De Gouden Eeuw: Moderne manieren

Gerard Andriesz Bicker door Bartholomeus van der Helst (Rijksmuseum, Amsterdam).

De zevende aflevering van De Gouden Eeuw richt zich op de nieuwe rijken van die tijd, de mensen die voor het eerst geld als water konden uitgeven. Wat deden ze met dat geld, hoe vermaakten ze zich en wat vonden anderen van hun gedrag? De aflevering licht het toe aan de hand van twee Amsterdamse patriciërsgeslachten, de Huydecopers en de Bickers. Deze families leverden diverse burgemeesters van Amsterdam. Historicus Maarten Prak legt uit dat deze burgemeesters in feite de ongekroonde koningen van de Republiek waren. De Staten-Generaal bemoeiden zich uitsluitend met defensie en buitenlands beleid, de werkelijke macht lag bij de staten van de afzonderlijke provincies. Binnen het machtigste geweest Holland domineerde weer de stad Amsterdam, zoals ook de VOC werd gedomineerd door de Amsterdamse kamer. De machtspositie van Amsterdam leidde nogal eens tot conflicten, vooral met de stadhouders. Stadhouder Willem II (1647-1650) probeerde zelfs een ‘aanslag’ op de stad te plegen, terwijl burgemeester Coenraad van Beuningen overhoop lag met stadhouder Willem III (1672-1702; zie over Willem III deze bijdrage).

Vanuit café Karpershoek, geopend in 1606, wordt verkend waar de nieuwe elite zijn geld vandaan haalde. Wederom wordt geconstateerd dat grondspeculatie, c.q. ‘vastgoedfraude’ een goede manier was om snel veel geld te verdienen (zie daarover ook aflevering zes). Dat gold in elk geval voor ene Jan Bal, die zichzelf vanwege zijn beroep Huydecoper ging noemen. Zijn zoons Johan Huydecoper van Maarsseveen (1599-1661) en Joan Huydecoper van Maarsseveen (1625-1704) – met een interessant dagboek waarin hij minutieus noteerde wanneer hij dronk, rookte en de liefde bedreef – komen in de aflevering aan de orde, net als het door de familie gebouwde landhuis Goudestein langs de Vecht richting Utrecht. Investeren in dit soort buitens was gebruikelijk onder de nieuwe, niet-adellijke elite. Bovendien werd geïnvesteerd in portretten: de nieuwe rijken lieten zich schilderen door meesters als de Haarlemmer Bartholomeus van der Helst (1613-1670). Men denke in dit verband ook aan de portretten van Oopjen Coppit en Marten Soolmans, ten voeten uit geschilderd door de nog beroemdere Rembrandt.

Andries Bicker door Bartholomeus van der Helst (Rijksmuseum, Amsterdam).

Wat portretten betreft is er bijna geen mooier contrast dan tussen de twee schilderijen waarop Andries Bicker (1586-1652) en zijn zoon Gerard (1622-1666) zijn afgebeeld. De doeken zijn van de hand van Van der Helst, en laten vader Andries zien als een ernstige man, nog gekleed in ouderwets zwart. Andries is van de generatie Jan Pieterszoon Coen, de generatie van aanpakken en doordouwen. Hij is duidelijk de man die nog hard heeft moeten werken om het familie-imperium op te bouwen. Bij zoon Gerard ligt het allemaal anders. Hij is opgegroeid in weelde, heeft weinig tot niets van de moeilijke jaren van de Opstand meegekregen en is dan ook geschilderd in kleurrijke kleding. Bovenal valt zijn enorme lichaamsomvang op. Gerard Bicker blaakt van welstand.

De jeugd in de Gouden Eeuw zocht naar nieuwe vormen van vermaak. Hierbij wordt een opmerkelijke parallel met de sixties van de twintigste eeuw getrokken. Er ontstond een levendig uitgaansleven, met veel openbare dronkenschap. Sinds de jaren 1620 werd er ook veel gerookt. Pas vanaf 1669 kende Amsterdam systematische straatverlichting – men danke daarvoor Jan van der Heyden (1637-1712) – dus het nachtleven speelde zich grotendeels in het pikkedonker af. De dronken jeugd zocht daar niet zelden de confrontatie op met de stadswachten, waarbij beide partijen over wapens beschikten. Wapens in het uitgaansleven waren toen heel normaal. Bij ruzies werd menigmaal iemand met een mes ‘de bek opgesneden’.

De parallel met de sixties wordt nog even doorgetrokken: lang haar kwam ook in de mode en er ontstond een grote voorliefde voor love songs. Jongeren kochten liedboekjes met liefdesliederen en brachten hun geliefden serenades. Natuurlijk was er ook verzet tegen dit alles. De oude elite moest niets van de nouveaux riches en hun uitspattingen hebben. Predikanten liepen te hoop tegen normvervaging en verval van oude zeden. De Gouden Eeuw ligt alweer meer dan driehonderd jaar achter ons, maar lijkt zo ineens weer heel actueel.

 

One Comment:

  1. Pingback: De Gouden Eeuw: Arme Elsje – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *