De Gouden Eeuw: Nieuw volk

Monument ter ere van Leids Ontzet, met rechts Jan van Hout.

De tweede aflevering van de Gouden Eeuw neemt ons mee naar Leiden en de jaarlijkse viering van Leids Ontzet. In oktober 1573 sloegen de Spanjaarden het beleg voor de Sleutelstad op. De stad doorstond dit beleg tamelijk goed, en de Spanjaarden werden in maart van het volgende jaar gedwongen het beleg af te breken omdat Lodewijk en Hendrik van Nassau met een leger de Nederlanden waren binnengevallen. Die inval liep echter op een vreselijke mislukking uit: in de slag op de Mookerheide sneuvelden beide broers van Willem van Oranje samen met duizenden van hun soldaten. De Spanjaarden keerden hierop terug naar Leiden. Hoewel gewaarschuwd, was de stad totaal niet voorbereid op een tweede beleg. In deze aflevering leren we dat een derde tot de helft van de bevolking de belegering niet overleefde, wellicht zo’n 6.000 mensen.

Op 3 oktober 1574 werd Leiden echter ontzet door de Watergeuzen en die gebeurtenis wordt nog jaarlijks gevierd met haring, wittebrood en hutspot. De aflevering gaat kort in op burgemeester Pieter Adriaanszoon van der Werff (1529-1604), de man die de boeken ingegaan is als de grote held van het Beleg van Leiden. Het verhaal dat hij de hongerige bevolking zijn arm (of zelfs zijn lichaam) zou hebben aangeboden om op te eten blijkt geen enkele historische basis te hebben. Het is een verzinsel, dat het vooral goed doet in kinderboeken en op schilderijen. Stadshistoricus Cor Smit legt uit dat twee andere personen een veel groter aandeel in de verdediging hebben gehad. In de eerste plaats was dat de commandant Jan van der Does (1545-1604), beter bekend als Janus Dousa. De Doezastraat in Leiden is naar hem vernoemd. Nog belangrijker voor het verzet tegen de Spanjaarden was stadssecretaris Jan van Hout (1542-1609).

Standbeeld voor Van der Werff.

Terwijl Van der Werff werd vereerd met een groot standbeeld in het naar hem vernoemde Van der Werfpark, moesten de andere twee het doen met een wat armoedig monumentje nabij de Jan van Houtbrug (zie hierboven). Een slecht lijkende Willem van Oranje neemt op dit monumentje de voornaamste positie in, met daaronder Dousa en Van Hout. De vierde man is de inmiddels helemaal vergeten en in zelfs in de aflevering niet genoemde admiraal en aanvoerder van de Watergeuzen, Lodewijk van Boisot (ca. 1530-1576), een Brusselaar. De teneur van de aflevering is dat met name Jan van Hout ten onrechte in de vergetelheid is geraakt, maar dan niet zozeer vanwege zijn rol bij Leids Ontzet, als wel vanwege zijn visionaire immigratiebeleid. Leiden was ten tijde van het beleg “een wat achterop geraakte textielstad”, zoals de Sleutelstad in de aflevering treffend wordt omschreven. Van Hout gaf de stad een enorme impuls door gespecialiseerde arbeidskrachten van buiten te halen. Daarbij ging het bijvoorbeeld om protestantse vluchtelingen uit het Zuiden die naar Leiden trokken om aan het oorlogsgeweld en de vervolgingen te ontkomen, maar ook om mensen uit de Zuidelijke Nederlanden die eerst naar Norwich in Engeland waren geëmigreerd.

Norwich was in die tijd belangrijk vanwege de wolhandel en had ook een eigen textielindustrie. Buitenlandse wevers uit de Zuidelijke Nederlanden streken er ten tijde van de Opstand in groten getale neer. Norwich was zelfs de eerste stad die actief immigranten uit Zuidelijke Nederlanden haalde. Zij stonden ter plaatse bekend als de ‘strangers’ en kerkten in de Old Dutch Church, waar nog Nederlandse teksten zijn achtergebleven. Ondanks het feit dat deze Zuidelijke Nederlanders een belangrijke bijdrage leverden aan de economie van Norwich, waren er wel af en toe problemen met de autochtone bevolking. De aflevering noemt in dit verband een incident uit 1570 en speculeert of dit wellicht de reden was voor een aantal ‘strangers’ om naar Leiden te trekken. Het lijkt echter aannemelijker – ook gelet op het tijdsverloop – dat de aantrekkelijke voorwaarden die Jan van Hout de migranten bood de werkelijke reden waren om naar Leiden te komen. Zeker is dat Leiden een zeer tolerant klimaat had. De nieuwe Leidenaren mochten hun kerkdiensten bijvoorbeeld in de eigen taal houden. Die traditie is behouden gebleven. De Waalse Kerk – Église wallonne – houdt nog steeds diensten in het Frans. Deze kerk diende vanaf de zestiende eeuw een Franstalige gemeenschap die oorspronkelijk uit Wallonië in de Zuidelijke Nederlanden afkomstig was.

Gevelsteen op de hoek van de Beestenmarkt en de Nieuwe Beestenmarkt.

Het moge duidelijk zijn dat de komst van de vele immigranten naar Leiden ervoor zorgde dat de stad uit haar voegen barstte. Open ruimtes werden volgebouwd en tuinen en ander groen verdwenen. In de aflevering wordt aan de hand van een prachtige gevelsteen stilgestaan bij de eerste grote Leidse stadsuitbreiding van 1611, die vooral bedoeld was om de nieuwkomers onderdak te geven. De bevolking van Leiden groeide van slechts 10.000 mensen in 1574 tot ruim 60.000 in 1650. Ook andere Hollandse steden namen stormachtig in omvang toe: Amsterdam, Enkhuizen, Haarlem, Rotterdam. Veel immigranten waren gespecialiseerde werkkrachten en economisch zelfstandig. Er werd dan ook flink geld verdiend en dat betekende weer een financiële impuls voor de Opstand. In de aflevering wordt terecht opgemerkt dat de rebellie tegen het Spaanse gezag zonder de toestroom van mensen en kapitaal vermoedelijk mislukt was. Leiden kreeg in 1640 haar beroemde Lakenhal (een ontwerp van Arent van ‘s-Gravesande) en werd zowel in Europees als in internationaal verband een wereldstad op het gebied van de handel in lakense stoffen.

De Lakenhal.

In de aflevering komt ook historicus Leo Lucassen aan het woord. Hij legt – en het moet gezegd worden: met gezag – uit dat er zonder al die immigranten nooit een Gouden Eeuw voor Nederland was geweest. Zo zijn de Gouden Eeuw en de in 1602 opgerichte VOC nauw met elkaar verbonden. Welnu, zo’n 50% van het personeel van de VOC was van buitenlandse komaf. Lucassen wijst in dit verband nog naar een versiering met een halve maan op het Leidse stadhuis: Leiden was liever Turks dan paaps. Er waren wel spanningen in de stad tussen immigranten en autochtonen, maar die werden in goede banen geleid door het feit dat beiden een gedeeld verleden hadden: de eersten waren gevlucht voor de Spanjaarden, de laatsten hadden tegen diezelfde Spanjaarden gevochten. Het anti-Spaanse en anti-katholieke gevoel bepaalde hier dus de eigen identiteit. Wie de gevel van het Leidse stadhuis bestudeert, constateert overigens dat er vele halve manen op te ontwaren zijn. Alleen de gevel van het stadhuis is nog origineel, een ontwerp van de Gentenaar Lieven de Key (1560-1627). De rest van het stadhuis is nieuwbouw, na een verwoestende brand in 1929.

Stadhuis van Leiden in de Breestraat.

Jean Pesijnhof.

Stadssecretaris Van Hout richtte zich niet alleen op de economie van de stad, maar ook op de bevordering van de kunsten en de werkzaamheden van de in 1575 opgerichte Universiteit van Leiden. Die universiteit begon vanuit het niets. Beroemde buitenlandse professoren moesten worden aangetrokken en met aantrekkelijke salarissen worden gelokt om het instituut tot ontwikkeling te brengen; Lucassen spreekt in dit verband van ‘headhunting’. Helaas worden de namen van deze professoren niet genoemd, maar een bekend voorbeeld is de grote geleerde Justus Lipsius (1547-1606), naar wie het voormalige hoofdkwartier van de Raad van ministers van de Europese Unie in Brussel is vernoemd. Andere voorbeelden van belangrijke hoogleraren aan de Leidse universiteit zijn Carolus Clusius uit Arras in het huidige Frankrijk (1526-1609) en Josephus Justus Scaliger (1540-1609), eveneens uit Frankrijk. Uiteindelijk kwam een derde tot 40% van de docenten aan de kersverse universiteit uit het buitenland, net als de helft van de studenten. Een tocht langs verschillende Europese universiteiten – een peregrinatio academica – was in die tijd heel gebruikelijk voor wie het zich kon veroorloven.

De aflevering besluit met enkele scènes bij het Jean Pesijnhof tegenover de Pieterskerk en bij de ruïne van de Vrouwekerk, een van de kerken in Leiden die door de Pilgrim Fathers gebruikt werden voordat ze naar Amerika vertrokken. In het geval van Jean Pesijn en zijn vrouw Marie de Lannoy gaat het om immigranten die oorspronkelijk uit Rijssel, het huidige Lille, afkomstig waren. Het hofje was bestemd voor arme, oudere Waalse mannen en vrouwen. Op de gevel van de poort die naar het hofje leidt, prijkt het jaartal 1683. Op dit adres aan de Kloksteeg woonde tot aan zijn dood in 1625 – dus ruim vóór de stichting van het hofje – John Robinson (1576-1625), de leider en pastor van een groep Pilgrims. Uiteindelijk vertrok het schip de Mayflower in 1620 met een deel van deze Pilgrims naar de Nieuwe Wereld, maar zonder Robinson. Het was de bedoeling dat de rest hen vanuit Leiden na zou reizen, maar Robinson stierf voordat het zover kon komen. Hij werd begraven in de Pieterskerk.

De Pieterskerk.

2 Comments:

  1. Pingback: De Gouden Eeuw: Een maakbaar land – – Corvinus –

  2. Pingback: De Gouden Eeuw: Een nieuwe wetenschap – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *