De IJzeren Eeuw: Ten oorlog!

Generaal Van Heutsz (Rijksmuseum, Amsterdam).

De twaalfde aflevering van de IJzeren Eeuw neemt ons mee naar het noordwestelijkste puntje van de Indonesische archipel. Dat puntje heet Atjeh en het werd en wordt bewoond door een bevolking die al in de dertiende eeuw de Islam had omarmd. Hier werd vanaf 1873 een moeizame, maar door het thuisfront enthousiast gesteunde oorlog gevoerd tussen het Koninklijk Nederlands-Indisch leger (KNIL) en het Sultanaat Atjeh. Vanaf 1898 werden de Nederlandse troepen met veel succes geleid door de energieke, maar tegenwoordig zeer omstreden generaal Joannes Benedictus van Heutsz (1851-1924). De aflevering stelt deze Van Heutsz centraal, net als zijn grote tegenstander, de krijgsheer Toekoe (‘Heer’) Oemar (1854-1899).

De vaak gehoorde claim dat Nederland meer dan 300 jaar de baas is geweest in Indonesië wordt in deze aflevering grondig gerelativeerd. In feite is het grootste deel van de archipel pas in de negentiende eeuw veroverd. De aflevering laat een kaart zien van de Nederlandse bezittingen in 1824, kort na de Napoleontische tijd. Nederland kreeg toen zijn gebiedsdelen in de Oost terug van de Britten, die deze gebieden in 1811 hadden bezet. Het ging hier om de gebieden die in de tijd van de VOC waren geannexeerd: delen van Java, het zuidelijke deel van Sumatra, het gebied rondom Makassar op Sulawesi en delen van de Molukken. Bij elkaar vormden deze gebieden maar een klein gedeelte van de Indonesische archipel. Zoals blijkt uit een kaart die de jaren 1870-1914 bestrijkt, is de rest van de archipel in de negentiende eeuw veroverd door de Nederlandse staat. Met de verovering van Atjeh was het eilandenrijk dat we nu kennen als Indonesië volledig in Nederlandse handen gekomen, al bleef het verzet hardnekkig.

This slideshow requires JavaScript.

Sabel van Van Heutsz (Nationaal Militair Museum, Soest).

Al in 1872 had de schrijver Multatuli (1820-1887) Koning Willem III gewaarschuwd voor een oorlog in Atjeh. De Gouverneur-Generaal van Indië[1], zo schreef Multatuli, zou op het punt staan ‘onder gezochte voorwendsels’ een gewapende strijd te beginnen tegen de Sultan van deze soevereine staat. “Sire, dit is noch dankbaar, noch edelmoedig, noch eerlyk, noch verstandig”, zo voegde de grote schrijver daaraan toe. Desondanks brak in 1873 de oorlog uit, die aanvankelijk bepaald niet in het voordeel van Nederland verliep. Van Heutsz was als officier al in de jaren 1880 actief in Atjeh. In 1898 werd hij benoemd tot generaal-majoor en gouverneur van het gebied. De generaal kende de strijdmethoden van de Atjehers zeer goed. Grote legers en veel vuurkracht waren van veel minder belang dan mobiliteit en snelheid. Van Heutsz maakte daarbij veel gebruik van het Korps Marechaussee te voet, dat in kleine eenheden allerhande bliksemacties uitvoerde. Vaak werd er niet eens met vuurwapens gestreden. Zowel de Atjehers als de Nederlanders maakten gebruik van de klewang, een soort machete.

De voornaamste tegenstander van Van Heutsz was de formidabele Toekoe Oemar. Hij kan moeilijk een opstandeling van het eerste uur worden genoemd, want tussen 1893 en 1896 was hij een trouwe bondgenoot van de Nederlanders en streed hij tegen andere opstandelingen in Atjeh. In het laatstgenoemde jaar had hij echter totaal onverwacht de gouverneur van Atjeh, Christoffel Deykerhoff (1840-1911), laten weten dat hij zich niet langer aan zijn verplichtingen gebonden achtte. De wapens die de Nederlanders hem hadden verstrekt stuurde hij natuurlijk niet terug. Deze wapens, waaronder moderne Beaumontgeweren, kwamen zeer van pas voor de strijd tegen de voormalige bondgenoot. In Nederland werd door het grote publiek zeer verontwaardigd gereageerd op het ‘verraad’ van Toekoe Oemar. Zeer populair werd het Toekoe Oemar-spel, een soort damspel waarbij de ene partij de Nederlanders speelt en de andere Toekoe Oemar. De situatie was volstrekt duidelijk: het Nederlandse volk stond achter zijn militairen in Atjeh.

Portret van Koning Willem III, onder wie de oorlog in Atjeh begon (Museum Prinsenhof, Delft).

Wat voor de Nederlanders uitermate lastig was, was dat de Atjehers niet alleen fel verzet boden, maar ook aan de strijd een religieuze dimensie gaven. Als gezegd was dit deel van de archipel al eeuwen islamitisch. De Atjehers maakten van hun strijd tegen het KNIL een Heilige Oorlog, een jihad. Al vroeg in de oorlog hadden de Nederlanders de zeventiende-eeuwse moskee in de hoofdstad Kota Radja – nu Banda Atjeh – in brand gestoken. Het gebouw was daarop verloren gegaan. Later besloten ze de moskee te herbouwen om de plaatselijke bevolking gunstig te stemmen. De in 1881 voltooide Grote moskee van Baiturrahman staat er nog steeds. Het gebouw is werkelijk prachtig, maar aanvankelijk weigerde de stadsbevolking er gebruik van te maken. Je gaat toch immers niet bidden in een godshuis dat door je vijand is neergezet?

De vraag is natuurlijk waarom er oorlog tussen Nederland en Atjeh ontstond. In deze tijd waren specerijen, suiker, indigo en koffie niet onbelangrijk, maar het echte geld werd verdiend met het verbouwen van tabak door zogenaamde planters. Tabaksplantages waren ontstaan rondom Medan in Noord-Sumatra, een gebied dat grenst aan Atjeh. Hier werd in 1869 de Deli Maatschappij actief om de plantages te beheren. Gek genoeg hadden de activiteiten hier ook grote gevolgen voor de economie in Europees Nederland. In een stad als Kampen kwamen enige tientallen sigarenfabrieken op, die op hun beurt weer werk boden aan duizenden arbeiders. Een van deze fabrieken, De Olifant, bestaat nog steeds. Tabak was echt een groeimarkt, want ook gewone burgers kochten sigaren. De sigaar was niet langer een luxeproduct en daarom economisch aantrekkelijk. Om de plantages te kunnen exploiteren moest wel veel van de jungle op Sumatra vernietigd worden, zoals dat nu nog steeds gebeurt om bijvoorbeeld palmolie te kunnen produceren. De arbeidsomstandigheden van de koelies die op de plantages werkten, waren bovendien slecht.

Van Heutsz met zijn staf in 1901 (foto: C.B. Nieuwenhuis/Tropenmuseum/Collectie Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen, CC BY-SA 3.0-licentie).

En toen werd er olie gevonden. We schrijven 15 juni 1885 als een tabaksplanter genaamd Zijlker als eerste olie vindt op Sumatra. Het is het begin van de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij (Koninklijke Olie), opgericht in 1890, het huidige Shell. De oliewinning verliep echter aanvankelijk niet soepel: de putten werden nogal eens aangevallen door Atjehse opstandelingen. Van Heutsz wist echter in 1899 met Toekoe Oemar af te rekenen. In de buurt van Meulaboh legde hij een hinderlaag voor zijn tegenstander en diens krijgsmacht. Toekoe Oemar liep in de val en werd door de Nederlanders gedood. Het was een flinke klap voor het verzet, maar de strijd ging nog jaren door. In feite was het rond de tijd van Japanse inval in 1942 nog steeds niet helemaal rustig in Atjeh.

Van Heutsz deed nog veel om het verzet in het binnenland te breken. In 1901 leidde hij voor het laatst zelf een expeditie, daarna delegeerde hij het commando aan zijn ondergeschikten. De beruchtste onder hen was zijn rechterhand Gotfried van Daalen (1863-1930). Die trok in 1904 met zijn manschappen door het binnenland van Atjeh, dwars door de rimboe. Overste Van Daalen schuwde het geweld niet en richtte onder meer op 14 juni 1904 een ware slachting aan in de kampong Kota Rih (of Kuta Reh) toen de inwoners ervan verzet boden. Van Daalen had ook nog eens een fotograaf meegenomen, die diverse foto’s nam van doodgeschoten Atjehers. Die werden vervolgens trots in Nederland gepubliceerd om te laten zien hoe goed het ging met de strijd. Volgens schattingen zijn er tijdens de expeditie van Van Daalen zeker 2.500 mensen vermoord, van wie meer dan een derde vrouwen en kinderen.

Nu moet ter verdediging van Van Heutsz gezegd worden dat deze het bepaald niet eens was met de bloederige strategie van Van Daalen. Dat neemt niet weg dat de operaties wel formeel onder zijn leiding en verantwoordelijkheid plaatsvonden. Een en ander heeft ertoe bijgedragen dat het beeld van Van Heutsz flink is gaan kantelen. In 1927[2] had hij nog een staatsbegrafenis gekregen en lange tijd gold hij als een nationale held. Sinds de dekolonisatie geldt hij echter eerder als een schurk en een moordenaar. Het gevolg is dat zijn graftombe op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in 2003 is verplaatst naar een veel minder prominente locatie en thans is voorzien van een plaquette met uitleg over de veranderde kijk op de daden van Van Heutsz.

Noten

[1] Op dat moment James Loudon (1824-1900).

[2] Van Heutsz stierf in 1924 in Zwitserland. In 1927 werd hij herbegraven in Nederland.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *