De Annalist: Het Jaar 260 BCE

Samenvatting

  • De Romeinen bouwen in recordtempo een vloot;
  • De Romeinse militaire operaties ter zee beginnen desastreus, namelijk met de gevangenneming van de consul Gnaeus Cornelius Scipio Asina;
  • Dankzij een nieuw wapen genaamd de corvus behalen de Romeinen een beslissende overwinning op de Carthagers in de Zeeslag bij Mylae;
  • De consul Gaius Duilius mag als eerste Romeinse magistraat een triumphus navalis houden, een triomftocht na een overwinning ter zee;
  • Het spreekgestoelte op het Forum Romanum wordt versierd met de snebben (rostrata) van buitgemaakte Carthaagse schepen;
  • Wisselende resultaten tijdens de landoorlog op Sicilië; de Romeinen lijden zware verliezen bij Thermae.

Terwijl de Romeinen gestage vooruitgang boekten in de landoorlog op Sicilië beheersten de Carthagers nog altijd de zee. Dit maakte het voor de Romeinen uiterst lastig om grote kuststeden als Lilybaeum en Panormus te belegeren. Deze steden hadden havens en konden eenvoudig over zee bevoorraad worden, heel anders dan bij Agrigentum, dat zich op een plateau enkele kilometers landinwaarts bevond. Hier kwam bij dat Carthaagse schepen raids uitvoerden in de kuststreken van Italië. Rome moest ook hier een antwoord op vinden. De Romeinen realiseerden zich dat ze een eigen vloot moesten bouwen, en dat deden ze vervolgens in recordtempo.

De eerste confrontaties ter zee

De Romeinen begonnen waarschijnlijk in 261 BCE met de bouw van hun vloot, nadat de Senaat hiertoe de opdracht had gegeven. Binnen enkele maanden – zestig dagen volgens Plinius de Oudere – hadden ze 100 quinqueremen en 20 kleine triremen gebouwd. Dit waren allemaal oorlogsschepen die geroeid moesten worden, al hadden ze ook een zeil voor de langere afstanden (maar niet voor de strijd). De trireem (‘drie’) was het standaard oorlogsschip van de Perzische Oorlogen en de Peloponnesische Oorlog geweest, maar gedurende de Eerste Punische Oorlog werd de voorkeur gegeven aan de grotere quinquereem (‘vijf’).

Over het precieze ontwerp van deze schepen en de plaats van de roeiers is veel gediscussieerd en gespeculeerd. Ik zal hier nu niet op ingaan, want dat zou te veel afleiden van de hoofdlijn van het verhaal. Polybius beweert dat de Romeinen hun nieuwe schepen baseerden op een Carthaags model dat ze enkele jaren eerder hadden buitgemaakt nadat het aan de grond was gelopen. Dat verhaal klinkt een beetje uit de lucht gegrepen. Het is veel waarschijnlijker dat de Romeinen simpelweg het ontwerp overnamen van de schepen die hun Griekse bondgenoten gebruikten. Zeker hun bondgenoten in Syracuse wisten uitstekend hoe een ‘vijf’ gebouwd moest worden. De bouw van de eerste quinquereem werd traditioneel aan Dionysius van Syracuse (ca. 432-367 BCE) toegeschreven.

Rome had nu een omvangrijke vloot, maar ze was nog geen partij voor de vloot van Carthago. De Romeinse bemanningen, waarschijnlijk grotendeels gerekruteerd uit de lagere klassen, waren nog altijd erg onervaren. De nieuwe consuls onderwierpen de bemanningsleden dan ook aan een intensief trainingsprogramma. Polybius schrijft hierover:

“Ze plaatsten de mannen aan de vaste wal op de roeibanken in dezelfde opstelling als op de schepen zelf, met in het midden de bootsman. Zo trainden ze hen erin om allemaal tegelijk achterover te buigen en hun armen in te trekken, dan weer voorover te buigen en hun armen naar voren te strekken en deze bewegingen te beginnen en te beëindigen op de commando’s van de bootsman [κελευστής].” (vertaling: Wolther Kassies)

Kaart van Sicilië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Toen de bemanningsleden er klaar voor waren, voer de consul Gnaeus Cornelius Scipio vooruit naar Sicilië en begon plannen te maken voor zijn operaties aldaar. Plots deed zich de gelegenheid voor het eiland en de stad Lipara in te nemen, onderdeel van de Eolische Eilanden ten noorden van Sicilië. De consul nam 17 schepen mee, voer de haven van Lipara binnen en ging van boord. De Carthagers hadden al zijn bewegingen echter scherp in de gaten gehouden. Ze stuurden een vloot van 20 schepen vanuit Panormus om de consul te onderscheppen. Deze vloot stond onder commando van Boödes, een lid van de Carthaagse senaat of gerousia. Scipio zat nu in de haven in de val. De consul moest zich uiteindelijk overgeven, hoewel hij volgens een alternatieve traditie, die de Punische onbetrouwbaarheid wilde benadrukken, gevangen genomen werd tijdens onderhandelingen. Met deze beschamende nederlaag verdiende Scipio de bijnaam Asina, ‘de ezel’. Scipio Asina werd later vrijgelaten door de Carthagers, wellicht als onderdeel van een gevangenenruil. De nederlaag en de bijnaam belemmerden Scipio’s verdere politieke carrière kennelijk niet, want in 254 BCE werd hij wederom tot consul gekozen. Niettemin waren de Romeinse operaties ter zee desastreus begonnen.

Het tij keerde echter snel. De opperbevelhebber van de Carthaagse vloot, een zekere Hannibal – wellicht dezelfde Hannibal die Agrigentum was kwijtgeraakt -, was wellicht enigszins overmoedig geworden door de vroege zege van Boödes. Hij probeerde de Romeinse hoofdvloot te traceren, maar deed dat nogal onachtzaam. Toen hij plotseling op de Romeinse quinqueremen stuitte, verloor hij de meeste van zijn 50 schepen en werd zelf bijna gevangen genomen.

De Zeeslag bij Mylae

De eerste grootschalige confrontatie tussen de Romeinse en de Carthaagse vloot was nu op handen. De andere consul, Gaius Duilius, was oorspronkelijk belast geweest met de landoorlog. Duilius was een ‘nieuwe man’ (homo novus), de eerste van zijn familie die het consulaat had verworven. Zodra hij hoorde van de gevangenschap van zijn collega had hij het bevel over de legioenen overgedragen aan zijn krijgstribunen en zich bij de vloot gevoegd. De Carthaagse vloot bevond zich in de buurt van Mylae, een Siciliaanse stad gelegen op een schiereiland ten zuiden van de Eolische Eilanden. Duilius gaf zijn vloot snel de opdracht ook naar Mylae te varen om daar de strijd met de vijand aan te gaan.

Impressie van de corvus als entermachine (afbeelding: Chewie, CC BY-SA 2.5 licentie).

De Romeinen waren nog steeds sterk in het nadeel. De Carthaagse schepen waren van betere kwaliteit en hun bemanningen hadden veel meer ervaring, vooral in het uitvoeren van ingewikkelde manoeuvres. Het is onwaarschijnlijk dat de Carthagers meer schepen hadden dan de Romeinen. Polybius beweert dat ze in totaal 130 oorlogsschepen hadden. De Romeinen hadden 17 van hun 120 schepen bij Lipara verloren, maar mogelijk hadden ze versterkingen van hun bondgenoten ontvangen of maakten ze gebruik van enkele schepen die ze in de eerste confrontatie met Hannibal hadden buitgemaakt. Niettemin waren de Carthagers vol vertrouwen en rekenden ze op een gemakkelijke overwinning in de komende strijd.

De Romeinen hadden echter een verrassing voor hen in petto. Hun grote kracht lag in het vechten op het land met hun superieure infanterie, dus ze dienden een manier te vinden om op zee een landgevecht te leveren. Uiteindelijk ontwierpen ze een slim nieuw wapen. De Romeinen rustten hun schepen uit met een soort valbrug die door moderne historici de corvus wordt genoemd. Deze valbrug konden ze neerlaten en dan gebruiken om vijandelijke schepen te enteren. Polybius, die de Griekse term korax gebruikte (‘raaf’), heeft ons een beschrijving van het apparaat nagelaten:

“Op de voorsteven werd een ronde paal opgericht, vier vadem lang [7,2 meter] en met een diameter van drie palmen [30 centimeter]. Deze paal had aan de top een katrol; om de voet van de paal was een loopbrug bevestigd, bestaande uit dwarsplanken die met spijkers aan elkaar waren bevestigd. De loopbrug was vier voet breed [1,2 meter] en zes vadem lang [10,8 meter]. In deze loopbrug van planken was op een afstand van twee vadem [3,6 meter] van het uiteinde een langwerpige sleuf aangebracht, waarin zich de paal bevond. Ook had de loopbrug een leuning tot kniehoogte aan beide lange zijden. Aan het boveneinde van de paal was iets als een ijzeren, gepunte stamper bevestigd met een ring aan het boveneind, zodat het geheel gelijkenis vertoonde met de instrumenten waarmee men het graan bewerkt. Aan de ring was een kabel bevestigd. Bij het rammen van schepen hees men daarmee met behulp van de katrol aan de paal de enterbrug omhoog om haar daarna te laten vallen op het dek van het vijandelijke schip. Soms gebeurde dit ter hoogte van de voorsteven, een andere keer, wanneer het rammen aan de zijkant gebeurde, draaide men de loopbrug naar die zijde. Wanneer de enterbrug zich had vastgezet in de planken van het vijandelijke dek en zo de schepen aan elkaar had vastgemaakt, sprongen ze bij een entering van opzij van alle kanten over op het vijandelijke schip. Enterde men bij de voorsteven, dan gingen ze met twee man tegelijk de enterbrug over. De voorste twee beschermden zich tegen vijanden die hen tegemoetkwamen door hun lange schilden voor zich te houden, de volgende twee stelden hun flank veilig door de onderrand van hun schilden op de leuning te zetten. Voorzien van deze werktuigen wachtten de Romeinen op het moment van de zeeslag.” (vertaling: Wolther Kassies)

Hannibal waande zich zeker van de overwinning en viel de Romeinse vloot aan met zijn voorhoede van 30 schepen. Polybius beweert dat zijn vlaggenschip een septireem of ‘zeven’ was. Dit uitzonderlijk grote vaartuig was geen Carthaags schip, maar een schip dat was buitgemaakt op Pyrrhos toen diens Siciliaanse veldtocht op een mislukking uitdraaide en de koning noodgedwongen het eiland weer verliet. Onbekend met het nieuwe Romeinse wapen bonden de Carthaagse roeiers de strijd aan met hun tegenstanders. De corvus bleek echter zeer effectief te zijn. De Romeinen lieten de enterbruggen op de Carthaagse schepen vallen, waardoor het voor deze schepen onmogelijk werd om zichzelf los te maken en te ontsnappen. De legioensoldaten stormden over de bruggen en enterden de vijandelijke schepen. De Carthaagse deksoldaten hadden geen schijn van kans. De eerste 30 Carthaagse schepen werden op deze manier vlotjes buitgemaakt. Daarna maakten de Romeinen nog eens 20 schepen buit of brachten ze tot zinken. De rest draaide om en maakte zich uit de voeten.

Overblijfselen van de Rostra uit de Keizertijd. The Republikeinse Rostra is verdwenen.

Hoewel de Romeinen zelf ook enige verliezen moeten hebben geleden, hadden ze zonder meer een geweldige overwinning geboekt. De Romeinse bevelhebber Duilius werd de eerste magistraat aan wie een triumphus navalis werd toegekend, een triomftocht voor een overwinning op zee. Volgens een passage in Boek 17 van Livius (dat verloren is gegaan) kreeg hij het blijvende recht zich te laten vergezellen door een toortsdrager en een fluitspeler wanneer hij na een diner naar huis terugkeerde. De Romeinen versierden het spreekgestoelte op het Forum Romanum met de snebben (rostrata) van buitgemaakte Carthaagse oorlogsschepen. Het spreekgestoelte werd sindsdien de Rostra genoemd.[1] Carthago was vernederd op zee en Rome had zichzelf bewezen als zeemacht.

De landoorlog

Maar niet alles ging voor Rome volgens plan dit jaar. De Carthaagse bevelhebber Hamilcar rukte op naar Segesta, een stad in het noordwesten van Sicilië die twee jaar eerder de kant van de Romeinen had gekozen. De krijgstribuun Gaius Caecilius schoot de Segestanen en het Romeinse garnizoen te hulp, maar werd door Hamilcar in een hinderlaag gelokt, waarbij hij zware verliezen leed. Hoewel Duilius en zijn troepen het beleg van Segesta later in het jaar wisten te doorbreken, kregen de Romeinen elders op het eiland harde klappen. Hamilcar sloeg wederom toe en verraste een groot contingent infanterie van de Romeinse bondgenoten net op het moment dat deze hun kamp aan het opbreken waren nabij Thermae in het noorden van Sicilië. 4.000 bondgenoten werden gedood, misschien wel 6.000 als we af mogen gaan op het fragmentarische verslag van Diodorus Siculus. Hoewel ze hun verliezen konden goedmaken, zorgde deze nederlaag bij de Romeinen voor een nare smaak in de mond.

Bronnen 

Primair

– Cassius Dio, Roman History, Fragments of Book XI;
– Diodorus Siculus, Library of History, Fragments of Book XXIII;
– Livius, Periochae, Book 17;
– Plinius the Elder, The Natural History 16.74;
– Polybius, The Histories, Book 1.22-23.

Secundair

– Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 96-109;
– Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 180-184.

Noot

[1] Volgens een andere traditie was de naam afgeleid van de snebben van oorlogsschepen die de Romeinen hadden buitgemaakt op de Latijnse stad Antium tijdens de Latijnse Oorlog van 340-338 BCE. Zie Livius 8.14.

3 Comments:

  1. Pingback: De Annalist: De Jaren 259-257 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback: De Annalist: De Jaren 254-251 BCE – – Corvinus –

  3. Pingback: De Annalist: De Jaren 248-243 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.