Boekbespreking: Juliana. Vorstin in een mannenwereld

(gastbijdrage door Geerten Boogaard)

Eind 2016 verscheen weer een wetenschappelijke vorstenbiografie. ‘Onder auspiciën van het NIOD’, maar zonder koninklijke zegen, leverde sociologe Jolande Withuis haar langverwachte biografie over Koningin Juliana af. Door de NIOD-achtergrond van de schrijfster zit de lezer op de eerste rij wat de oorlogsjaren betreft. Heel nauwkeurig wordt daarvan gereconstrueerd hoe Juliana een vriendschapsband ontwikkelt met First Lady Eleanor Roosevelt, waardoor Juliana’s contacten bepaald meer voor de vaderlandse zaak hebben betekend dan de relaties die Bernhard in London onderhield. Koningin Wilhelmina werd door haar dochter in het Witte Huis geïntroduceerd. Toch bleef na de oorlog vooral het beeld hangen van de zorgzame kroonprinses die ver van het krijgsgewoel truien breide voor het Rode Kruis en met idyllische tafereeltjes van schommelende prinsesjes de moraal in het bezette vaderland hoog hield. Zelfs Wilhelmina, die in haar autobiografie Eenzaam maar niet alleen met zoveel woorden aandacht vroeg voor het onbekende, maar zeer belangrijke werk van haar dochter, wist dat zorgzaam-afzijdige beeld van haar dochter niet te corrigeren.

Juliana’s oorlogswerkelijkheid

Withuis publiceerde hierover reeds in 2014 het boekje Juliana’s vergeten oorlog. In de epiloog van die voorpublicatie kondigde zij aan in de biografie te trachten ‘het raadsel op te lossen van de bizarre maar vooral verontrustende verdwijning van Juliana’s oorlogswerkelijkheid’ (p. 105). Wie met een aldus aangewakkerde sensatiezucht nu naar hoofdstuk 12 (‘Weer thuis’) bladert, treft daar echter geen ontmaskering van illuminati die actief strijden tegen het bekend worden van de waarheid over Juliana’s oorlogsjaren. Dat zou in meerdere opzichten teveel eer zijn voor Bernhard en zijn dassenclub. Wel blijkt het raadsel nog veel ingewikkelder te liggen. Nota bene Juliana wordt na de oorlog het boegbeeld van de campagne ‘Gezinsherstel brengt Volksherstel’ die als ambitie heeft de wederopbouw aan de keukentafel te laten beginnen. Withuis wijst erop dat Juliana zelf een moderne vorm van psychosociale gezinszorg voorstond en met allerhande zedenpreken niets te maken wilde hebben (p. 322-324). Maar dat neemt niet weg dat Juliana dus ook zelf na de oorlog niet haar internationale profiel maar het ideale gezinsleven gaat uitventen. De oplossing van het raadsel, als dat al zo genoemd kan worden, blijkt uiteindelijk geen complot, maar een complete samenleving die terugkeert in de oude bedding.

Koningin Juliana door Karel van Veen (Museum Prinsenhof, Delft).

Dat concludeert, uiteindelijk, ook Withuis. ‘Dat de verwachtingen van de vrouwen na de oorlog niet werden ingelost en dat er een ander type gezin werd hersteld dan hun voor ogen stond, valt overigens niet louter de confessionelen te verwijten. Niet alleen zij hielden getrouwde vrouwen het liefste thuis. Ook de zogeheten vernieuwers: de voormalige NCSV’ers, vrijzinnige christenen en sociaaldemocraten, die na de oorlog op machtige posities terechtkwamen, en niet in de laatste plaats de traditionele bolwerken van de arbeidersbewegingen zoals de vakbonden, zagen de man als kostwinner en zijn echtgenote als huisvrouw. […] Mannen waren er trots op te kunnen zeggen dat hun vrouw niet ‘hoefde te werken’. Dat echtelijke arrangement werd de grondslag van de verzorgingsstaat die in de volgende decennia werd opgebouwd’ (p. 332). Het raadsel was aldus geen kwestie van wat men niet wist of mocht weten, maar vooral van wat men wilde zien. Als verklaring voor de ‘bizarre maar verontrustende verdwijning van Juliana’s oorlogswerkelijkheid’ is dat een beetje een deceptie. Als sleutel tot de essentie van Juliana’s democratische koningschap, is het echter een van de meest bruikbare inzichten uit deze biografie. Meer nog dan door wat onderdanen niet weten, is de monarchie gebouwd op wat onderdanen willen zien. Dat maakt het instituut kwetsbaar, maar juist ook levensvatbaar in een moderne democratie.

Levensverhaal

De poging om de voorpublicatie met een samenzweerderige cliffhanger af te sluiten en de normatieve toon van het citaat hierboven (‘verwijten’, ‘het liefste thuis houden’ ‘zogeheten vernieuwers’ enz.) zijn typisch voor de stijl van de biografie. Withuis heeft geprobeerd de verzamelde biografische informatie tot een levensverhaal te componeren en zij vertelt dat op een prettig leesbare, persoonlijk betrokken manier. Duiding van de gebeurtenissen en commentaar erop, zijn nooit ver weg. De titels van de hoofdstukken, de paragrafen en de subparagrafen zijn telkens karakteristieke citaten of kernbegrippen en elke fase in het leven van Juliana wordt afgesloten met eigen motto. Dat levert een boek op dat al heel veel vertelt als je het alleen nog maar doorbladert. Deel I, de voorgeschiedenis, jeugd & vorming, (tot 1930, hoofdstuk 1 tot en met 5), wordt afgesloten met het samenvattende citaat ‘Het mocht van mijn moeder.’ Deel II, over huwelijk en oorlog (1930-1945, hoofdstuk 6 tot en met 11), mondt trefzeker uit in Juliana’s verzuchting over wat zij na de oorlog niet wilde worden: ‘Niet alleen Bernhards refrein’. Deel III is getiteld ‘Staatshoofd’ en gaat hoofdzakelijk over de Greet Hofmans-affaire, door Withuis vanwege het destructieve aandeel van Bernhard aan de ellende consequent aangeduid als de ‘Soestdijkcrisis’ (1945-1956, hoofdstuk 12 tot en met 19). Het deel loopt uit in een epiloog onder de titel ‘Een oud toevluchtsoord.’ Deel IV, ‘Koningin Juliana’ getiteld (1956-1980, hoofdstuk 20 tot en met 23), leidt naar de conclusie ‘nieuw koningschap op oude basis’. Deel V, ‘In de luwte’ (1980-2004, de hoofdstukken 24 en 25), behandelt ten slotte de laatste fase van het leven van Juliana.

Het zwaartepunt van de biografie ligt duidelijk in deel III, dat één derde van het totaal aantal pagina’s besteedt aan de elf jaren tussen de bevrijding en het einde van de Soestdijkcrisis. Dat contrasteert scherp met deel IV, waarin Withuis met de helft zoveel pagina’s de 24 resterende jaren van Juliana’s koningschap behandelt. Hoe zij in de roerige jaren tussen 1956 en 1980 het koningschap bewaarde en hoe zij veel complexe formaties begeleidde, wordt allemaal een stuk minder en detail behandeld dan de periode daarvoor. Een gebrek aan primaire bronnen zal hierbij ongetwijfeld een rol hebben gespeeld. Omdat Withuis geen toegang had gekregen tot het Koninklijk Huisarchief, zijn we weer aangewezen op de inmiddels overbekende en belegen anekdotes van oud-minister-president Van Agt. Juliana komt er daarin altijd een beetje lullig vanaf. Weliswaar noteert Withuis ook het commentaar van anderen die erop wijzen hoe professioneel en vakbekwaam Juliana de formaties begeleidde, maar in een biografie die zich zo druk maakt over ‘de bizarre maar verontrustende verdwijning van Juliana’s oorlogswerkelijkheid’ had wat meer aandacht voor de staatsrechtelijke kant van Juliana’s koningschap niet misstaan. Zie ik het goed, dan is dat ook een kwestie van belangstelling van Withuis. Die lijkt meer bij het begrijpen van de persoon van Juliana te liggen dan bij de staatsrechtelijke merites van haar koningschap. Het springende punt van de politieke ministeriële verantwoordelijkheid voor leden van het koninklijk huis en het verschil tussen een Koninklijk Besluit en een Koninklijke Beschikking hebben niet haar natuurlijke interesse. Dat geldt wel voor het feminisme en voor de psychologie. Hieronder bespreek ik daarom eerst de toegevoegde waarde van het feminisme voor een vorstenbiografie, dan de opbrengst van psychologisering van Juliana en ten slotte de vraag of deze biografie nieuw licht werpt op de vraag of Juliana de grenzen van haar ambt voldoende in acht heeft genomen.

Feministisch perspectief

Koningin Wilhelmina door Johannes Elsinga, naar Willy Sluiter (Museum Prinsenhof, Delft).

Het feministische perspectief komt al snel in de biografie aan de orde. Hoewel erfopvolging een inherent discriminatoire aangelegenheid is, gaat bij de bespreking van het Castiliaanse stelsel daarbinnen de gashendel meteen open. ‘Als Wilhelmina, Juliana of Beatrix een broertje had gekregen, waren zij geen koningin geworden’ (p. 29). Aan het einde van het boek is dat probleem gelukkig opgelost. Dankzij de ‘onder Juliana voorbereide Grondwet 1983’ geldt in ieder geval de seksediscriminatie niet meer. ‘Amalia is troonopvolgster, ongeacht of ze nog een broer krijgt.’ (p. 706) In een noot voegt Withuis er aan toe dat de strijd in Spanje nog niet gestreden is. Koning Felipe zit daar op de troon, terwijl hij twee oudere zussen heeft. Dit soort extra commentaar, waarop de lezer mogelijk niet altijd zit te wachten, is de keerzijde van een volstrekt terechte structurele aandacht voor wat het heeft betekend om als vrouw tot de troon te worden geroepen. Daar kwamen namelijk nogal wat minder verheffende aspecten bij kijken. Men was expliciet teleurgesteld in het geslacht van de koninklijke baby (‘helaas, een meisje’), bezag het schaap in de hoop dat het dan in ieder geval nog op haar vader zou lijken en leurde op een vernederende wijze met de jonge kroonprinses op de internationale huwelijksmarkt.

De wijze waarop oudere staatsmannen daarbij onderling de fysieke plus- en minpunten van hun constitutionele winkeldochter bespraken, strekt hen tot weinig eer. Dat Fasseur in zijn biografie over Wilhelmina ‘maar liefst zestien bedrukte pagina’s’ volschreef over deze lijdensweg van de jonge Juliana, lijkt Withuis nog steeds een vorm van historische male gaze te vinden (p. 174). En daar heeft ze wel een punt. Terecht is ook de extra aandacht voor de samenstelling van de Commissie-Beel in 1956 die niet alleen de Oranjemonarchie redt, maar ook een vrouw in een ongelukkig huwelijk opsluit. Met de commissie, door Withuis snedig als ‘Beels Bureau voor Levens- & Gezinsvragen’ aangeduid, kreeg Juliana een mannelijk gezelschap huwelijksconsulenten opgedrongen voor wie echtscheiding eenvoudig geen optie was, hoewel de commissie zowel van Bernhards ondermijnende gedrag als van zijn structurele ontrouw op de hoogte waren (p. 513-515). Ook dat was het lot van een vorstin in een mannenwereld: niet alleen in haar ambt, maar ook in haar huwelijk opgesloten. Het feministische perspectief betekent in deze biografie dus vooral aandacht voor wat het betekende om als vrouw de kroon te dragen. De omgekeerde vraag, namelijk wat het – in staatkundige zin – voor de kroon heeft betekend om door een vrouw te worden gedragen, stelt Withuis eigenlijk niet.

Dat is jammer. Want op dit punt spelen interessante kwesties. Zo observeerde Van den Berg dat het Nederlandse koningschap vrouwelijker is geworden doordat het ambt zich is gaan ‘zetten’ naar de drie (vier) koninginnen die het vervulden (J.Th.J. van den Berg, Macht verloren, gezag versterkt, Amsterdam: Elsevier Boeken 2016). Dat is een vriendelijke variant van de veel boudere bewering dat de constitutionele monarchie in het algemeen de gecastreerde variant van een mannelijk instituut vormt. Het is wat overblijft wanneer de traditionele functies ‘God, gouverneur en generaal’ aan het ambt worden ontnomen (J. de Jong, ‘Het machtige lichaam van de kleine koningin. Victoria’s belichaming van de Britse natie 1837-1901, in: C. Santing e.a. Machtige lichamen, Amsterdam: Wereldbibliotheek 2005, p. 109-125). Dit werpt nieuw licht op de opsomming van Bagehot van de koninklijke rechten om geïnformeerd te worden, te waarschuwen en aan te moedigen. Deze rechten zijn misschien veel meer de beperkte rechten van een getrouwde vrouw in de 19e eeuw, dan de juridische bevoegdheden van het koningschap uit die dagen. Diependaal, de biografe van Koningin Emma, laat zien hoe professor De Louter, de staatsrechtdocent van de Wilhelmina, de jonge Koningin in een veel inhoudelijker koningschap heeft onderwezen dan dat van een gekroonde praatpaal. Schrijven dat Koningin Wilhelmina ‘gebruik maakte van haar recht om te waarschuwen’ (p. 44) is dus mogelijk nog veel vrouwonvriendelijker staatsrecht dan het Castiliaanse stelsel van erfopvolging. Maar dat terzijde.

Psychologisering

Pyschiater Henricus Cornelius Rümke (foto: Albert Kok, CC BY-SA 3.0).

Naast het feministische perspectief is ook de psychologisering in deze biografie nooit ver weg. Het geloof van Wilhelmina wordt in een enkele zin ‘verklaard’ als een vorm van coping met de erfopvolging (p. 40). Ook van Juliana vermoedt Withuis dat haar religiositeit een soort het opium van de koning was. Ten aanzien van Juliana weeft Withuis herhaaldelijk de suggestie van ernstiger psychische problematiek door de tekst. Typisch is bijvoorbeeld: ‘Soms echter lijkt het erop dat Juliana was toegerust met een dissociatieve beheptheid, een vermogen om ongewenste stukjes realiteit uit haar bewustzijn te bannen’ (p. 561). De meest vergaande claim legt Withuis in noot 55 bij p. 547, waar ze stelt dat de gang van zaken in de Soestdijkcrisis een ‘treffende gelijkenis vertoont met de op DSM IV voorkomende geïnduceerde waanstoornis.’ Echt hard worden deze suggesties nergens gemaakt. Withuis verdedigt dat met het omgekeerde, namelijk dat het onwetenschappelijk zou zijn om psychologische problematiek op voorhand uit te sluiten. Dat is wat ze Fasseur en Van Bree (die in 2015 promoveerde op De geest van het Oude Loo – Juliana en haar vriendenkring 1947-1957 ) voor de gelegenheid in de schoenen schuift.

De psychologische problematiek van Juliana wordt evenwel niet zozeer ‘op voorhand’, maar reeds destijds door professor Rümke uitgesloten. Althans, Withuis zelf beschrijft hoe deze leidende figuur in de Nederlandse psychiatrie verklaarde dat Juliana ‘niet gek’ was. Ze behoefde geen psychiatrische therapie maar meer constructieve steun uit haar omgeving (p. 545). Zoals het onwetenschappelijk is om iets op voorhand uit te sluiten, zo lijkt het mij ook onwetenschappelijk om iets te suggereren wat tegen de deskundige conclusie van destijds ingaat, zonder dit verschil te verantwoorden. Vermoedt Withuis een waanstoornis die pas na Rümkes dood is benoemd, althans onderdeel van de definitie ‘gek’ werd? Of meent zij dat Rümke een verkeerde diagnose stelde en iets over het hoofd zag? Dat op dit soort vragen niet wordt ingegaan, is te meer jammer omdat minister Klompé, voor wie buiten staat verklaring van Juliana volgens Withuis wel degelijk een optie was, juist bij deze Rümke haar licht over de psychische toestand van de majesteit heeft opgestoken. In de puzzel rondom de mogelijke buiten staat verklaring komen we zo dus wel iets verder. Maar of Juliana – achteraf – ten onrechte haar koninklijk gezag niet is ontnomen, dan wel dat het systeem bestand is gebleken tegen een de facto staatsgreep onder het voorwendsel van psychische problematiek, blijft zo onbeslist.

Grenzen van het ambt

Dat de biografie zowel in beschikbaar materiaal als in belangstelling van de biografe niet primair staatsrechtelijk is, wil niet zeggen dat de inhoud staatsrechtelijk niet interessant zou zijn. Bij gebrek aan zicht op het actuele functioneren van een koning binnen het ambt regering, zijn we voor de evaluatie van hoofdstuk 2 van de Grondwet juist aangewezen op wetenschappelijke vorstenbiografieën om de theorie van het constitutionele koningschap te toetsen aan de praktijk van de Oranjes. Werkten de checks and balances waar wij nu nog op vertrouwen?

Juliana en Bernhard in Amsterdam ter gelegenheid van hun verloving, september 1936 (foto: Spaarnestad Photo via Nationaal Archief.).

Een belangrijke rol is hierbij weggelegd voor de scholing van de troonopvolger. Hoewel we daaromtrent uit deze biografie weinig wijzer worden dan dat Juliana’s officiële staatsrechtelijke vorming in haar pubertijd heeft plaatsgevonden omdat ze vanaf haar achttiende jaar tot het koningschap geroepen kon worden en dat haar docent Duits meer van Germaanse mythen dan van de parlementaire democratie hield (p. 116-117), moet iemand de jonge Juliana een uitstekend gevoel voor constitutionele verhoudingen hebben meegegeven. Ze zag zelfs de fouten van haar grote voorbeeld, haar moeder. Tijdens de oorlog houdt juist Juliana de oude Koningin op het parlementaire paadje, wanneer die het plan opvat om na de bevrijding een koninklijk verzetsheldenkabinet te installeren. Eenmaal Koningin, probeert Juliana de politionele acties in Indonesië te stoppen, waar Wilhelmina aandrong op militair ingrijpen (p. 382-383). Juliana erkent zonder reserves het zelfbeschikkingsrecht van de gekoloniseerde volkeren waar de Soldaat van Oranje nog PvdA-politici wil doodschieten om Indië te behouden. Het vooroordeel dat iemand die wichelroedelopers bestelt om te bepalen waar het wiegje van Beatrix moet staan, er als staatshoofd wel een zooitje van zal maken, gaat dus niet op.

Dat wil niet zeggen dat Juliana de grenzen van haar ambt niet heeft gezocht. Ze heeft via het uitstellen van haar handtekening bereikt dat oorlogsmisdadiger Lages niet meer is geëxecuteerd, dat de biodynamische wijngaard van kwakzalver Moerman niet werd omgespit en dat de Wet op het Koninklijk Huis er in haar regeerperiode niet is gekomen. Hoewel in al deze en vergelijkbare gevallen politieke invloed werd uitgeoefend door een ongekozen ambtsdrager, kan dit ook worden gezien als onderdeel van het spel van geven en nemen binnen een regering. Zolang er een minister is die liever meewerkt dan een streep trekt, is het niet aan Juliana te wijten dat ze heeft geprobeerd hoe ver ze gaan kon. Ook Juliana heeft niet meer invloed uit kunnen oefenen dan waarvoor de ministers uiteindelijk verantwoordelijkheid wilden dragen.

Willem Drees (foto: Collectie SPAARNESTAD PHOTO/NA/Anefo/Breijer, CC-BY-SA-3.0-NL).

Van een andere orde is uiteraard de Soestdijkcrisis. Juliana ging tot het uiterste met haar redevoeringen voor het Amerikaanse Congres, maar daarvoor namen de ministers uiteindelijk politieke verantwoordelijkheid. En het Amerikaanse publiek stond op de banken, zij het misschien wel minder om wat Juliana bedoelde te zeggen als wel om wat de Amerikanen wilden horen. Dat Juliana als Koningin en dynastiek hoofd van haar familie toeliet dat haar hofhouding werd overgenomen door een sekte die haar isoleerde van haar redelijke raadgevers, zette echter de bijl aan de wortel van het constitutionele koningschap, hoewel de Grondwet destijds bepaalde dat de Koning zijn huis ‘naar goedvinden’ mocht inrichten en minister-president Drees een ruime opvatting had over wat allemaal tot de privésfeer van de majesteit behoorde. Bovendien was Drees nogal meegaand. Zelfs aan Juliana’s verzoek om individueel met ministers over de atoomdreiging te spreken, een regelrechte bedreiging voor de homogeniteit van de ministerraad zoals Thorbecke die tegenover Koning Willem III had gevestigd, besloot Drees mee te werken. Met tegenzin, maar desalniettemin. Pas toen Juliana ook rechtstreeks hoofdredacteuren van kranten met een pacifistische boodschap wilde gaan bewerken, greep Drees in en ging het feest niet door.

Juliana nam dus veel ruimte, maar kreeg ook veel. En toen een grens werd getrokken, legde ze zich daar – uiteindelijk – bij neer. Toch blijft het voor de moderne lezer moeilijk voorstelbaar dat Koning Willem-Alexander aan Emile Ratelband de macht over zijn hofhouding geeft, het Amerikaanse Congres toespreekt met een welgemeend tjsakkaaa! en dat minister-president Rutte zich gedurende dit hele verhaal afzijdig houdt met een beroep op het gezins- en gevoelsleven van Zijne Koninklijke Hoogheid. In die zin is een staatsrechtelijk oordeel over Juliana tijdens de Soestdijkcrisis eigenlijk nauwelijks te vellen. Wat daar verder ook van zij, de Grondwet zet daar inmiddels een duidelijke streep door. Sinds 1983 moet de Koning zijn huis ‘met inachtneming van het algemeen belang’ inrichten.

Hoewel hiervoor nog weer de nodige noten zijn gekraakt, is mijn kritiek hoofdzakelijk die van iemand die méér had gewild. Eigenlijk is dat een compliment. Als straks de persoonlijke archieven van Juliana beschikbaar komen, is er nog alle ruimte voor een nieuwe, meer staatsrechtelijke vorstenbiografie. Wie tot die tijd iets goed wil lezen, kan prima bij Withuis terecht.

Deze recensie verscheen eerder in het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht (jaargang 8, juli 2017).

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *