De IJzeren Eeuw: Amsterdam, een kolerestad

Samuel Sarphati (tekening van Sybrand Altmann (1822-1890) – Gemeentearchief Amsterdam)

In de tijd dat ik nog in Amsterdam woonde, liep ik bijna elke dag een stukje door de Sarphatistraat. In het Sarphatipark in dezelfde stad sloeg de vonk tussen mij en mijn wederhelft over. Over Samuel Sarphati (1813-1866), de ‘armenarts’ naar wie zowel de straat als het park zijn vernoemd, wist ik echter vrijwel niets. Dat veranderde door de zevende aflevering van de IJzeren Eeuw, waarin deze grote weldoener terecht weer in de schijnwerpers wordt gezet. Sarphati, afkomstig uit een eenvoudig joods milieu, wierp zich niet alleen op als voorvechter voor betere leefomstandigheden voor de armen van zijn tijd, maar trachtte ook de compleet vervallen en failliete stad Amsterdam weer grandeur te geven.

Toen Sarphati zich in 1839 als arts in Amsterdam vestigde, was de stad een grote vieze bende. Van de sprankelende metropool uit de Gouden Eeuw was weinig meer over. Mensen loosden hun afval, inclusief poep en pies, gewoon in de grachten en haalden daar vervolgens ook weer drinkwater uit. Het idee dat de Amsterdamse grachten smerig zijn en vol stront zitten, leeft nog steeds sterk. Toch klopt het niet, want sinds 1987 lozen de grachtenpanden niet meer rechtstreeks op de grachten, maar zijn ze aangesloten op het rioleringsnetwerk. De kwaliteit van het grachtenwater is de afgelopen dertig jaar dan ook sterk verbeterd. Het is zelfs zo goed dat er weer vissen in rondzwemmen: in de aflevering worden ons trots snoekbaarzen en palingen getoond.

Aderlating op een schilderij van Quirijn van Brekelenkam (Mauritshuis, Den Haag).

Anno 1839 was Amsterdam echter een gore, vieze stinkstad. En de armoede was werkelijk enorm, met circa een derde van de bevolking onder de toenmalige armoedegrens. De situatie was extra slecht in buurten als de Jordaan (nu zeer geliefd) en de Jodenbuurt. Mensen leefden er bijkans in krotten. Geen illustratie brengt de ellende van die tijd in Amsterdam beter in beeld dan een tekening van Willem Hekking jr. (1825-1904) van de toenmalige Goudsbloemgracht, nu de Willemsstraat. De sociaal bewogen Sarphati kon dit allemaal niet meer aanzien en kwam in actie. Zo richtte hij een broodfabriek op om arme Amsterdammers van goedkoop, maar voedzaam brood te voorzien. In die tijd werd brood vaak van slecht meel gebakken, vermengd met aardappels of zand. De voedingswaarde daarvan was gering. Het was niet meer dan voedsel om de honger te stillen.

De tijd van Sarphati kenmerkte zich ook door besmettelijke ziekten, die veel mensenlevens eisten en waartegen de toenmalige medische wetenschap doorgaans machteloos stond. In 1832 brak de eerste cholera-epidemie uit. Vanuit Scheveningen verspreidde de ziekte zich over het land. Het aantal slachtoffers liep in de duizenden en ook in Amsterdam – de ‘kolerestad’ – waren vele doden te betreuren. Dat de cholera werd veroorzaakt door een bacterie die zich via het water kon verspreiden, was nog niet bekend, al legden mensen als Sarphati wel een link met hygiëne. Cholerapatiënten kregen tamelijk onaangename behandelingen van hun artsen. Zo werden aderlatingen door middel van bloedzuigers toegepast. Omdat cholera gepaard gaat met veel diarree en uitdroging, kregen patiënten ook laudanum toegediend, oftewel wijn met opium. Door de bank genomen waren deze behandelingen echter niet effectief. Preventie hielp veel beter.

Jacob van Lennep.

Omdat Sarphati een verband tussen ziekten en een gebrek aan hygiëne vermoedde, besloot hij dat het Amsterdamse vuil voortaan moest worden opgehaald en de stad uit gebracht moest worden. En vuil is dan niet alleen het normale huisvuil, maar vooral ook de door de bewoners geproduceerde poep. Deze moest voortaan in emmers buiten worden gezet en met karren worden opgehaald. Later werd de zogenaamde Boldootkar – Boldoot was een bekend merk eau de cologne – hiervoor ingezet. De poep werd dan naar buiten de stad gelegen landbouwgrond gebracht en als mest gebruikt. In wezen gebeurt dat nog steeds, al gebeurt het nu op industriële schaal met moderne technieken en speciale bacteriën. Dankzij Sarphati kwamen er ook urinoirs op straat, al waren dat niet de pas enige tijd na zijn dood geïntroduceerde Amsterdamse krullen. Sarphati’s urinoirs waren ook helemaal geen succes, omdat de Amsterdammers niet snapten hoe ze die moesten gebruiken. Volgens de aflevering pisten ze geregeld tegen de buitenkant.

Voor de preventie van ziekten was cruciaal dat de kwaliteit van het drinkwater zou verbeteren. Dat gebeurde ook, maar hieraan is niet de naam van Sarphati te verbinden. Al vóór diens tijd was Amsterdam begonnen met het aanleggen van drinkwaterreservoirs die werden gevuld met water uit de rivier de Vecht dat per schuit werd aangevoerd. Dit water was al van betere kwaliteit dan het water uit de gracht, maar je kon er nog steeds ziek van worden. Water uit de duinen was daarentegen perfect schoon, en dat Amsterdam uiteindelijk van dit water gebruik kon gaan maken was de verdienste van de schrijver Jacob van Lennep (1802-1868). Die ontwikkelde al omstreeks 1840 plannen voor een duinwaterleiding naar Amsterdam, maar kreeg de financiering aanvankelijk niet rond.

Pas in 1851 kon, dankzij geld uit Engeland, de Amsterdamsche Duinwater-Maatschappij van start gaan. In dat jaar plantte de elfjarige kroonprins Willem van Oranje-Nassau (1840-1879), beter bekend als Wiwill, zijn schopje in de grond om het begin van de aanleg van de waterleiding te markeren. Twee jaar later bereikte de leiding de Willemspoort – nu de Haarlemmerpoort – aan de rand van Amsterdam. Er kwamen tappunten, waar Amsterdammers voor één cent per emmer water konden kopen. Huizen werden pas veel later op de waterleiding aangesloten. De nieuwe duinwaterleiding was een grandioos succes. In 1866 kende Nederland een nieuwe cholera-epidemie met in totaal 21.000 doden. Het aantal slachtoffers in Amsterdam was echter relatief laag.

De Amstel in de winter.

Samuel Sarphati was ook de man achter het tussen 1859 en 1864 gebouwde Paleis voor Volksvlijt. Dit gigantische gebouw van metaal en glas was een ontwerp van Cornelis Outshoorn (1810-1875) en gebaseerd op het voor de Wereldtentoonstelling van 1851 gebouwde Chrystal Palace te Londen. Helemaal zonder slag of stoot ging de bouw van het Paleis overigens niet. Sarphati lag in de clinch met James John Teding van Berkhout (1814-1880), de toenmalige wethouder van publieke werken. Die dreigde zelfs de bovenste etage van het Paleis te laten slopen omdat die te hoog zou zijn. Dat gebeurde niet, maar wie vandaag de dag Amsterdam bezoekt, kan helaas het Paleis voor Volksvlijt niet meer bewonderen. In 1929 ging het in vlammen op. Overigens ging zeven jaar later, in 1936, ook het originele Chrystal Palace door brand verloren.

Het Amstel Hotel.

Sarphati realiseerde zich dat zorg voor de armen en pogingen hen te verheffen niet voldoende waren. De stad moest ook economisch weer gaan draaien en weer welvarend worden. Om het Paleis voor Volksvlijt heen moest daarom een nieuwe woonwijk komen, met in het hart een luxe hotel waar ondernemers en handelaren van buiten de nacht door konden brengen. Dit werd het in 1867 gereedgekomen Amstel Hotel, wederom ontworpen door Cornelis Outshoorn. Het hotel moest geld gaan opleveren en werd inderdaad een succes. Onder meer keizerin Sissi – Elisabeth van Oostenrijk-Hongarije – logeerde er, net als de Sjah van Perzië.

Het waren belangrijke projecten, maar de levensomstandigheden van de armen werden er niet per se beter door. Integendeel, eigenlijk trok de opbloeiende economie alleen maar meer armoedzaaiers aan. Grote gezinnen leefden in vochtige kelderwoningen, zonder waterleiding, zonder wc en zonder verwarming. Overstromingen waren aan de orde van de dag in deze souterrains. De schrijfster Neel Doff (1858-1942) legde dit alles gedetailleerd in haar boeken vast. Sarphati maakte plannen om ook hier iets aan te doen, maar liep op tegen de bureaucratische muur van een gemeentebestuur dat alles veel te duur vond. Die gemeentelijke tegenwerking was eigenlijk the story of his life. Inmiddels weduwnaar stierf Sarphati in 1866, slechts 53 jaar oud, compleet uitgeput en zwaar gefrustreerd. Bij zijn uitvaart stonden duizenden mensen langs de kant van de weg. Helaas maakte hij niet meer mee hoe in Amsterdam andere belangrijke gebouwen verrezen die zich naadloos voegden in het rijtje met het Paleis voor Volksvlijt en het Amstel Hotel: het Rijksmuseum in 1885, het Concertgebouw in 1888 en het Centraal Station in 1889.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *