De Annalist: Het Jaar 214 BCE

Hannibal Barcas

Samenvatting

  • De nieuwe consuls zijn Quintus Fabius Maximus en Marcus Claudius Marcellus, ‘schild en zwaard van Rome’;
  • Hannibal slaagt er niet in Puteoli, Nola en Tarentum in te nemen;
  • De Romeinen heroveren Casilinum en bedreigen van daaruit Capua;
  • Tiberius Sempronius Gracchus verslaat de Carthaagse bevelhebber Hanno in de Slag bij de rivier de Calor in de buurt van Beneventum;
  • Koning Hieronymus van Syracuse wordt vermoord en de rest van de koninklijke familie afgeslacht; Syracuse is voor korte tijd weer een republiek;
  • Marcus Claudius Marcellus verovert Leontinoi op Sicilië;
  • De pro-Carthaagse archonten Hippocrates en Epicydes nemen de macht over in Syracuse;
  • Eerste schermutselingen in de oorlog tussen Rome en Macedonië;
  • De oorlog in Spanje sleept zich voort zonder grote veldslagen.

De verkiezingen voor de consuls waren dit jaar in veel opzichten ongebruikelijk. Ze werden geleid door Quintus Fabius Maximus, die speciaal was teruggekomen uit Puteoli in Campanië (het huidige Pozzuoli). Het lot was gevallen op de centurie van de iuniores van de tribus Aniensis om als eerste een stem uit te brengen. Zij vormden de zogenaamde centuria praerogativa en hun stem legde veel gewicht in de schaal. Toen bleek dat de centurie voor Titus Otacilius en Marcus Aemilius Regillus had gestemd, besloot de consul in te grijpen. Fabius betoogde dat Regillus een priester van Quirinus was (de vergoddelijkte Romulus) en dat deze flamen Quirinalis onder geen beding de stad mocht verlaten. Hoe kon hij dan tegen Hannibal vechten als hij in Rome moest blijven? Titus Otacilius was in voorgaande jaren praetor en propraetor geweest, maar hoewel hij in zekere zin familie was – hij was getrouwd met de dochter van een zus van Fabius -, was de consul kennelijk niet onder de indruk van zijn militaire prestaties. Fabius gaf vervolgens de heraut (praeco) de opdracht de iuniores opnieuw te laten stemmen.

Otacilius protesteerde tegen deze gang van zaken, maar de lictoren van de consul legden hem het zwijgen op. Deze mannen droegen nog steeds de bijlen in hun roedenbundels (fasces): Fabius was rechtstreeks naar het Campus Martius gekomen en was dus niet het pomerium overgegaan, de heilige grens van de stad. Hij had dus nog steeds het hoogste militaire gezag. De boodschap van de lictoren was duidelijk, en de centurieën kozen unaniem twee zeer ervaren nieuwe consuls: Quintus Fabius Maximus zelf en Marcus Claudius Marcellus, ‘schild en zwaard van Rome’.[1] Het vorige jaar was de verkiezing van Marcellus als consul suffectus nog ongeldig verklaard omdat hij geen patriciër was, maar kennelijk vonden het Romeinse volk en de augures het helemaal niet problematisch dat Fabius direct werd herkozen, zonder de gebruikelijke tussenperiode en dan ook nog eens onder zijn eigen voorzitterschap. Omdat Rome behoefte had aan ervaren bevelhebbers, werd het imperium van veel van de oude magistraten door de Senaat verlengd. Gracchus, Varro, Marcus Valerius Laevinus en de arme Otacilius behoorden tot deze pro-magistraten.

Binnenlandse zaken

Romeinse princeps (bron: Europa Barbarorum).

De nieuwe consuls en de Senaat besloten dat er dit jaar 18 legioenen nodig waren om op ieder front tegen Carthago en haar bondgenoten te kunnen vechten. Dit betekent dat 72.000-90.000 Romeinse infanteristen en zo’n 5.400 ruiters werden gemobiliseerd. We moeten deze aantallen dan ook nog eens verdubbelen, want ook de Latijnen en de Italiaanse bondgenoten moeten worden meegerekend. Dit geeft wel aan op welke schaal er oorlog werd gevoerd. De meeste legers waren betrokken bij operaties in Italië, maar er waren ook troepen nodig voor Sicilië, Sardinië, Spanje, Macedonië – waarvoor Laevinus de verantwoordelijkheid kreeg – en kennelijk ook weer Gallia Cisalpina, aangezien in de bronnen voor dit gebied een propraetor wordt genoemd. En dit zijn alleen nog maar de cijfers voor het landleger. Omdat Carthago nu Sicilië bedreigde en ook Macedonië bij de oorlog betrokken was geraakt, besloten de consuls 100 nieuwe oorlogsschepen te laten bouwen. Dit moet veel geld hebben gekost, maar het echte probleem was genoeg zeelieden aan te trekken die als bemanningen konden dienen. De taak om de bemanning van de schepen te leveren werd aan het Romeinse volk gedelegeerd. Afhankelijk van de waarde van hun bezit moesten Romeinse burgers 1, 3, 5 of 7 zeelieden voor de vloot leveren en tevens voor zes maanden betalen. Senatoren moesten zelfs 8 zeelieden zien te regelen en loon voor een vol jaar inleggen.

Bij het samenstellen van het leger en de vloot maakten de consuls gebruik van de gegevens die tijdens de census van 220 BCE waren verzameld. Fabius leidde dit jaar ook de verkiezingen voor de nieuwe censors, waarin Marcus Atilius Regulus (de consul suffectus van 217 BCE) en Publius Furius Philus (Flaminius’ collega in 223 BCE) werden gekozen. De censors droegen niet alleen de verantwoordelijkheid voor het houden van de census, maar waakten ook over de publieke zeden. In deze hoedanigheid begonnen ze met het straffen van Romeinse burgers van wie het gedrag tijdens de oorlog niet comme il faut was geweest. Onder de slachtoffers van deze actie bevonden zich senatoren, equites en gewone Romeinen, vooral degenen die zich tot nu toe aan de dienstplicht hadden onttrokken. Zij kregen allemaal een zogenaamde nota censoria, een aantekening van slecht gedrag. Leden van de equites die een door de Staat bekostigd paard bezaten, raakten dit equus publicus kwijt. Burgers die gestraft werden, werden uit hun eigen tribus verwijderd, hetgeen waarschijnlijk inhield dat ze werden gedegradeerd naar een van de minder prestigieuze en invloedrijke stedelijke tribus.[2] Veel burgers werden ook teruggezet naar de aerarii, een tamelijk obscure klasse net onder die van de equites.

Overblijfselen van de tempel van Saturnus op het Forum Romanum, de plek waar de Romeinen hun schatkist bewaarden.

Tot de gestraften behoorden jonge mannen uit vooraanstaande families die na de nederlaag bij Cannae plannen hadden gemaakt om Italië te verlaten. Hun leider van toen, Marcus Caecilius Metellus, was nu een van de quaestors. Toen hij later dit jaar tot volkstribuun werd gekozen en op de traditionele datum van 10 december aan zijn ambtstermijn begon, probeerde hij direct wraak te nemen op de censors door ze voor de volksvergadering te slepen. De andere negen volkstribunen spraken echter hun veto over deze actie uit en het voorgenomen proces vond nooit meer plaats. Wel kwam Publius Furius Philus korte tijd later te overlijden, waarop de andere censor volgens vast gebruik zijn ambt neerlegde.

De schatkist was leeg, met als gevolg dat de censors geen geld hadden om contracten aan te besteden voor het onderhoud van tempels en andere projecten. Livius vertelt ons in dit verband een moralistisch verhaal over het Romeinse patriottisme: verschillende bouwaannemers zouden zich spontaan hebben gemeld en de censors hebben aangemoedigd om toch opdrachten te verstrekken. Niemand zou betaling van de Staat eisen voordat de oorlog voorbij was. De eigenaren van slaven die bij de volones hadden gevochten en daarvoor hun vrijheid hadden gekregen (zie hieronder) sloten zich bij deze acties van de aannemers aan: ook hun financiële compensatie mocht worden uitgesteld. Burgers begonnen nu ook geld in te zamelen voor weduwen en wezen, en ruiters en centurions in het leger weigerden hun soldij. Degenen die zich wel lieten betalen werden als huurlingen (mercennarii) bestempeld.

Italië

214 BCE was een relatief succesvol jaar voor Rome. Hannibal bereikte heel weinig in Italië. Zijn aanval op Puteoli mislukte en voor de derde keer werd hij bij Nola teruggedreven door Marcellus. Fabius en Marcellus slaagden er samen in Casilinum te heroveren, de stad die het vorige jaar verloren was gegaan. Vanuit Casilinum konden ze gemakkelijker Capua bedreigen, de hoofdprijs in Campanië. De belangrijkste Romeinse prestatie van dit jaar was echter de overwinning van de proconsul Gracchus bij de rivier de Calor in de buurt van Beneventum. De legioenen van Gracchus bestonden voor een groot deel uit de volones, de slaven die vrijwillig in het leger dienden en in ruil daarvoor hun vrijheid zouden krijgen. Velen van hen voelden een sterke persoonlijke band met hun aanvoerder. Gracchus’ tegenstander was Hanno, een van Hannibals onderbevelhebbers, wiens leger vooral uit Bruttii en Lucani bestond, ondersteund door wat Numidische en Moorse ruiterij.

Kaart van Midden- en Zuid-Italië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Helaas is het relaas van Polybius over de veldslag niet bewaard gebleven, want de versie die Livius geeft is nogal ongeloofwaardig. Volgens hem gingen de volones als ware koppensnellers tekeer, omdat Gracchus voorafgaand aan de strijd zou hebben beloofd dat iedere man die met een afgehakt hoofd van een vijand terugkwam zijn vrijheid zou krijgen. Als gevolg hiervan zouden de volones drukker zijn geweest met het afhakken van hoofden dan met vechten. We kunnen dit nogal dwaze verhaaltje terzijde schuiven en toch aannemen dat bij Beneventum een beslissende Romeinse overwinning werd behaald. De Romeinen joegen hun tegenstanders na vier uur vechten op de vlucht en bestormden vervolgens het vijandelijke kamp. Mogelijk sneuvelden er zo’n 15.000 Bruttii en Lucani, maar de meeste ruiters en Hanno zelf wisten te ontkomen.

Nadat hij dit jaar vrijwel niets in Campanië had gepresteerd trok Hannibal op naar Tarentum, in de hoop dat de stad aan hem verraden zou worden. Daarin werd hij echter teleurgesteld. De propraetor Laevinus had de stad versterkt met een garnizoen onder leiding van een zekere Gaius (of Marcus) Livius, en Hannibal had geen trek in een belegering. Uiteindelijk trok hij zich aan het eind van het oorlogsseizoen terug naar Salapia in Apulië. Daar sloeg hij zijn winterkamp op en maakte alvast plannen voor de operaties van het volgende jaar.

Sicilië

Kretenzische boogschutter (bron: Europa Barbarorum).

De regering van de jonge koning Hieronymus bleek een kort leven beschoren te zijn. Na iets meer dan een jaar op de troon werd hij vermoord in Leontinoi (tegenwoordig de stad Lentini). Zijn dood leidde tot grote chaos in Syracuse. In de nasleep van de moord werd de hele koninklijke familie uitgeroeid en kreeg Syracuse kortstondig weer een republikeinse regeringsvorm. Er werden archonten gekozen – Livius noemt hen praetors -, en een aantal van deze magistraten stond aan de kant van Rome en wenste het oude bondgenootschap met de Romeinse Republiek te herstellen. Andere archonten wilden zich echter houden aan het recente verdrag met Carthago. Twee van hen waren Hippocrates en Epicydes uit het leger van Hannibal. Wederom was chaos het resultaat. Een jaar eerder had Syracuse na het sluiten van het verdrag met Carthago de oorlog verklaard aan Rome. Nu was de pro-Romeinse factie in de stad voorlopig sterker dan de pro-Carthaagse, dus er werd een delegatie naar de Romeinse vlootcommandant gestuurd om over een wapenstilstand van tien dagen te praten. Deze commandant was Appius Claudius Pulcher, de zoon van de man die de Romeinse vloot had geleid tijdens de desastreuze Zeeslag bij Drepana in 249 BCE.

In de tussentijd hadden de Romeinen de consul Marcus Claudius Marcellus naar Sicilië gestuurd. Aangezien Marcellus een hogere rang had dan hijzelf, verwees Claudius Pulcher de gezanten naar de consul. Vrede en herstel van het oude verdrag lagen binnen handbereik, maar juist op dat moment vielen Hippocrates en zijn troepen een Romeinse buitenpost bij Leontinoi aan. Er waren veel slachtoffers te betreuren en Marcellus was buiten zinnen van woede. Dreigend voegde hij de Syracusanen toe dat er altijd reden voor oorlog zou zijn als ze Hippocrates en Epicydes niet uit hun gebieden en van Sicilië zouden verbannen. De consul en de propraetor bestormden vervolgens Leontinoi en namen de stad bij de eerste aanval in. Hippocrates en Epicydes vluchtten eerst westwaarts richting Herbesos, maar slaagden er vervolgens in met hulp van een eenheid Kretenzische huurlingen weer naar Syracuse terug te keren. Hier ontketenden ze een opstand waarin de regering van de pro-Romeinse archonten ten val werd gebracht. Hippocrates en Epicydes waren nu de baas in de stad.

Macedonië en Spanje

Kaart van Epirus en Illyrië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

In de zomer van dit jaar barstte de oorlog tussen Rome en Macedonië los. Philippos V had al de stad Orikos in Epirus ingenomen en bedreigde nu Apollonia, een Romeinse bondgenoot. De Romeinse reactie was snel en vastberaden. Marcus Valerius Laevinus, de propraetor die de oorlog tegen de Macedonische koning moest leiden, boekte een gemakkelijke zege op het kleine garnizoen dat Philippos in Orikos had achtergelaten en heroverde zo de stad in een mum van tijd. Vervolgens stuurde hij de praefectus sociorum Quintus Naevius Crista noordwaarts richting Apollonia. Het beleg rondom de stad was nogal los, en ‘s nachts lanceerde de Romeinse bevelhebber met zijn troepen een aanval op het Macedonische kamp. Deze aanval was een groot succes. Als we af mogen gaan op het verslag van Livius werd Philippos in zijn slaap verrast en moest hij half aangekleed het kamp ontvluchten. De koning raakte al zijn belegeringswerktuigen kwijt en moest zijn schepen in brand steken omdat Laevinus ze anders buit zou maken.

Het is moeilijk om de gebeurtenissen in Spanje van dit jaar en de volgende jaren op een rijtje te zetten. Het verslag van Polybius is verloren gegaan en dat van Livius is warrig en heeft een schimmige chronologie. De Romeinse geschiedschrijver beweert bijvoorbeeld dat dit jaar Saguntum heroverd werd, een stad die “al zeven jaar in handen van de vijand was”. Aangezien de stad echter eind 219 BCE door Hannibal was ingenomen, kan ze pas op z’n vroegst in 212 BCE door de Romeinen heroverd zijn. Ondanks de optimistische verhalen van Livius doen we er waarschijnlijk goed aan te concluderen dat de Romeinen deze jaren niet veel bereikten in Spanje, en de Carthagers evenmin. Niettemin nam de Carthaagse tegenstand toe, want Carthago stuurde steeds meer troepen naar Spanje toe. Er lijken tenminste drie legers op het schiereiland actief te zijn geweest, maar de communicatie en coördinatie tussen de bevelhebbers was slecht. Het is mogelijk dat Gnaeus Scipio op enig moment gewond raakte tijdens een gevecht. De wond was echter niet fataal. en Scipio bleef in functie. Hij zou vervolgens de strijd hebben geleid vanuit een draagstoel (lecticula), wederom als we af mogen gaan op het relaas van Livius.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 261-262;
  • Andrew Lintott, The Constitution of the Roman Republic, p. 117-118.

Noten

[1] Deze kwalificatie wordt gebruikt in de Levens van Plutarchus, maar komt oorspronkelijk uit het werk van Poseidonios, dat verloren is gegaan.

[2] Zie voor een bespreking van de Romeinse tribus deze bijdrage onder ‘Electorale ontwikkelingen’ en deze bijdrage onder ‘De censors in actie’.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.