De Gouden Eeuw: Veel geloven op één kussen

Grote Kerk te Tholen, Zeeland.

De tiende aflevering van De Gouden Eeuw staat geheel in het teken van een volgens velen typisch Nederlandse waarde: tolerantie, en dan vooral op religieus gebied. De aflevering maakt echter duidelijk dat, hoewel er in de Republiek inderdaad een relatief grote mate van tolerantie was die vele religieuze vluchtelingen van buiten aantrok, die tolerantie allesbehalve een waarde was. Zeker de aanhangers van de gereformeerde staatskerk in Holland en Zeeland waren bepaald niet tolerant, maar het accepteren van een verscheidenheid aan religieuze opvattingen in een op godsdienstig gebied versplinterd land was simpelweg een bittere noodzaak.

Oorspronkelijk was er in de Nederlanden natuurlijk wel sprake van religieuze eenheid. Eenieder behoorde tot de Rooms-katholieke Kerk en was onderworpen aan het gezag van de Paus in Rome. Die situatie duurde tot de vroege zestiende eeuw, toen de vertegenwoordigers van de Reformatie aan de poten van de Heilige Stoel begonnen te zagen. De Rooms-katholieke Kerk reageerde daarop zoals zij in voorgaande eeuwen op ketters had gereageerd: met geweld. De aflevering illustreert dit aan de hand van de executie van ene Hendrik of Henri Eemkens, een doopsgezinde man die in 1562 ter dood werd gebracht. Zijn naam leeft vooral voort dankzij een tekening van de zeventiende-eeuwse kunstenaar Jan Luyken (1649-1712), zelf ook doopsgezind.

Doopsgezinde kerk te Heerenveen.

Wrede executies zoals die van Hendrik Eemkes – hij werd met buskruit tot ontploffing gebracht – werkten feitelijk contraproductief. Zowel protestanten als katholieken veroordeelden ze. Ook veel stadsbesturen waren er tegen en dit droeg – gecombineerd met de breed gedeelde afkeer van het centraliserende gezag van de Spaanse koning Philips II – bij tot de Opstand. Die strijd tegen het Spaanse gezag was zwaar, maar na iets meer dan tien jaar was toch een nieuwe staat in zicht. Die nieuwe staat kreeg ook een eigen ‘grondwet’, de in 1579 gesloten Unie van Utrecht. Oorspronkelijk was dit belangrijke document helemaal niet bedoeld als grondwet, maar als een defensief verbond tussen de noordelijke provincies. In de praktijk ging de Unie echter al snel als zodanig functioneren, en dat kwam niet in de laatste plaats door artikel XIII over het geloof.

Het zou beslist te ver gaan in dit artikel XIII een vrijheid van godsdienst te lezen. Er is hooguit sprake van een voorloper ervan, een vrijheid van geweten. Nadat namelijk eerst is bepaald dat de staten van de provincies vrij zijn de godsdienst te regelen, wordt de voorwaarde gegeven “mits dat een yder particulier in sijn religie vrij sal moegen blijven ende dat men nyemant ter cause van de religie sal moegen achterhaelen ofte ondersoucken”. Je mocht dus op grond van de Unie van Utrecht geloven wat je wilde, als dat maar particulier gebeurde, oftewel in je eigen huis. Daarvoor kon niemand je vervolgen of onderzoeken. Van een vrijheid van godsdienstuitoefening, laat staan van openbare godsdienstuitoefening was echter geen sprake. Zeker in Holland en Zeeland, de leidende provincies in de Opstand, was gewoon sprake van een staatskerk: de gereformeerde kerk.

Sint-Janskathedraal te Den Bosch.

De praktijk was echter ook in Holland en Zeeland anders. Katholieken – die nog een aanzienlijk deel van de bevolking vormden – kwamen bijeen in huiskerken. Die waren nauwelijks geheim te noemen, iedereen wist dat ze bestonden en ze werden gedoogd door de autoriteiten, soms tegen betaling. Bekende voorbeelden zijn de schuilkerk van Sinte Gertrudis in Utrecht en de Ons’ Lieve Heer op Solder in Amsterdam. Het waren echter niet alleen katholieken die hun diensten achter gesloten deuren moesten houden. Ook andere protestantse stromingen trof dit lot. Een voorbeeld zijn de reeds genoemde doopsgezinden, die in een stad als Amsterdam zo’n zeven procent van de bevolking uitmaakten. Een belangrijk lid van de Doopsgezinde Kerk was de dichter Joost van den Vondel (1587-1679), die zich zou ontpoppen tot een voorvechter van de religieuze vrijheid.

Vondel was in 1587 geboren in het Duitse Keulen. Zijn doopsgezinde ouders waren Antwerpen ontvlucht vanwege de religieuze intolerantie aldaar. Ook Keulen verlieten ze toen het aanvankelijk verdraagzame klimaat daar guurder werd. De nieuwe bestemming was Amsterdam, waar Vondel in de Warmoesstraat neerstreek en in zijde handelde. Ondanks het feit dat de katholieken zijn familie naar het leven hadden gestaan en deze tweemaal had moeten vluchten, werd Vondel zelf rond zijn veertigste katholiek. Dat is hij tot aan zijn dood in 1679 gebleven. Omdat er formeel geen katholieke kerken in Holland bestonden, was zijn begrafenis een probleem. De geliefde dichter werd te ruste gelegd in de protestantse Nieuwe Kerk, maar in zijn kist werden schepjes gewijde aarde gelegd. In de religieus versnipperde Republiek waren dit soort gelegenheidsoplossingen onvermijdelijk.

