De IJzeren Eeuw: De IJzeren Kooi

Frederik van Eeden rond 1900.

Waar we nu discussiëren over de voor- en nadelen van robots en nanotechnologie, bestond eind negentiende eeuw ook al aandacht voor de keerzijde van het moderne leven. In minder dan honderd jaar tijd was Nederland ingrijpend veranderd. Machines en industrie hadden welvaart gebracht, steden waren gegroeid, er reden treinen en trams en steden waren voorzien van water en elektriciteit. Maar de vooruitgang had ook een prijs. Niet iedereen had geprofiteerd van de gestegen welvaart. Eenvoud, rust en de menselijke maat leken te verdwijnen. Sommige mensen voelden zich gevangenen in een ijzeren kooi. Frederik van Eeden (1860-1932) was een van die mensen. Hij schreef al over de in de IJzeren Eeuw gevoelde vervreemding in zijn boek De Kleine Johannes (1887). Van Eeden was een veelzijdig mens: schrijver en dichter, maar ook arts en psychiater. In die laatste functie ontwikkelde hij belangrijke ideeën over geestesziekten, die hij niet aan lichamelijke gebreken weet, maar aan omstandigheden in de maatschappij,  zoals drukte, lawaai en armoede. De dertiende en laatste aflevering van de IJzeren Eeuw is geheel aan Frederik van Eeden gewijd.

Van Eeden groeide op in een gezin waarin wetenschap en filosofie hoog in het vaandel stonden. Daarnaast was hij een groot natuurliefhebber en had hij contacten met de schrijver en natuurbeschermer Jac. P. Thijsse (1865-1945), de man achter de Verkade-albums. Van Eeden zag de stad als iets verderfelijks en predikte een ideologie van weg uit de stad en terug naar de natuur. In de vrije natuur zou de mens weer zuiverheid vinden en verheven kunnen worden. Deze ideologie had om drie redenen iets paradoxaals. Allereerst had de stad tot dan toe juist mensen aangetrokken in verband met de mogelijkheden om er werk te vinden. Nu wilde de elite er juist weer weg omdat de stad verpest zou zijn. In de tweede plaats was het ‘terug naar de natuur’ alleen maar mogelijk omdat de natuur bereikbaar was geworden dóór de zo verfoeide moderne technologieën: men ging naar de natuur met de trein of de tram. Ook het fietsen kwam sterk op in die tijd. En ten slotte wilden veel notabelen in de natuur wel enig comfort hebben. Zo verrezen er villaparken in natuurgebieden, die spoedig nog maar moeilijk ‘puur’ en ‘zuiver’ genoemd konden worden.

De trein had de natuur bereikbaar gemaakt (Spoorwegmuseum, Utrecht).

Van Eeden kocht in 1898 een leeg stuk grond op het landgoed Cruysbergen bij Bussum. Daar stichtte hij een kolonie die hij Walden noemde. De naam was afgeleid van het beroemde boek Walden or Life in the Woods (1854) van de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau (1817-1862). De kolonie moest een zelfvoorzienende gemeenschap worden. Een waterleiding was er niet (die werd zelfs geweigerd), maar wel waren er kassen, bijen en een zeer succesvolle bakkerij. Men leefde van wat de eigen grond opleverde. De kolonie trok bijzonder kleurrijke figuren aan, zoals de anarchistische dominee Anne de Koe (1866-1941), die overigens na een ruzie met Van Eeden weer vertrok. De positie van Van Eeden – die in 1900 het bekende Van de koele meren des doods had gepubliceerd – was ook niet onomstreden. Feitelijk woonde hij niet echt in de kolonie, maar in Villa Cruysbergen met zijn vrouw Martha van Vloten (1856-1943). Bovendien was hij vaak op reis. Dit dubbelleven – wel onderdeel van de kolonie, maar toch ook weer niet – zorgde voor wrijving.

Vrouw Martha hield zich al helemaal afzijdig van Walden, maar had niettemin de sympathie van een deel van de kolonisten. In 1903 was het huwelijk tussen haar en Van Eeden in een crisis beland omdat haar man het wilde aanleggen met de veel jongere Truida Everts (1873-1952). Een deel van de bewoners vertrok toen uit solidariteit met Martha. In 1907 strandde het huwelijk definitief na 21 jaar. Martha bleef na de scheiding in Villa Cruysbergen wonen terwijl Van Eeden vrijwel direct hertrouwde met Truida. De hut waarin hij zich terugtrok om te schrijven verhuisde mee naar zijn nieuwe onderkomen. In de tijd van de scheiding was Walden echter al failliet gegaan. Dat de kolonie ten onder was gegaan, was aan diverse factoren te wijten. De verzuurde bosgrond was weinig vruchtbaar, er was gebrek aan geld en tussen de kolonisten ontstond al snel onenigheid. De bakkersgroep was succesvol, maar wenste niet te delen. Psychiatrische patiënten die in de kolonie verbleven zorgden soms voor onrust en intellectuelen die waren vrijgesteld van arbeid om te kunnen schrijven zorgden voor de nodige wrevel onder degenen die wél moesten werken. Van Eeden weet het falen van Walden vooral aan anderen. Enige zelfreflectie was hem vreemd.

Vredespaleis te Den Haag (foto: Velvet, CC BY-SA 4.0-licentie).

Walden bestond tussen 1898 en 1907. Internationaal was dit een tijd van oplopende spanningen, waarin de Europese grootmachten zich steeds sterker aan het bewapenen waren. Er was sprake van oplaaiend nationalisme en van de productie van massavernietigingswapens. Om de spanningen te bezweren vond in 1899 de eerste Vredesconferentie van Den Haag plaats, in 1907 gevold door een tweede. Om internationale conflicten vreedzaam te beslechten werd in het laatstgenoemde jaar het Permanent Hof van Arbitrage opgericht. Voor dit Hof werd het Vredespaleis in Den Haag gebouwd, mogelijk gemaakt door een grote donatie van de Amerikaanse industrieel en miljonair Andrew Carnegie (1835-1919). Op 28 augustus 1913 werd het Vredespaleis feestelijk geopend. Van Eeden was intussen bezig met zijn eigen wereldvredeproject. In 1914 nam hij het initiatief voor de Forte-Kreis, een genootschap van grote denkers die, vrij naar de filosoof Nietzsche, als een soort Übermenschen de wereldvrede moesten waarborgen. Tot de Forte-Kreis behoorden onder meer de Amerikaanse schrijver Upton Sinclair (1878-1968), de Duitse politicus Walter Rathenau (1867-1922) en de zionist Martin Buber (1878-1965).

De Forte-Kreis was in juni 1914 opgericht te Potsdam. Van Eeden en zijn bondgenoten waren optimistisch over de toekomst, maar ze hadden nog maar net het glas geheven of de Eerste Wereldoorlog brak uit. Moderne technologieën in de vorm van machinegeweren, kanonnen, gifgas, vlammenwerpers, vliegtuigen en tanks maakten miljoenen slachtoffers. De Forte-Kreis viel uiteen, de leden kregen onderling ruzie en Van Eeden zelf raakte zwaar gedesillusioneerd. Na een flirt met occulte spiritualiteit, waarbij hij naar eigen zeggen contact had gehad met allerhande overleden grootheden uit het verleden, bekeerde hij zich in 1922 tot het katholicisme. Deze stap kwam zijn geloofwaardigheid, die toch al niet veel meer voorstelde, niet ten goede. Eerder had hij zich namelijk juist tegen de katholieke kerk afgezet. De biecht bood hem echter troost, en als vermoeide, treurende oude man blies hij in 1932 zijn laatste adem uit.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *