De Gouden Eeuw: Arme Elsje

Amsterdams stadhuis (nu Paleis op de Dam).

Waar de vorige aflevering van De Gouden Eeuw zich richtte op de handel en wandel van de nieuwe rijken van die tijd, staat de achtste aflevering van de serie geheel in het teken van de nieuwe armen. Een van die armen is de Deense Elsje Christiaens (ca. 1646-1664), de ‘arme Elsje’ van de titel van de aflevering. Zij is feitelijk dubbel arm: geen cent te makken, en na een verblijf in Amsterdam van slechts twee weken terechtgesteld aan de wurgpaal. Zoals zo veel armen uit de zeventiende eeuw had zij volslagen anoniem kunnen blijven, maar dankzij twee tekeningen die de grote schilder Rembrandt van Rijn (1606-1669) van haar maakte na de executie leeft Elsje voort. Zij is het symbool geworden van al die mensen voor de wie de Gouden Eeuw allesbehalve van goud was.

De aflevering stelt het probleem aan de orde dat de armen van de Gouden Eeuw weinig tastbaars hebben achtergelaten. Zij bouwden geen buitenhuizen, namen geen deel aan het bestuur, schreven geen boeken en liet zich niet vereeuwigen door beroemde meesters. Archeologisch onderzoek kan ons wel iets vertellen over de wijze waarop zij leefden en de mate van welstand. Restanten van dure porseleinen voorwerpen geven aan dat ergens welgestelde mensen hebben gewoond, terwijl eenvoudig aardewerk duidt op bewoners die veel minder te besteden hadden. Arme burgers die uit houten bekers dronken, gebruikten die bekers echter gewoon om de haard aan te maken als ze stuk waren gegaan. Dat laat geen sporen achter. De aflevering legt dan ook uit dat je als archeoloog niet alleen moet kijken naar wat je aantreft, maar ook juist naar wat je niet aantreft.

Replica van het VOC-schip De Amsterdam.

Tijdens de Gouden Eeuw profiteerden de bovenklasse en de middenklasse van gegoede burgers van de sterk gestegen welvaart. Er was echter ook een enorme onderklasse, wellicht zelfs de meerderheid van de bevolking, die nooit iets van een Gouden Eeuw heeft gemerkt. Daarbij ging het niet alleen om de autochtone bevolking, maar ook om de talloze kansarme immigranten die naar de Nederlanden kwamen op zoek naar een beter leven. Een van hen was Elsje, een arme gelukzoekster die vanaf het Deense Jutland de boot nam naar het bruisende Amsterdam. In april 1664 kwam ze er aan. Twee weken later was ze dood.

Amsterdam in die tijd was een stad met zeker 200.000 inwoners. De stad was explosief gegroeid sinds het begin van de zeventiende eeuw en oefende een grote aantrekkingskracht uit op buitenstaanders. De stad had alles, van een grote haven tot een goed ontwikkelde markt. Er was werk voor kooplieden en ambachtslui, maar tevens voor soldaten en matrozen die in dienst wilden treden van de VOC of de WIC. Ook de stadsuitbreidingen creëerden een vraag naar duizenden arbeidskrachten, mensen die konden graven en bouwen. Dit was natuurlijk niet het type werk dat een zeventiende-eeuws meisje als Elsje zou kunnen doen. Sowieso waren vrouwen en kinderen in de Gouden Eeuw extra kwetsbaar, want als de man des huizes, tevens kostwinner, wegviel, waren ze afhankelijk van wat de kerk en de door de stad georganiseerde armenzorg te bieden hadden. Gelukkig hadden de diverse steden in de Republiek de armenzorg redelijk op orde. Dat was hard nodig ook.

Oude Kerk te Delft.

De aflevering besteedt in dit verband aandacht aan de Kamer van Charitate in Delft, een armeninstelling gevestigd in 1614 (aldus de versiering boven de poort). Op woensdag en zaterdag konden de armen van Delft hier hun bedeling ophalen. Tot wel 400 (!) gezinnen stonden dan in de rij om geld en goederen in ontvangst te nemen. Uit de bewaard gebleven archieven blijkt dat zij enkele stuivers en rogge- en tarwebrood meekregen. Per gezin of persoon werd bekeken wat nodig was. Schattingen geven aan dat zo’n 15 procent van de bevolking van de bedeling afhankelijk was. Kerk en stadsbestuur werkten hierbij samen, en de verschillende steden klopten zich op de borst dat men de armenzorg zo goed voor elkaar had. Toch was de situatie allesbehalve rooskleurig. De armenzorg was alleen voor de burgers bedoeld. Wie van buiten kwam, kwam er niet tussen. Mede daarom was er altijd nog een onderlaag van de bevolking die overal buiten viel.

De kansen voor Elsje lagen in een carrière als dienstbode. Daarna zou ze eventueel kunnen trouwen. Daarvoor was wel vereist dat je eer ongeschonden was. Helaas was voor alleen reizende immigrantenmeisjes regelmatig een ander beroep de eindbestemming: de prostitutie. Amsterdam kende in die tijd naar schatting wel 1.000 prostituees en de stad stond er – net als vandaag – ook om bekend. 80% van de prostituees was van buitenlandse komaf, en ook wat dat betreft is er weinig veranderd. Vrijwel niemand koos vrijwillig voor dit oudste beroep ter wereld. Het is aannemelijk dat Elsje na haar aankomst in Amsterdam op de kade is opgevangen door een pensionhoudster, een ‘slaapvrouw’ zoals dat toen heette. Dit waren vrouwen die aan immigranten kamers te huur aanboden. Tegelijkertijd rommelden ze jonge meisjes vaak de prostitutie in. Elsje ging met zo’n slaapvrouw mee.

De Oude Kerk te Amsterdam.

Wat er daarna gebeurde, kan niet met zekerheid gereconstrueerd worden. Mogelijk werd het Elsje pas langzaamaan duidelijk wat er van haar verwacht werd. Een ‘carrière’ als hoer zou haar toekomstmogelijkheden echter nagenoeg verwoesten en dat besefte ze heel goed. Geld voor een langer verblijf had ze niet, dus ze dreigde op straat te belanden. Wat er daarna gebeurde, is wel zeker: Elsje pakte een bijl en sloeg de pensionhoudster de hersens in. Het meisje moet buiten zinnen zijn geweest, want de pensionhoudster was nauwelijks nog herkenbaar na de daad. Elsje rende in paniek de straat op en sprong in de gracht, waar ze door voorbijgangers uit werd gevist. Ze werd gearresteerd en opgesloten in het cellenblok van het nieuwe en bijna voltooide stadhuis van Amsterdam (zie de afbeelding hierboven), het door de beroemde architect Jacob van Campen (1596-1657) ontworpen gebouw dat thans bekendstaat als het Paleis op de Dam.

Het proces was snel en naar de normen van die tijd keurig. Elsje bekende haar daad en het oordeel van de rechtbank was wreed. De rechters waren allemaal afkomstig uit de regentenklasse en konden geen enkel mededogen opbrengen voor zo’n arm meisje. Elsje werd tot de dood door ‘worging’ veroordeeld. Daartoe werd op de Dam een schavot opgesteld met daarop een wurgpaal. De executie in mei 1664 was een groot spektakel, want het was 21 jaar geleden dat voor het laatst een vrouw was terechtgesteld. De straf was nog wreder doordat in het vonnis bepaald was dat de veroordeelde, als vergelding voor haar daad, driemaal met de gebruikte bijl op het hoofd moest worden geslagen. Bovendien werd het ontzielde lichaam na de executie met een boot het IJ over geroeid – alsof het het oversteken van de Styx betrof – en daar op het galgenveld in de Volewijck aan een paal gehangen met de bijl ernaast. Het lichaam was zo overgeleverd aan de vogels en kon vanuit de stad en vanaf passerende schepen gezien worden. Een gruwelijkere waarschuwing was nauwelijks denkbaar.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *