoemd. De Romeinen importeerden deze godin in 204 BCE uit Frygië in het huidige Turkije. Met Mithras heeft zij niets te maken, of het moet zijn dat haar wederhelft Attis nog wel eens met dezelfde Frygische muts als Mithras wordt afgebeeld.

Ja, die Frygische muts. Zo wordt het hoofddeksel van Mithras – een soort smurfenmuts – volgens mij doorgaans genoemd. In Het Pauluslabyrint wordt het een mitra genoemd (p. 266), waarbij de link wordt gelegd met de hedendaagse mijter en – toegegeven: impliciet – met de naam Mithras. Inderdaad is het woord mijter afgeleid van het Griekse woord μίτρα, maar dat heeft ongeveer net zoveel met het woord Μίθρας te maken als de woorden ‘eter’ en ‘ether’ aan elk verwant zijn. Het genoemde Griekse woord is ook veel ouder dan de Mithrascultus en komt al bij Homerus[6] en Herodotus[7] voor, met nogal verschillende betekenissen. Het lijkt vooral een generieke term te zijn voor een kledingstuk dat om het lichaam wordt gedrapeerd.

Suovetaurilia (Louvre, Parijs; foto: Marie-Lan Nguyen ).

We moeten volgens dit boek ook aannemen dat zich onder de hervormde kerk te Elst een mithraeum bevindt (p. 157). Die bewering kun je inderdaad overal op internet vinden, behalve op de website van de kerk zelf. Daar blijkt dat het gaat om de resten van twee Gallo-Romeinse tempels waar de god Hercules Magusanus werd vereerd. Hercules Magusanus is een samensmelting van de Romeinse (half)god Hercules en de inheemse god Magusanus, vermoedelijk de belangrijkste god van de Bataven.[8] Bij opgravingen zijn ook resten van een suovetaurilia gevonden. Dat is een offer van een varken, een schaap en een stier (taurus). Misschien was de gedachte van de auteur: dat is een tauroktonie, dus het zal wel met Mithras te maken hebben. Overtuigend is dat in elk geval niet.

Op p. 219 en volgende krijgen we een soort inleiding op de Mithrascultus te lezen. “De heilige Hiëronymus heeft de zeven stadia van inwijding in het mithraïsme beschreven”, lezen we daar. Nou ja, beschreven, hij noemde ze even in het voorbijgaan. Mozaïeken in Ostia (die ook in het boek worden gebruikt) en fresco’s onder de kerk van Santa Prisca in Rome bevestigen dat er zeven inwijdingsgraden waren: Raaf (Corax), Bruidegom (Nymphus), Soldaat (Miles), Leeuw (Leo), Pers (Perses), Zonneloper (Heliodromus) en Vader (Pater).[9] Die graden zijn blijkens de Santa Prisca-fresco’s aan een bepaalde planetaire godheid verbonden, dat wil zeggen aan een godheid waarvan de naam tevens een planeet is. Hier wordt dat nader toegelicht.

De kerk van Santa Prisca op de Aventijn in Rome. Onder de kerk bevindt zich een mithraeum.

In Het Pauluslabyrint is de Soldaat verbonden met de planeet Aarde, maar die komt helemaal niet voor als planeet of godheid tussen de Santa Prisca-fresco’s. De Soldaat is daar verbonden aan de planetaire godheid Mars, de oorlogsgod, wat een tamelijk logische connectie is.[10] De Pers zou volgens het boek worden “beschermd door de planeet Mars”, maar de Santa Prisca-fresco’s laten een verband met Mercurius zien, of met de Maan (in de Grieks-Romeinse wereld als een planeet beschouwd).[11] De Ostia-mozaïeken trouwens ook: daar is heel duidelijk een halve maan met een ster te zien (p. 241). In het boek wordt echter rondom de inwijdingsgraad Pers een raadsel opgegeven waarin de chocoladereep Mars een rol speelt. Die kon blijkbaar niet aan de Soldaat gekoppeld worden. De zonneloper wordt op p. 289 als Heliodromos weergegeven. Dat is wat vreemd, want Heliodromos is Grieks, terwijl de overige graden in het Latijn worden aangeduid.

Andere zwakke punten

Misschien heb ik het boek te kritisch gelezen en te weinig aan suspension of disbelief gedaan. Maar als al op p. 14 in het jaar 72 CE een stierengevecht in Spanje wordt beschreven (natuurlijk gekoppeld aan Mithras) met een ruiter die rechtop in zijn stijgbeugels gaat staan, dan heb ik het wel moeilijk. Stijgbeugels werden pas eeuwen later in Europa geïntroduceerd. In de proloog worden we bovendien getrakteerd op een grote hoeveelheid Latijnse termen, maar de plaats van handeling wordt als “Mérida (Hispania)” gegeven. Waarom daar niet Emerita Augusta van gemaakt, zoals de stad – een Romeinse kolonie van veteranen uit het leger van keizer Augustus – toen heette? Hispania is strikt genomen ook niet correct. De provincie heette Hispania Lusitana of Lusitania.

Groot Sionshof, Leiden, waar Peters vriendin Judith woont.

Na deze slechte start wordt het boek wel iets beter en de tocht door Leiden is – zeker voor Leidenaren – best interessant. Windmeijer kan absoluut schrijven. Maar hij wil te veel, is mijn indruk. Het boek is zo’n 110 pagina’s dikker dan zijn voorganger en uit het dankwoord blijkt dat het oorspronkelijk nog 60-70 pagina’s dikker was. Het had hier en daar nog best korter gekund. Zo worden we tussen de hoofdstukken door vergast op visoenen en flashbacks, waarbij in de flashbacks nog vele pagina’s aan aantekeningen van een priester worden weergegeven. Die gaan over allerhande oude religies en zijn buitengewoon langdradig. Sowieso is dat een probleem met het boek: het is topzwaar. Alles wordt met alles verbonden: de brieven van Paulus, het Hooglied, Mithras, Wicca, numerologie van J.S. Bach, Hitchhiker’s Guide to the Galaxy, de Ebionieten en zelfs Leylijnen passeren de revue, met tussendoor vleugjes Hindoeïsme, Noorse mythologie, Sai Baba en Boeddhisme. De boodschap is kennelijk dat religies allemaal in de kern dezelfde uitgangspunten hebben. Een prachtige gedachte, maar dat maakt Het Pauluslabyrint nog geen goede thriller.

Een ander probleem is dat de claim ‘ontzettend origineel’ ook niet waargemaakt kan worden. Ik vind het bijvoorbeeld niet erg sterk dat in het boek passages uit andere werken zijn opgenomen. Zo zijn op p. 139, 141 en 187-188 stukken tekst uit dit artikel uit Skepter over het religieuze brein overgenomen. Dit is gebeurd met toestemming van de oorspronkelijke auteur en het wordt keurig verantwoord achterin, maar voor een roman vind ik dit vrijwel letterlijk overschrijven tamelijk zwak. De tekst wordt nota bene deels voor een dialoog gebruikt, het terrein waarop de auteur soeverein zou moeten zijn. Al met al vind ik dat het Pauluslabyrint te veel zwakke plekken heeft om een goede thriller te zijn. Ik kan het boek dan ook helaas niet aanraden.

Noten

[1] Zie The Cambridge Dictionary of Classical Civilization 2006/2008, p. 585-586.

[2] Het Griekse woord μύστης betekent ‘ingewijde’.

[3] Het idee dat christenen vooral onder de allerarmsten te vinden waren, is wel verlaten. Een christelijke gemeente was doorgaans een doorsnede van de bevolking. Van de stadsbevolking wel te verstaan, want het christendom was aanvankelijk echt een stedelijk verschijnsel. De grote steden bevonden zich voornamelijk in het oostelijke deel van het Romeinse Rijk, waar juist relatief weinig mithraea zijn aangetroffen. Zie Henk Singor, Constantijn en de christelijke revolutie in het Romeinse Rijk, p. 80-82.

[4] Complex aan de Mithrascultus is de positie van Sol. Mithras wordt altijd als sol invictus, de onoverwinnelijke zon, aangeduid. Sol Invictus (met hoofdletters) is echter een van Mithras te onderscheiden godheid, die onderdeel van een officiële cultus was. Die precieze relaties laat ik graag aan specialisten over. Duidelijk is echter wel dat Mithras zelf niet de zonnegod is, aangezien hij doorgaans samen met de zonnegod wordt afgebeeld, niet alleen in de tauroktonie, maar ook bij een ritueel banket.

[5] Zie The Cambridge Dictionary of Classical Civilization 2006/2008, p. 585-586.

[6] Ilias 4.137. M.A. Schwartz vertaalt de term hier met ‘gordel’.

[7] Zie Herodotus, Het verslag van mijn onderzoek, 1.195 en 7.90 (vertaling Hein van Dolen). In het eerste geval wordt het woord met ‘lint’ vertaald, in het tweede geval is sprake van een doek die als tulband om het hoofd wordt gewikkeld.

[8] Marco Mostert, In de marge van de beschaving, p. 63.

[9] Hiëronymus noemt ook de graad Krab, althans in de vertaling waar de link naar leidt. In deze Latijnse tekst van de brief aan Laeta komt die term echter niet voor.

[10] De Latijnse tekst luidt “Nama militibus, tutela Martis”. Nama betekent zoiets als ‘heil’, dus “Heil aan de Soldaten, onder bescherming van Mars”.

[11] De Latijnse tekst verschilt in de geraadpleegde bronnen. Sommige noemen Mercurius (“Nama Persis, tutela Mercuris”), andere Luna (“Nama Persis tutela Lunae”). Het mithraeum onder de Santa Prisca is te bezoeken, maar was dicht tijdens mijn laatste bezoek aan Rome.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *