Boekbespreking: Via Appia

Ik heb wel wat met de Via Appia, een van de bekendste Romeinse wegen in Italië. In 2013 wandelde ik samen met een vriend een heel stuk langs de oude weg, op weg naar de Catacomben van Sint-Calixtus. Onderweg passeerden we diverse bezienswaardigheden. Via de Boog van Drusus (die niets met Drusus te maken heeft) en de Porta San Sebastiano in de Aureliaanse Muren verlieten we de oude stad, om ongeveer 800 meter zuidelijker halt te houden bij het kleine kerkje van Santa Maria in Palmis. Dat is beter bekend als de Domine Quo Vadis-kerk. Het godshuis zou zijn gebouwd op de plek waar Petrus Jezus tegenkwam toen hij Rome ontvluchtte om aan de christenvervolgingen van keizer Nero te ontkomen. De naam slaat op de vraag die Petrus aan Jezus stelde: “Heer, waar gaat u heen?”. Het antwoord – in het Latijn: “Eo Romam iterum crucifigi”- impliceerde dat Christus nogmaals gekruisigd zou worden, en dat was natuurlijk niet de bedoeling. Petrus keerde dus op zijn schreden terug, werd gearresteerd en eindigde op eigen verzoek ondersteboven aan het kruis. Volgens een – zeker onjuiste – traditie gebeurde dat laatste op de Gianicolo, op de plek waar nu het Tempietto van Bramante staat.

Kort na het fotograferen van de Domine Quo Vadis-kerk begaf de batterij van mijn camera het. Omdat ik geen reservebatterij bij me had, heb ik helaas geen visuele herinneringen aan de rest van onze wandeling langs de Via Appia. Omdat de catacomben nog gesloten waren, liepen we verder en bezochten we de kerk van San Sebastiano. We wandelden langs het mausoleum van Valerius Romulus en door het Circus van Maxentius. Toen de miezerige novemberregen het verder wandelen onaangenaam maakte, keerden we om en streken we neer bij een nogal troosteloos etablissement, Ristorante Cecilia Metella genaamd en vernoemd naar een bekende graftombe die zo’n 600 meter verderop staat. Ons bezoek aan de Catacomben van Sint-Calixtus was vervolgens zeer interessant, met een gids van het eiland Mauritius, een eiland dat is vernoemd naar stadhouder Maurits van Nassau. Aangezien de dodo op Mauritius onder Nederlands bestuur is uitgestorven, spraken we met de gids af dat we nog eens terug zouden komen en dat we dan een levend exemplaar voor hem mee zouden nemen. Dat was natuurlijk een excuus om nooit meer terug te komen.

Porta San Sebastiano.

Maar wellicht keren we binnenkort nog wél eens terug. Lezing van het boek Via Appia van Fik Meijer heeft mij in elk geval weer razend enthousiast gemaakt voor een nieuwe wandeling langs deze ‘Koningin der Wegen’. Voor zover dat mogelijk was, heeft Meijer voor dit boek de gehele Via Appia – 569 kilometer of 385 Romeinse mijl lang – afgelopen of (vaker) afgereden per auto. Daarbij maakte hij gebruik van een gedicht van de Romeinse dichter Quintus Horatius Flaccus (65-8 BCE), die in het jaar 37 BCE als jongeman in een belangrijk gezelschap van Rome naar Brundisium, het huidige Brindisi, reisde. Zijn reisverhaal in dichtvorm is geen feitenrelaas, maar biedt voldoende aanknopingspunten om de reis ruim 2.000 jaar later nog eens over te doen. Rasverteller Meijer neemt ons mee langs de plekken die ik hierboven heb genoemd, en langs een heleboel andere bezienswaardigheden op dit stuk van de Via Appia waar ik straal voorbij ben gelopen. De tombe van Geta? Compleet gemist. De zogenaamde tombe van Annia Regilla? Ook niet gezien, maar die blijkt dan ook meer dan 600 meter van de weg af te staan.

En daarna gaat Meijer verder en zakt hij vanaf de tombe van Cecilia Metella nog een kilometer of negen verder de Via Appia af totdat hij ter hoogte van de negende mijlsteen bij het vermeende mausoleum van de Romeinse keizer Gallienus (253-268) aankomt. Daartussen liggen nog een dozijn andere monumenten, vooral graftomben, en bij elk monument heeft Meijer een nadere toelichting en een mooi verhaal. En het blijft niet bij verhalen alleen, want de auteur brengt alles ook prachtig in beeld. Met wat hulp van neef Harry (beroepsfotograaf) en kleinzoon Pim (whizzkid) blijkt de oudhistoricus ook heel goed te zijn in het hanteren van een camera. Ongetwijfeld maken de fraaie kleurenfoto’s en de uitvoering in hardcover het boek weer een stukje duurder, maar een prijs van rond de 25 euro is zeker niet teveel gevraagd voor dit mooie werk.

Commodus als Hercules

Het leuke is dat ik dankzij Via Appia een oud raadsel heb kunnen oplossen waar ik al enkele jaren mee zit. De derde-eeuwse Romeinse geschiedschrijver Cassius Dio schrijft in zijn Romeinse geschiedenis over een pestepidemie en een hongersnood in Rome in het jaar 190. Het volk gaf de schuld aan Cleander, de praetoriaanse prefect, en wilde keizer Commodus waarschuwen. Die verbleef volgens Dio in de ‘Quintiliaanse buitenwijk’, een locatie die ik nooit goed hebben kunnen plaatsen, te meer niet daar een andere derde-eeuwse historicus, Herodianus, meldt dat de keizer naar Laurentum was vertrokken, zo’n veertig kilometer ten zuiden van Rome. Een Britse historicus had mij al eens gewezen op het bestaan van een landgoed van de gebroeders Quintilius, die enkele jaren eerder op instigatie van Commodus waren vermoord. Dat landgoed pikte Commodus vervolgens in. Op mijn vraag waar het genoemde landgoed dan lag, reageerde de historicus helaas niet. Meijer doet dat ongevraagd wel: de Villa dei Quintili – zoals de locatie nu in het Italiaans wordt genoemd – lag in de tijd van Commodus (180-192) aan de Via Appia, een kilometer of acht buiten de oude Porta Capena in de Serviaanse muren. Dat klopt perfect met het verhaal van Cassius Dio, die meldt dat de burgers de keizer op het landgoed probeerden te spreken en vervolgens door de praetoriaanse ruiters naar de stad teruggedreven werden.

Na de tombe van Gallienus stopt het verhaal van de Via Appia uiteraard niet. Meijer neemt ons dan nog enkele honderden kilometers verder mee, op weg naar het zuiden en de eindbestemming Brindisi, We reizen langs prachtige stadjes als Terracina aan de Tyrreense Zee, bezoeken Benevento met zijn bekende Boog van Trajanus en treuren over vergane glorie bij de beschrijving van de vieze industriestad Taranto (het oude Tarentum). De auteur maakt ons duidelijk dat Horatius niet de hele Via Appia afreisde. Op een goed moment stapte zijn gezelschap, in de buurt van Benevento, over op de Via Minucia, die een noordelijkere en snellere route naar Brundisium bood. Ook over deze weg en haar opvolger, de Via Appia Traiana, leren we bij lezing van dit boek een heleboel.

Boog van Drusus.

Via Appia is prettig geschreven en leest heerlijk weg. Het is hierboven al vermeld, maar ik herhaal het nog maar eens: Fik Meijer is een rasverteller. Zijn enthousiasme is aanstekelijk, en de tekst in combinatie met de mooie foto’s maken dat ik direct op het vliegtuig wil stappen om mijn tocht van 2013 nog eens dunnetjes over te doen, ditmaal natuurlijk met werkende camera. Het voorgaande wil echter niet zeggen dat het boek perfect is. Af en toe vervalt Meijer in zijn oude kwaal: die van sloddervos. Zo zijn de Baden van Caracalla natuurlijk niet in 216 vóór Christus geopend (p. 103), maar in 216 ná Christus. Hadrianus was geen keizer van 118 tot 137 (p. 59), maar van 117 tot 138, en al helemaal onzin is de bewering dat Cicero als consul de Catilinarische samenzweerders liet executeren “zonder goedkeuring van de senaat” (p. 184). Cicero had nu juist wél goedkeuring van (de meerderheid van) de senaat. Het probleem was dat de senaat geen rechtbank was, en dus niet bevoegd was een doodsvonnis uit te spreken of te bevestigen (zie ook deze bijdrage). Op p. 151 staat het wel correct: “zonder vorm van proces”.

De slordigheden blijven gelukkig binnen de perken, zodat er beslist geen reden is Via Appia af te raden. Integendeel!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *