De Tweede Macedonische Oorlog: Het Jaar 197 BCE

(foto: PHGCOM/British Museum).

Samenvatting

  • Voor het eerst in hun geschiedenis kiezen de Romeinen zes praetors in plaats van vier; twee van hen worden naar de twee nieuwe Spaanse provincies gestuurd;
  • Het commando van Titus Quinctius Flamininus in de oorlog tegen Koning Philippos wordt verlengd;
  • De consul Gaius Cornelius Cethegus behaalt een grote overwinning op de Insubres; zijn collega Quintus Minucius Rufus voert operaties tegen de Liguriërs en de Boii uit;
  • De onderhandelingen tussen de Romeinen en hun bondgenoten aan de ene kant, en de Macedoniërs aan de andere kant lopen stuk; de Tweede Macedonische Oorlog sleept zich voort;
  • De Spartaanse tiran Nabis loopt over naar de Romeinen;
  • Romes trouwe bondgenoot Attalos van Pergamum raakt verlamd na een vermoedelijke beroerte; later dit jaar komt hij te overlijden;
  • Flamininus verslaat als proconsul Koning Philippos en zijn leger in de Slag bij Cynoscephalae;
  • De betrekkingen tussen de Romeinen en hun Aetolische bondgenoten raken steeds meer verzuurd door het gedrag van het laatstgenoemden;
  • Philippos verklaart zich bereid alle Romeinse eisen te accepteren; er wordt een wapenstilstand van vier maanden overeengekomen;
  • Lucius Quinctius, de broer van de proconsul, neemt Leukas in en onderwerpt Akarnanië.

Dit jaar kozen de Romeinen voor het eerst in hun geschiedenis zes praetors. De twee extra praetors – voorheen waren er vier van deze magistraten geweest – werden naar Spanje gestuurd om de twee recent ingestelde provincies te besturen, het Nabije en het Verre Spanje (Hispania Citerior en Hispania Ulterior). Marcus Sergius Silus, een verre voorvader van de beruchte revolutionair Catilina uit de eerste eeuw BCE, was een van de zes mannen die gekozen werden. Hij werd de stadspraetor en genoot vooral bekendheid omdat hij een ijzeren handprothese had. Marcus Porcius Cato werd naar Sardinië gestuurd om het eiland als praetor te besturen. Hij kweet zich uitstekend van zijn taak, joeg alle woekeraars van het eiland af en weigerde giften of steekpenningen van de Sardijnen aan te nemen. De praetor van het Verre Spanje, Marcus Helvius, raakte betrokken bij een ernstige opstand tegen het Romeinse gezag. De toestand in dit deel van Spanje ging zo rap achteruit, dat de Romeinen twee jaar later een consul naar de streek moesten sturen.

Gaius Cornelius Cethegus en Quintus Minucius Rufus waren de nieuwe consuls. Normaal gesproken zou één van hen naar Macedonië zijn gestuurd om het leger daar over te nemen, maar twee volkstribunen realiseerden zich dat de Romeinen de oorlog tegen Koning Philippos niet zouden winnen als ze ieder jaar hun aanvoerders bleven vervangen. De volkstribunen gebruikten dan ook hun vetorecht toen de nieuwe consuls lootjes wilden trekken om te bepalen wie welke provincie kreeg toegewezen. De Senaat besloot vervolgens beide mannen Italië als provincie te geven en het commando van Titus Quinctius Flamininus te verlengen om hem de gelegenheid te geven de Tweede Macedonische Oorlog tot een goed einde te brengen. Er werden nog een paar duizend versterkingen naar Griekenland gestuurd en de voormalige consuls Publius Sulpicius Galba en Publius Villius Tappulus werden als legaten aan de staf van Flamininus toegevoegd.

Operaties tegen de Kelten en Liguriërs

Keltische wapenrusting.

De nieuwe consuls rukten op naar het noorden voor de strijd tegen de Kelten en de Liguriërs. Er was een nieuwe alliantie tot stand gekomen tussen de Boii, de Insubres en de Cenomani, die potentieel erg gevaarlijk was. Het nieuwe bondgenootschap viel echter al snel weer uit elkaar toen de Boii hun eigen thuisland wilden beschermen en de Insubres weigerden om hun hulp te sturen. Nu de Boii voorlopig niet meer meededen, besloot de consul Cethegus gezanten te sturen naar de hoofdstad van de Cenomani, de stad Brixia (het huidige Brescia in Lombardije). De Cenomani waren eerder Romeinse bondgenoten geweest en binnen de stam bestond nog steeds een sterke pro-Romeinse partij die vooral aanhangers had onder de stamoudsten. Hoewel de gezanten van de consul er niet in slaagden hen te overtuigen direct naar de Romeinen over te lopen, werd niettemin afgesproken dat de Cenomani in de komende strijd passief zouden blijven of zelfs de Insubres zouden aanvallen als de kans daartoe zich voordeed.

Vervolgens kwam het inderdaad tot een gevecht. Toen het leger van de consul slaags raakte met de Insubres, werden de laatstgenoemden al snel op de vlucht gejaagd. Zij hadden de Cenomani in reserve gehouden omdat ze hun bondgenoten kennelijk niet volledig vertrouwden. Livius vertelt ons dat sommige van zijn bronnen beweren dat de Cenomani nu de Insubres van achteren aanvielen. Of dit nu waar is of niet, de Insubres werden in de pan gehakt en duizenden van hen werden gedood. Als de Carthaagse officier Hamilcar nog steeds met de Kelten meevocht[1], dan werd hij nu gevangen genomen en meegenomen naar Rome om te worden meegevoerd in de triomftocht van de consul. De andere consul had eerst operaties geleid tegen de Liguriërs in de buurt van Genua. Daarna was Minucius naar het oosten getrokken en was hij het gebied van de Boii binnengevallen. Deze hadden reeds gehoord van de nederlaag van de Insubres en besloten zich te verspreiden om hun velden en nederzettingen te verdedigen. Minucius slaagde er niet in ze te bewegen tot een geregelde veldslag, met als gevolg dat hij hun dorpen één voor één moest innemen.

De Romeinen waren bijzonder opgetogen vanwege hun successen tegen de Kelten en de Senaat gaf opdracht voor een openbaar dankfeest van vier dagen. Later dit jaar keerden de consuls terug naar Rome. Ze ontmoetten de Senaat in de Tempel van Bellona en vroegen gezamenlijk om een triomftocht. Twee volkstribunen verzetten zich echter tegen dit verzoek. Ze voerden aan dat Cethegus zeker een triomftocht verdiende, maar dat Minucius slechts een paar kleine schermutselingen had gewonnen tegen de Liguriërs en verder flink wat manschappen had verloren tegen de Boii. De volkstribunen dwongen de consuls om twee afzonderlijke verzoeken in te dienen. Het verzoek van Cethegus werd unaniem gehonoreerd, maar Minucius – die heel goed wist dat zijn verzoek door de Senaat zou worden afgewezen – verklaarde dat hij wel een privé triomftocht op de Mons Albanus zou houden.[2] De officiële triomftocht van Cethegus was een spectaculair gebeuren. Zijn strijdwagen werd voorafgegaan door een groot aantal vijandelijke standaards, buit en gevangen genomen Keltische edellieden. Dankbare burgers van Placentia en Cremona marcheerden achter de strijdwagen aan. Zij droegen de vilten muts (pilleus) van een vrijgelatene alsof ze zelf door de consul van de slavernij waren bevrijd.

De Tweede Macedonische Oorlog – Onderhandelingen

Terwijl hij nog in zijn winterkamp verbleef, werd de consul Titus Quinctius Flamininus benaderd door de Macedoniërs om te onderhandelen. De verkiezingen voor het consulaat waren nog niet gehouden en Flamininus had op dat moment nog geen flauw benul of zijn commando zou worden verlengd of niet (zie hierboven). Onderhandelingen waren daarom voor hem een aantrekkelijke optie. Als een nieuwe consul naar Griekenland werd gestuurd om hem te vervangen, kon hij snel vrede sluiten en de oorlog beëindigen. Als zijn imperium echter verlengd werd, kon hij altijd nog de vredesvoorwaarden van tafel vegen en proberen een beslissende veldslag te leveren. De strijdende partijen spraken af elkaar te ontmoeten bij Nikaia aan de Malische Golf. Koning Philippos was daar naartoe gevaren vanuit Demetrias, maar hij weigerde zijn schip te verlaten. Daarom spraken beide partijen met elkaar op een wat curieuze wijze: de koning staand op het voorsteven van zijn vlaggenschip – een oorlogsschip dat pristis[3] genoemd werd – en de consul met zijn bondgenoten op het strand. De consul herhaalde zijn eis dat de koning zijn troepen zou terugtrekken uit alle Griekse steden. Daarna spraken de Romeinse bondgenoten. De Pergameniërs, de Rhodiërs, de Achaeërs en de Aetoliërs legden allemaal hun eisen aan de koning op tafel.

Kaart van Griekenland (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Philippos reageerde scherp. Hij bespotte de Aetolische strategos vanwege diens slechte ogen en beweerde dat de meeste Aetoliërs niet eens Grieken waren. Zijn ironische humor viel kennelijk in de smaak bij de Romeinse bevelhebber, die voortdurend moest lachen. De onderhandelingen liepen echter op niets uit. De volgende dag leek het er lange tijd op dat de koning niet zou komen opdagen. Toen hij toch verscheen, verzocht hij om een persoonlijk onderhoud met Flamininus waarin hij enkele concessies deed. Deze waren echter niet acceptabel voor de bondgenoten, dus er werd een derde gesprek gepland dat bij Thronion zou moeten plaatsvinden. Daar werd een wapenstilstand van twee maanden bereikt, waarna alle partijen gezanten naar de Senaat in Rome stuurden. De Senaat luisterde naar alle betrokken partijen en de senatoren realiseerden zich al snel dat de hele zaak draaide om de status van de drie zogenaamde “ketenen van Griekenland”: Demetrias, Chalkis en Korinthe (of eigenlijk de citadel van de stad). Toen de Macedonische gezanten werd gevraagd of ze bereid waren deze steden te ontruimen, antwoordden ze dat ze geen mandaat hadden gekregen om die concessie te doen. Het gevolg was dat er geen vredesovereenkomst werd bereikt. Het imperium van Flamininus werd verlengd (zie hierboven) en hij kreeg toestemming om de oorlog te vervolgen.

De Tweede Macedonische Oorlog – aanloop naar de Slag bij Cynoscephalae

Kretenzische boogschutter (bron: Europa Barbarorum).

Koning Philippos had dringend behoefte aan bondgenoten. In een wanhopige poging om de Spartaanse tiran Nabis te paaien had hij ermee ingestemd om tijdelijk de stad Argos aan hem over te dragen. Nabis bleek echter zeer onbetrouwbaar te zijn, want hij liep vrijwel direct over naar het pro-Romeinse kamp. De Achaeërs en de Spartanen waren nog steeds formeel met elkaar in oorlog, dus Flamininus gaf hun allereerst het bevel om een bestand van vier maanden te sluiten. Vervolgens gaf hij de tiran de opdracht om de Romeinen hulptroepen te leveren in ruil voor een vriendschapsverdrag. Nabis stuurde de Romeinen daarop 600 Kretenzische huurlingen. Toen Flamininus ook alle steden in Boeotië aan zijn kant wist te krijgen, begon het er wel heel somber uit te zien voor Philippos. En toch kregen de Romeinen met één enorme tegenslag te maken: tijdens onderhandelingen in Thebe was hun trouwe bondgenoot Koning Attalos van Pergamum plotseling in elkaar gezakt. Attalos was al 72 jaar oud en als gevolg van zijn ziekte (waarschijnlijk een beroerte) raakte hij verlamd.[4] Flamininus regelde goede zorg voor de koning alvorens terug te keren naar zijn kamp bij Elateia.

In Macedonië was de koning al begonnen met het rekruteren van jongens van zestien en veteranen om zijn leger te versterken. Hij verzamelde en trainde zijn strijdkrachten bij Dion, en Livius beweert dat dit plaatsvond rond de lente-equinox, dus tegen het einde van maart. Het leger van Philippos bestond uit 16.000 falangisten die werden gesteund door 2.000 peltasten, 4.000 Thraciërs en Illyriërs, 1.500 huurlingen en 2.000 ruiters. Al met al beschikte de koning dus over een leger van zo’n 25.500 man. Volgens Livius en Plutarchus was het Romeinse leger ongeveer even groot. Mogelijk was het echter juist iets groter dan dat van de koning. Flamininus zelf stond aan het hoofd van een consulair leger op volle sterkte, dus van zo’n 20.000 Romeinen, Latijnen en Italiaanse bondgenoten. Dit leger werd nog versterkt door 6.400 Aetoliërs, 500 Kretenzers uit Gortys (wellicht de troepen die Nabis had geleverd), 600 manschappen uit Apollonia in Epirus (een Romeins protectoraat sinds de Eerste Illyrische Oorlog) en 1.200 infanteristen van Koning Amynandros van de Athamanen. In totaal komen we dan uit op 28.250 manschappen, dus de Romeinen hadden waarschijnlijk meer soldaten dan de Macedoniërs, al waren het er niet heel veel meer.

Beide legers trokken Thessalië binnen. Eerst moesten ze elkaar nu zien te lokaliseren, wat in de Oudheid altijd lastig was. In de buurt van Pherai in het zuidoosten van Thessalië kwam het tot een kort treffen tussen de ruiterij van beide partijen. De Romeinen en hun bondgenoten hadden hierin de overhand, maar omdat het terrein niet geschikt was voor een geregelde veldslag verlieten de beide aanvoerders de streek en trokken – zonder dat ze dit van elkaar wisten – naar het westen in richting van Skotoussa. Philippos hoopte daar graan te vinden om zijn leger te voeden en de proconsul wilde dit juist verwoesten voordat de koning er beslag op kon leggen. Nog steeds volstrekt onbekend met elkaars aanwezigheid marcheerden de twee legers ieder aan één kant van een heuvelrug die bekendstond als de Hondenkoppen (Cynoscephalae; omdat het om een beroemde plaats gaat, zal ik hier de gelatiniseerde versie van de naam gebruiken). Eind mei of begin juni sloeg de koning daar ten noorden van de heuvelrug zijn kamp op. Het kamp van de proconsul lag er juist ten zuiden van. Het weer was bar slecht. Het regende en er hing een zware mist. Philippos besloot een aantal manschappen de heuvel op te sturen, en omdat grote geesten dezelfde gedachten hebben, besloot Flamininus hetzelfde te doen.

De Tweede Macedonische Oorlog – De Slag bij Cynoscephalae

Replica van een Romeinse gladius (links).

De manschappen van de koning bereikten als eersten de top van de heuvelrug. Ze waren verbijsterd toen ze plotseling de Romeinse verkenningseenheid zagen naderen. Beide partijen hadden er waarschijnlijk verstandig aan gedaan zich terug te trekken. Het terrein was abominabel slecht voor een geregelde veldslag, want het was rotsachtig en steil. De verkenners gingen echter het gevecht met elkaar aan en daarmee was de Slag bij Cynoscephalae begonnen. Omdat de Macedoniërs als eersten de top bereikt hadden, konden zij heuvelafwaarts vechten en al snel begonnen ze de Romeinen terug te dringen. Herauten spoedden zich naar de proconsul, die onmiddellijk versterkingen stuurde. Deze versterkingen bestonden voornamelijk uit Aetoliërs en het lijkt erop dat ze uitzonderlijk goed vochten.[5] Nu waren het de manschappen van de koning die werden teruggedreven. Zo rond deze tijd was de mist grotendeels opgetrokken, en Philippos gaf het bevel aan het grootste gedeelte van zijn huurlingen en hulptroepen om zijn onder druk staande troepen te hulp te schieten. Ook stuurde de koning zijn Macedonische en Thessalische ruiterij de strijd in. De Romeinen en hun bondgenoten werden weer van de heuvelrug verdreven, maar de Aetolische ruiters dekten de aftocht op voortreffelijke wijze. De Romeinen konden daardoor zodra ze de vallei bereikt hadden hun slaglinie herstellen.

Beide bevelhebbers zetten nu – aarzelend en onwillig vanwege het slechte terrein – hun hele leger in. Ze hadden dit slagveld niet uitgekozen, maar nu de strijd gaande was, hadden ze geen andere keus dan het gevecht af te maken totdat er een winnaar zou zijn. De Romeinse linkervleugel bereikte de troepen die in de vallei vochten en slaagde erin de huurlingen, hulptroepen en ruiters van de koning weer de heuvel op te drijven. Nu hadden echter de kerntroepen van Philippos, zijn piekeniers, de top van de kam bereikt. Zij stelden zich snel op een in dichte falanx, lieten hun sarissa’s zakken en stormden ondersteund door de peltasten de heuvel af. Hoewel het rotsachtige terrein verre van ideaal moet zijn geweest, vochten de Macedoniërs wederom heuvelafwaarts. Ze waren bovendien opgesteld in een zeer diepe formatie en de Romeinse linkervleugel bleek niet in staat hun aanval af te stoppen. Een groot aantal Romeinen werd gedood en de rest begon zich terug te trekken. Op dat moment had Flamininus de veldslag kunnen verliezen, maar de Romeinse bevelhebber wist zijn zenuwen in bedwang te houden.

Flamininus realiseerde zich dat hij de veldslag moest winnen met zijn rechtervleugel. Dit gedeelte van zijn leger was waarschijnlijk al voorbij de Macedonische falanx getrokken die de Romeinse linkervleugel terugdreef. Toen de rechtervleugel dicht bij de top van de heuvelrug was aangekomen, trof zij daar de eenheden van de Macedonische linkervleugel aan die nog in marscolonne waren opgesteld. Deze manschappen werden slecht geleid en de proconsul viel ze meteen aan met zijn olifanten. De enorme beesten joegen de vijand bijna direct op de vlucht. De Macedoniërs renden weg terwijl het grootste gedeelte van de Romeinse rechtervleugel hen op de hielen zat. Als de Romeinen hun vluchtende vijanden waren blijven achtervolgen, dan was de Slag bij Cynoscephalae vermoedelijk onbeslist geëindigd. Beide partijen hadden dan elkaars linkervleugel verslagen. Een slimme krijgstribuun nam echter twintig manipels onder zijn hoede – zo’n 2.400 man – en rukte daarmee op naar links. Zo verscheen hij achter de troepen van de koning van de Macedonische rechtervleugel. De nog verse manipels vielen de piekeniers vervolgens van achteren aan. De Macedonische falanx was buitengewoon inflexibel en de piekeniers waren niet in staat deze nieuwe dreiging het hoofd te bieden. Nu ze van twee kanten aangevallen werden, werd de hechte opstelling van de falangisten al snel doorbroken. Nadat velen van hen gesneuveld waren, bezweek de Macedonische slaglinie en vluchtten de manschappen alle kanten op.

De Slag bij Cynoscephalae was nu voorbij. Het was een bloederig gevecht geweest. De Romeinen en hun bondgenoten hadden slechts 700 manschappen verloren, maar er waren 8.000 Macedoniërs gesneuveld en 5.000 gevangen genomen. Philippos was meer dan de helft van zijn leger kwijt. Flink wat Macedoniërs hadden het leven verloren als gevolg van een ongelukkig incident (als het al een incident was). Enkele eenheden piekeniers hadden hun sarissa’s omhoog gehouden, wat het traditionele teken voor hun overgave was. De Romeinen kenden dit Macedonische gebruik echter niet. Hoewel het ter plekke nog aan Flamininus werd uitgelegd, hadden sommige van diens soldaten al de aanval geopend en de meeste van hun weerloze tegenstanders gedood.

De Tweede Macedonische Oorlog – De Slag bij Cynoscephalae

Op het moment dat hij zich realiseerde dat de strijd verloren was, had Koning Philippos met een deel van zijn infanterie en ruiterij het slagveld verlaten en was hij naar Larisa vertrokken. Hij verzamelde achterblijvers en gaf opdracht om de koninklijke archieven in Larisa in brand te steken. Philippos was namelijk bang dat de documenten als bewijs tegen hem gebruikt zouden worden. Vervolgens stuurde hij een heraut naar Flamininus. Die moest de proconsul om een bestand vragen zodat de koning zijn doden kon begraven en gezanten kon stuurden om over de voorwaarden voor vrede te spreken. Flamininus stemde in met een wapenstilstand van vijftien dagen en er werd afgesproken dat alle partijen elkaar zouden ontmoeten in het Tempedal.

Munt van Titus Quinctius Flamininus (foto: PHGCOM/British Museum).

Flamininus riep vervolgens de Romeinse bondgenoten bij elkaar om te peilen welke vredesvoorwaarden voor hen acceptabel zouden zijn. Tijdens de bijeenkomst kreeg de proconsul ruzie met de Aetoliërs, aan wier arrogante gedrag hij zich buitengewoon stoorde. De betrekkingen tussen de Romeinen en de Aetoliërs waren al enige tijd aan het verslechteren. Na de veldslag hadden de Romeinen het kamp van de koning bestormd, maar daar kwamen ze erachter dat het al geplunderd was door Aetolische troepen. De Aetoliërs hadden beslist een bijdrage aan de zege geleverd, maar ze gedroegen zich alsof zij – en alleen zij – Koning Philippos hadden verslagen. Flamininus was ook diep beledigd door een epigram dat was geschreven door de dichter Alkaios van Messene. Daarin werd gesuggereerd dat Emathia – de oude naam van Macedonië – allereerst was verslagen door de Aetoliërs en daarna pas door “Latijnen, door Titus uit het wijde Italië meegevoerd”.[6] De Aetoliërs begonnen nu te eisen dat Philippos zou worden afgezet of gedood. Flamininus wilde echter na zijn zege grootmoedig zijn. Hij was ervan overtuigd dat Macedonië moest blijven voortbestaan om de machtsbalans in de regio niet te verstoren. Het koninkrijk kon dienen als een nuttige bufferstaat tegen invallen van de Illyriërs, Thraciërs en Kelten. De proconsul deelde zelfs een reprimande uit aan de Aetolische strategos toen de man hem in de rede viel.

De volgende dag troffen de partijen elkaar in het dal. Philippos verklaarde dat hij alle voorwaarden van de Romeinen zou accepteren, inclusief dat eis dat hij heel Griekenland zou ontruimen. Wederom bleken de Aetoliërs een stelletje lastpakken te zijn: zij beweerden dat een aantal steden zich onder Romeinse bescherming had geplaatst, en volgens een overeenkomst uit de Eerste Macedonische Oorlog zouden ingenomen steden eigendom van de Aetoliërs worden. Flamininus deelde hun echter botweg mee dat de betreffende steden niet waren ingenomen en dat de genoemde overeenkomst sowieso niet meer geldig was. De Aetoliërs hadden de Romeinen immers destijds in de steek gelaten door in 206 BCE apart vrede te sluiten met Koning Philippos. Vervolgens werd de koning een wapenstilstand van vier maanden gegund. De koning droeg direct zijn zoon Demetrios en een aantal van diens vrienden als gijzelaars over. Ook betaalde hij 200 talenten zilver.

Philippos had niet alleen bij Cynoscephalae een nederlaag geleden. Ongeveer tezelfdertijd was een van zijn generaals in de buurt van Korinthe verslagen door een leger van de Achaeïsche Bond. Ook in Klein-Azië waren Achaeïsche soldaten actief. Daar hielpen ze de Rhodiërs bij het verslaan van een andere generaal van Philippos en bij het heroveren van delen van de Rhodische Peraia in Karië. Lucius Quinctius, de broer van de proconsul, had in de tussentijd Akarnanië onderworpen, de streek ten westen van Aetolië die als laatste regio nog trouw was aan de koning. Nadat diplomatieke toenaderingen geen resultaat hadden gehad, had Lucius de Akarnanische hoofdstad Leukas (het huidige Lefkada) laten bestormen. De burgers van de stad hadden fel verzet geboden, maar Italianen die in Leukas woonden hadden in het geheim Romeinse soldaten de citadel binnengelaten. Lucius had daarna de overgebleven verdedigers op het forum omsingeld en vele van hen gedood voordat de rest zich overgaf. Enkele dagen later beheersten de Romeinen heel Akarnanië.

Drie Koningen

Koning Attalos I van Pergamum (foto: Nicolás Pérez, CC BY-SA 3.0 license).

Het jaar 197 BCE was voor Philippos een rampjaar geweest. Hij was zijn leger en zijn laatste bondgenoten kwijtgeraakt en ook zijn generaals waren verslagen. De koning had echter nog niets van zijn energie verloren. Toen de Dardani een inval in Noord-Macedonië deden en meenden dat ze daar een gemakkelijke overwinning konden behalen, slaagde Philippos erin een kleine strijdmacht te verzamelen waarmee hij de indringers bij Stoboi in Paionië een vernietigende nederlaag toebracht. Zijn troon was op dit moment nog veilig.

Ondertussen was Koning Attalos in Pergamum gestorven. Hij had 44 jaar op de troon gezeten (van 241 tot 197 BCE). Zijn opvolger was zijn zoon Eumenes II, die al snel te maken kreeg met een derde koning die actief was in de regio, te weten Antiochos III de Grote, heerser over het Seleucidenrijk. Tot dan toe was de Vijfde Syrische Oorlog die Antiochos tegen de Ptolemaeën van Egypte voerde een groot succes geweest. Nu richtte hij zich op de Ptolemaeïsche bezittingen in Klein-Azie ten westen van het Taurusgebergte. Dit jaar of het volgende slaagde hij erin Ephesos in Ionië te veroveren. Daarmee was hij dicht bij de gebieden van Pergamum en Rhodos gekomen en die werden daar om begrijpelijke redenen tamelijk nerveus van. Ongetwijfeld waren ze alweer aan het nadenken over een beroep op de Romeinen. Hoewel de betrekkingen tussen Rome en het Seleucidenrijk niet slecht waren en in eerdere jaren Romeinse diplomatieke inspanningen succes hadden gehad, leek het erop dat een nieuwe oorlog op de loer lag. Plutarchus beweert zelf dat dit een van de redenen was waarom Flamininus erop gebrand was vrede te sluiten met Macedonië. Helemaal onmogelijk is dat niet, maar we moeten hierbij wel in ons achterhoofd houden dat Plutarchus, die zo’n drie eeuwen later schreef, terug in de geschiedenis kon kijken.

Bronnen

Primaire bronnen

Noten

[1] Livius had hem reeds aangemerkt als gesneuveld tijdens een ander treffen in 200 BCE.

[2] Dit was een soort alternatieve triomftocht die door de triomferende generaals zelf betaald werd.

[3] Het woord betekent ‘zaagvis’ in het Grieks.

[4] Cassius Dio beweert dat hij midden in zijn speech de geest gaf, maar het is waarschijnlijk beter om van de versie van Livius uit te gaan. Die stelt dat hij later dit jaar in Pergamum stierf.

[5] Er is wel gesuggereerd dat Polybius, onze belangrijkste bron voor de veldslag, zelf gebruik maakte van Aetolische bronnen en contacten toen hij zijn verslag van het treffen schreef. Deze bronnen en contacten overdreven natuurlijk de Aetolische rol in de slag.

[6] Plutarchus, Het Leven van Titus Flamininus 9.2 (vertaling H.W.A. van Rooijen-Dijkman). Cassius Dio, die in de derde eeuw CE schreef, meende eveneens dat de Romeinen dankzij de Aetoliërs hadden gewonnen (Fragmenten van Boek XVIII).

4 Comments:

  1. Pingback:De Dood van Flamininus: Het Jaar 174 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback:De Romeins-Syrische Oorlog: Het Jaar 192 BCE – – Corvinus –

  3. Pingback:Cato in Spanje: Het Jaar 195 BCE – – Corvinus –

  4. Pingback:Cato de Censor: Het Jaar 184 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.