Remonstrantse kerk te Dokkum.

De relatieve tolerantie in de Republiek was deels een gevolg van het gebrek aan een sterk centraal gezag. De stadsbesturen mochten niemand wegens zijn religie vervolgen, maar ze zouden het ook niet gekund hebben. Over een leger of politiemacht beschikten de besturen niet. Ze konden wel gebruik maken van de schutterij, maar die bestond uit burgers van verschillende gezindten en was alleen al daarom volkomen ongeschikt om religieuze eenheid af te dwingen. In de praktijk moest dus een modus vivendi worden gevonden, en die modus vivendi was schikken en plooien. Het positieve aan deze ontwikkeling was dat de Republiek vergeleken met de buurlanden relatief weinig religieus geweld kende. De gruwelijke godsdienstoorlogen in Frankrijk of Duitsland bleven de Republiek bespaard.

Toch ging het ook in de Republiek één keer gruwelijk mis, en wel bij het conflict tussen de remonstranten en de contraremonstranten. Op het religieuze vlak ging de strijd over de predestinatieleer, dat wil zeggen de leer dat God alles heeft voorbeschikt. De remonstranten of Arminianen – naar hun voorman, de Leidse hoogleraar Jacobus Arminius (ca. 1559-1609) – namen hierin een vrijzinniger standpunt in dan hun orthodoxe tegenstrevers, de contraremonstranten. Deze werden naar hun voorman Franciscus Gomarus (1563-1641), eveneens Leids hoogleraar, ook wel Gomaristen genoemd. Het conflict tussen beide stromingen had onmiskenbaar ook een politiek karakter. De remonstranten, die de meerderheid vormden in Holland en Utrecht, waren voorstanders van veel stedelijke vrijheid en kregen daarbij steun van de grote staatsman Johan van Oldenbarnevelt. De contraremonstranten waren juist voorstander van een sterk centraal gezag en werden gesteund door stadhouder Maurits. Het resultaat van het conflict is eerder aan de orde gekomen: Maurits trok aan het langste eind, Van Oldenbarnevelt werd in 1619 wegens hoogverraad geëxecuteerd.

Als stadhouder had Maurits het recht de leden van de verschillende stadsbesturen – burgemeesters en leden van de vroedschappen – te benoemen en te ontslaan. Maurits paste dit recht tot ‘wetsverzetting’ veelvuldig toe en verving overal remonstrantse bestuurders door hun contraremonstrantse tegenstanders. Hierdoor kwamen ook de staten van de verschillende provincies, en daarmee de Staten-Generaal, in handen van de laatsten. Het klimaat voor remonstranten werd zo slecht dat sommigen zelfs de Republiek verlieten en naar bijvoorbeeld Friedrichstadt in Sleeswijk-Holstein trokken. Dit was een in 1621 door hertog Frederik III gestichte religieuze vrijhaven. Na de dood van Maurits in 1625 normaliseerde de situatie voor de remonstranten weer enigszins.

Voormalige synagoge te Hoogeveen, nu in gebruik bij Baptistengemeente de Schutse.

De aflevering besteedt ook aandacht aan de bijzondere positie van de joden in de Republiek, in het bijzonder in Amsterdam. Portugese joden arriveerden in 1598 in Mokum, zoals ze Amsterdam in het Jiddisch gingen noemen. Het ging om rijke kooplieden die ontsnapt waren aan de Inquisitie in eerst Spanje en later Portugal. Het stadsbestuur ontving deze mensen vanwege hun welvaart en kennis met open armen. Gereformeerde predikanten deden daarentegen een stuk moeilijker en beklaagden zich regelmatig bij de bestuurders. Die deden meestal niets, maar in 1616 werden toch regels uitgevaardigd, en wel over het seksueel verkeer tussen joodse mannen en niet-joodse vrouwen. Het werd joden zelfs verboden naar de hoeren te gaan. In de praktijk werd de soep dan weer niet zo heet gegeten: ze konden wel degelijk bij de meisjes van plezier terecht, maar moesten een hoger tarief betalen.

Het bijzondere aan de positie van de Portugese joden in Amsterdam was dat ze in de jaren 1670 het recht kregen een eigen synagoge te bouwen. Waar andere geloven het moesten doen met huiskerken, mochten de joden een gebouw neerzetten dat onmiskenbaar een synagoge was en daar openlijk hun geloof uitoefenen. In 1675 was de Portugese Synagoge klaar. Het immense gebouw is vandaag de dag een bezienswaardigheid, en dat was het in de Gouden Eeuw ook. Reizigers die Amsterdam aandeden, wilden bijna allemaal de synagoge zien. Het gebouw werd een ware toeristische trekpleister.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *