Het Proces tegen Lucius Scipio: Het Jaar 187 BCE

Samenvatting

  • Dood van Koning Antiochos III de Grote van het Seleucidenrijk;
  • Rome wordt getroffen door een epidemie;
  • Marcus Fulvius Nobilior krijgt ondanks tegenstand van de consul Marcus Aemilius Lepidus toestemming om een triomftocht te houden voor zijn overwinningen in Griekenland;
  • Na een lang debat in de Senaat wordt aan Gnaeus Manlius Vulso een triomftocht toegekend voor zijn overwinningen op de Galaten;
  • De Romeinen hebben te maken met verschillende problemen in Griekenland;
  • Lucius Cornelius Scipio Asiaticus wordt vervolgd en veroordeeld vanwege verduistering van overheidsgeld;
  • De consuls Marcus Aemilius Lepidus en Gaius Flaminius voeren operaties uit tegen de Ligurische stammen;
  • Gaius Flaminius begint met de aanleg van de Via Flaminia minor tussen Bononia en Arretium;
  • Marcus Aemilius Lepidus begint met de aanleg van de Via Aemilia tussen Ariminum en Placentia;
  • De praetor Marcus Furius krijgt een reprimande voor het ontwapenen van de Cenomani;
  • De Senaat dwingt 12.000 Latijnen om Rome te verlaten en terug te keren naar hun Latijnse gemeenschappen.

Dit jaar stierf de meeste formidabele tegenstander van de Romeinen van de afgelopen jaren, Koning Antiochos III de Grote van het Seleucidenrijk. De koning overleed tijdens een nieuwe veldtocht in Luristan en werd opgevolgd door zijn tweede zoon Seleukos, die de troon besteeg als Seleukos IV Philopator (187-175 BCE). De nieuwe koning zou de Romeinen geen last bezorgen. De oorlog in het Oosten was voorbij en het zegevierende Rome kon zich nu gaan richten op problemen die zich dichter bij huis afspeelden, en op het moeras dat Griekenland heette.

Geen triomftocht?

De nieuwe consuls, Marcus Aemilius Lepidus en Gaius Flaminius, waren aan het begin van het jaar gekozen (18 februari volgens de Romeinse kalender, maar 17 oktober van het jaar daarvoor volgens de onze). Beiden kregen Ligurië als hun provincie toegewezen. De geruchten dat er in dat gedeelte van het Italiaanse schiereiland een nieuwe oorlog op de loer lag, werden namelijk steeds sterker. Ligurië was bepaald geen populaire provincie. De streek was straatarm, er kon maar weinig buit worden behaald, het terrein was lastig en de vijanden waren dapper en moeilijk te verslaan. Dit was waarschijnlijk ook de voornaamste reden dat de consul Lepidus protesteerde tegen de beslissing van de Senaat. Het was duidelijk dat de consul veel liever naar het Oosten gestuurd wilde worden, waar de omstandigheden aangenamer waren en de kans op een rijke buit veel groter. De Senaat hoorde de argumenten van Lepidus aan, maar besloot bij zijn eerdere beslissing te blijven: de consuls werden allebei belast met de oorlog tegen de Liguriërs.

Overblijfselen van de Tempel van Apollo uit de tijd van Augustus.

In zijn speech in de Senaat had Lepidus vooral kritiek geleverd op Marcus Fulvius Nobilior, de man die in 189 BCE Ambrakia in Griekenland had ingenomen en het jaar daarop de stad Same op Kephallenia. Lepidus en Nobilior waren oude vijanden. Eerstgenoemde meende dat laatstgenoemde in de jaren daarvoor zijn pogingen om consul te worden had gedwarsboomd (Nobilior had de relevante verkiezingen geleid). Lepidus zorgde er nu voor dat gezanten uit Ambrakia de Senaat werden binnengeleid om te klagen over de behandeling van hun stad door Nobilior. Nobilior, die nog in het buitenland was, werd echter verdedigd door de andere consul, Flaminius. Het gevolg was dat de Senaat niet tot een besluit kon komen. Toen werd Flaminius echter ziek. Lepidus maakte daar gebruik van door snel een voorstel in te dienen om de inwoners van Ambrakia hun bezittingen (met uitzondering van schatten die uit tempels waren gestolen) terug te geven en hun toestemming te verlenen onder hun eigen wetten te leven. Dit voorstel werd aanvaard, al kwam dat uitsluitend omdat veel senatoren afwezig waren. Dit jaar werd Rome hard getroffen door een of andere epidemie en deze kan ook invloed hebben gehad op het aantal aanwezigen tijdens Senaatsvergaderingen.

Marcus Fulvius Nobilior keerde later dit jaar in Rome terug. Tijdens een zitting in de Tempel van Apollo verzocht hij de Senaat hem een triomftocht toe te kennen. Een van de volkstribunen dreigde echter dat hij zijn veto zou uitspreken als de Senaat een beslissing zou nemen voordat de consul Lepidus uit zijn provincie was teruggekeerd. Het was duidelijk dat Lepidus zich tegen de toekenning van een triomftocht wilde verzetten. Gelukkig voor Nobilior slaagde een volkstribuun genaamd Tiberius Sempronius Gracchus – vader van de Gracchen – erin de andere volkstribuun op andere gedachten te brengen. Het gevolg was dat de Senaat Nobilior de door hem verlangde triomftocht gunde. Volgens Livius wilde hij die in januari van het volgende jaar houden, maar besloot hij de datum naar voren te halen – naar 21 december – toen hij hoorde dat Lepidus op weg naar Rome was om te proberen de triomftocht te verhinderen. Vanwege de verschillen tussen onze kalender en die van de Romeinen werd de triomftocht in werkelijkheid waarschijnlijk ergens aan het einde van de zomer gehouden.

Het Senaatsgebouw – de Curia – op het Forum Romanum.

Er werd ook lang in de Senaat gedebatteerd over de vraag of Gnaeus Manlius Vulso een triomftocht verdiende vanwege zijn overwinningen op de Galaten. Een meerderheid van de decemviri – die naar de regio waren gestuurd om de details van de vredesovereenkomst met Koning Antiochos in te vullen en vervolgens de consul Vulso te ondersteunen – was van mening dat dit niet het geval was. Volgens hen was Vulso deze oorlog begonnen zonder mandaat van de Senaat of het volk. Verder was de terugtocht door Thracië op een fiasco uitgelopen en was zelfs een van de decemviri gedood door de stammen die in die streek woonden. Vulso bepleitte zijn zaak echter met kracht van argumenten. Na een urenlang debat zag de Senaat zich gedwongen de zitting te schorsen en het nemen van een besluit uit te stellen omdat de dag al voorbij was en de beschikbare vergadertijd dus verstreken. De volgende dag slaagden Vulso’s familieleden en vrienden erin veel van de twijfelende senatoren ervan te overtuigen om de voormalige consul alsnog te steunen. De oudste, meest gezaghebbende senatoren stonden toen al aan zijn kant. Een grote meerderheid besloot Vulso alsnog een triomftocht toe te kennen. Deze zou hij op 5 maart van het volgende jaar houden (volgens onze kalender was het waarschijnlijk nog 187 BCE).

Griekse zaken

Voordat ze naar hun provincie konden vertrekken, waren de consuls genoodzaakt te luisteren naar klachten van Spartaanse gezanten. Vorig jaar was de Achaeïsche strategos Philopoimen Laconië binnengevallen. Hij had Sparta’s stadsmuren afgebroken en een deel van het grondgebied van de stad aan Megalopolis geschonken. Pro-Achaeïsche ballingen mochten terugkeren naar de stad en tussen de 80 en 350 anti-Achaeïsche Spartanen waren geëxecuteerd tijdens een voorval dat bekend kwam te staan als het ‘Bloedbad bij Kompasion’. Het belangrijkste was misschien nog wel dat Philopoimen ook Sparta’s oude constitutie, die van oudsher werd toegeschreven aan de negende-eeuwse koning Lykourgos, had afgeschaft. Hetzelfde gold voor het opleidingssysteem voor jongens dat de agoge werd genoemd. De Spartanen hadden dus beslist reden te klagen, maar het Romeinse antwoord getuigde van ernstige onverschilligheid. De consul Lepidus stuurde uiteindelijk een halfzachte brief naar de Achaeërs met de mededeling dat ze verkeerd hadden gehandeld, maar meer zat er niet in.

Korinthische helm (Allard Pierson Museum, Amsterdam).

Ongeveer tegelijkertijd waren er problemen in Boeotië. Hier probeerde Titus Quinctius Flamininus de terugkeer van een pro-Romeinse politicus genaamd Zeuxippos af te dwingen. Dat was niet gemakkelijk, want de anti-Romeinse partij in Boeotië liet de man veroordelen voor diefstal uit een tempel en voor zijn beweerde betrokkenheid bij de moord op Brachylles in 196 BCE. Uiteindelijk vroeg de Senaat de Aetoliërs en Achaeërs om de nodige druk op hun buren uit te oefenen opdat Zeuxippos terug kon keren. Dit verzoek leidde begrijpelijkerwijs tot spanningen, vooral tussen de Achaeërs en de Boeotiërs. En dat was nog niet alles. Tijdens de oorlog met Antiochos de Grote had Philippos V van Macedonië zonder toestemming van de Romeinen steden in Thracië en Thessalië geannexeerd. Er was echter geen beslissing genomen over de vraag wat na afloop van de oorlog met deze steden moest gebeuren. Philippos wilde ze natuurlijk houden, maar vond Koning Eumenes van Pergamum en verschillende anderen op zijn pad. De Senaat besloot weer eens een delegatie van drie mannen onder leiding van Quintus Caecilius Metellus naar de regio te sturen om de activiteiten van de koning in de gaten te houden. En dat leidde weer tot spanningen tussen Rome en Macedonië.

Het proces van Lucius Scipio

Een van de belangrijkste gebeurtenissen van dit jaar was zonder meer het proces tegen Lucius Cornelius Scipio, de man die – geholpen door zijn beroemdere oudere broer Publius – drie jaar eerder bij Magnesia een grote zege had behaald op Antiochos. Het proces was vrijwel zeker politiek gemotiveerd en het heeft er alle schijn van dat een van de drijvende krachten erachter een oude vijand van de Cornelii was, namelijk Marcus Porcius Cato. Cato’s verstandhouding met Lucius’ broer Scipio Africanus was al slecht sinds 204 BCE, het jaar waarin Cato als quaestor onder Scipio diende. Lucius werd nu beschuldigd van verduistering van overheidsmiddelen: geld dat was betaald door Koning Antiochos zou niet in de schatkist zijn gedeponeerd. Dat was in elk geval wat de volkstribunen die als aanklagers optraden de volksvergadering wilden doen geloven. Het is lastig in te schatten of er iets klopte van de beschuldigingen. Het relaas van Livius is onze enige bron voor het proces, en helaas is dit hopeloos warrig (wat de auteur zelf ook toegeeft). Hoewel Livius stelt dat eerst Scipio Africanus werd vervolgd, is het veel aannemelijker dat éérst dit jaar het proces tegen Lucius plaatsvond en pas in 185 of 184 BCE het proces tegen Africanus (op basis van dezelfde aanklacht). Het lijkt erop dat Africanus zich in Etrurië bevond toen zijn broer voor het eerst beschuldigd werd van verduistering.

Landbouwgrond in Toscane.

Ook twee legaten van Lucius werden vervolgd, net als zijn quaestor, twee secretarissen (scribae) en zijn persoonlijk assistent (accensus). De secretarissen, de assistent en één legaat werden al snel vrijgesproken, maar voor Lucius, de legaat Aulus Hostilius Cato en de quaestor Gaius Furius Aculeo was een veroordeling onontkoombaar. Alle drie werden ze veroordeeld wegens het achterhouden van grote hoeveelheden goud en zilver. Lucius kreeg het bevel een groot bedrag in de schatkist te storten en een praetor dreigde hem te arresteren als hij het benodigde geld niet had. De volkstribuun Gracchus stak hier echter een stokje voor. Gracchus verklaarde dat hij de praetor niet zou tegenhouden als die het benodigde bedrag bijeen wilde brengen door beslag te leggen op goederen van Lucius, maar voegde daaraan toe dat hij iedere poging om de oud-consul te arresteren met zijn veto zou treffen. De praetor legde vervolgens beslag op een groot deel van Lucius Scipio’s bezit. Hoewel dit een zware financiële klap voor Lucius moet zijn geweest, leidde deze actie niet tot zijn faillissement. Lucius bleef politiek actief en zou in 184 BCE proberen censor te worden. Hij verloor toen de verkiezingen van Cato, de man die vermoedelijk verantwoordelijk was voor de tegen Lucius gevoerde rechtszaak (merk op dat Cato in 189 BCE soortgelijke beschuldigingen had geuit tegen Manius Acilius Glabrio).

Militaire operaties

Nadat ze alles in Rome geregeld hadden, vertrokken de consuls naar hun gedeelde provincie, Ligurië. De lichtbewapende en zeer beweeglijke Liguriërs maakten optimaal gebruik van het rotsachtige terrein om bliksemsnelle aanvallen op de Romeinse colonnes uit te voeren. Beide consuls waren echter goed voorbereid op dit type oorlogsvoering. Hoewel de Romeinen er dit jaar niet in slaagden hun tegenstanders tot een geregelde veldslag te dwingen, was de veldtocht niettemin een succes. Flaminius wist de Friniates en de Apuani te verslaan, te ontwapenen en voorlopig onder Romeins gezag te brengen. De andere consul, Lepidus, brandde op de Ligurische vlaktes en in de valleien gewassen en dorpen plat. Het lijkt erop dat beide magistraten genoeg tijd over hadden om ook andere dingen te ondernemen. Flaminius gaf zijn manschappen de opdracht een weg aan te leggen van de jonge kolonie Bononia naar Arretium. Deze weg wordt soms de Via Flaminia minor genoemd, teneinde hem te onderscheiden van de beroemdere Via Flaminia die door de vader van de consul in 220 BCE werd aangelegd. De nieuwe weg die Bononia met Arretium verbond zal aanvankelijk belangrijk zijn geweest, maar later nam dit belang aanzienlijk af en was er veeleer sprake van een lokale weg. Dat gold niet voor de weg die dit jaar door de andere consul werd aangelegd, de Via Aemilia. Deze kwam tot stand dankzij de manschappen van Lepidus en verbond de kolonies Ariminum en Placentia met elkaar. Niet veel later zouden er langs deze nieuwe weg ook nieuwe kolonies worden gesticht (zie 183 BCE).

Kaart van Noord-Italië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Eveneens dit jaar kreeg de praetor Marcus Furius een reprimande voor de wijze waarop hij de Cenomani had behandeld. Deze Keltische stam, met als hoofdstad Brixia (het huidige Brescia), stond erom bekend trouw te zijn aan de Romeinen. De Cenomani waren in 200 BCE en 197 BCE kortstondig in opstand gekomen, maar nu leefden ze alweer tien jaar lang in vrede met de Romeinen. Niettemin had de praetor zonder enige aanleiding besloten ze te ontwapenen. De Cenomani beklaagden zich hierover bij de Senaat, die hun klacht gegrond verklaarde en Furius de opdracht gaf de wapens te retourneren en zijn provincie te verlaten. 187 BCE was een druk jaar voor de Senaat, want hij moest zich ook bezighouden met klachten van de Latijnse bondgenoten van de Romeinen. Veel Latijnse mannen hadden hun eigen gemeenschappen verlaten en zich in Rome gevestigd. Dat was op zichzelf niet illegaal (er gold in principe een ius migrationis), maar het leidde wel tot ontvolking van de Latijnse steden. Ook voor Rome was dat nadelig, want hierdoor konden de Latijnen moeilijker voldoen aan hun verplichting om soldaten te leveren voor het Romeinse leger. Uiteindelijk besloot de Senaat dat zo’n 12.000 Latijnen de stad moesten verlaten en moesten terugkeren naar hun steden van herkomst.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, In the Name of Rome, p. 77-78.

3 Comments:

  1. Pingback:Cato de Censor: Het Jaar 184 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback:Aquileia: Het Jaar 181 BCE – – Corvinus –

  3. Pingback:Gracchus in Spanje: Het Jaar 179 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your e-mail address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.