Relatieve Rust: Het Jaar 185 BCE

Samenvatting

  • Lucius Manlius Acidinus houdt een ovatio vanwege zijn overwinningen in het Nabije Spanje;
  • De consuls Appius Claudius Pulcher en Marcus Sempronius Tuditanus leveren strijd met de Ligurische stammen;
  • De praetor Lucius Postumius slaat een slavenopstand in Apulië neer;
  • Na een aanvankelijke tegenslag verslaan de praetors Gaius Calpurnius Piso en Lucius Quinctius de Keltiberische Carpetani;
  • Romeinse gezanten eisen van Koning Philippos van Macedonië dat deze zijn garnizoenen terugtrekt uit steden in Griekenland en Thracië; dit leidt tot spanningen tussen Rome en Macedonië;
  • Het verzoek van Quintus Caecilius Metellus tot het houden van een plenaire vergadering van de Achaeïsche Bond wordt afgewezen, hetgeen leidt tot een diplomatieke rel tussen Rome en de Bond.

Het proces tegen Scipio Africanus vanwege verduistering van overheidsmiddelen zou in 185 BCE plaatsgevonden kunnen hebben. Ik vind het echter aannemelijker dat de rechtszaak in 184 BCE werd gehouden en zal de zaak dan ook voor het volgende jaar bespreken. Dit jaar was er een van relatieve rust voor de Romeinen. De propraetor van Hispania Citerior, Lucius Manlius Acidinus, keerde terug naar Rome en had daar een ontmoeting met de senatoren in de Tempel van Bellona. Zijn verzoek om een grote triomftocht te mogen houden werd afgewezen, maar hij kreeg wel een kleine triomftocht of ovatio toegekend. Beide consuls, Appius Claudius Pulcher en Marcus Sempronius Tuditanus, kregen Ligurië als hun provincie. Eerstgenoemde leverde met succes strijd met de stam van de Ingauni en laatstgenoemde versloeg de Apuani. Er werd een beroep gedaan op de praetor Lucius Postumius om een slavenopstand (motus servilis) in Apulië neer te slaan, maar de enige oorlog van betekenis werd dit jaar in Spanje uitgevochten. Daarbij rekenen we de gebruikelijke verbale oorlog met betrekking tot de situatie in Griekenland maar niet mee.

Spanje

Livius doet tamelijk gedetailleerd verslag van de oorlog die dit jaar in Spanje werd gevoerd. Niet alle details zullen kloppen, maar de grote lijnen zijn waarschijnlijk wel juist. In de lente verlieten de praetors Gaius Calpurnius Piso en Lucius Quinctius met hun troepen hun winterkampen. De legers werden samengevoegd en begonnen een offensief tegen de Carpetani, een Keltiberische stam. Een eerste treffen met de vijand vond plaats in de buurt van Dipo (locatie onbekend) en Toletum (het huidige Toledo). Een Romeinse eenheid foerageurs raakte slaags met eenzelfde eenheid van de Carpetani. Al snel gooiden beide partijen meer troepen in strijd. De Romeinen werden verslagen en teruggedreven naar hun kamp, dat ze midden in de nacht verlieten. Toen de Carpetani de volgende dag het kamp aanvielen, troffen ze het leeg aan.

Kaart van Spanje (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

De nederlaag was een tegenslag voor de Romeinen, mede omdat ze flink wat manschappen hadden verloren. Niettemin weigerden de twee bevelhebbers de moed op te geven. In plaats daarvan stuurden ze bevelen naar de gemeenschappen van hun Spaanse bondgenoten om hulptroepen voor hun strijdmacht te leveren. Vervolgens vond een tweede confrontatie plaats bij de rivier de Tagus. Calpurnius en Quinctius lieten hun soldaten op twee plaatsen de rivier oversteken om de vijand, die zich aan de andere kant bevond, aan te vallen. De Carpetani stormden onmiddellijk naar voren om de Romeinse colonnes aan te vallen voordat die zich weer konden verenigen. Livius beweert dat hun leger 35.000 man sterk was, maar het echte aantal krijgers was waarschijnlijk iets lager. De omvang van het Romeinse leger wordt nergens vermeld, maar de twee legers van de praetors waren samen wellicht goed voor 20.000 manschappen. Vooral in het centrum werd zwaar gevochten. Toen het de Carpetani niet lukte om hier door te breken, stelden ze zich op in wigformatie (cuneus) en probeerden het nogmaals. De praetors reageerden hierop door met de Romeinse cavalerie en de ruiterij van de bondgenoten een omtrekkende beweging te maken en de wig van de Carpetani van twee kanten aan te vallen.

Calpurnius en Quinctius leidden persoonlijk de stormaanval van de ruiters, waarbij de eerstgenoemde eigenhandig een vijand doodde terwijl hij in de voorste rangen meevocht. Nu wist ook de infanterie op te rukken, waarop de Carpetani naar hun kamp vluchtten. De Romeinse ruiters en die van de bondgenoten zaten hen dicht op de hielen. Zij stormden door de poorten van het kamp, stegen af en streden te voet verder tegen de Spaanse troepen die in het kamp waren achtergelaten. Ook hier werd zwaar gevochten, maar al snel verschenen de legioensoldaten op het toneel en mengden zich in de strijd. De Carpetani werden compleet in de pan gehakt, terwijl de Romeinse verliezen juist relatief licht waren.

Griekenland

Drachme van Koning Philippos V (bron: Classical Numismatic Group Inc.)

In 187 BCE, hadden de Romeinen een delegatie onder leiding van Quintus Caecilius Metellus naar Griekenland gestuurd om het optreden van Koning Philippos van Macedonië aan een onderzoek te onderwerpen. Teneinde zijn koninkrijk uit te breiden had de koning tijdens de oorlog met Antiochos de Grote bepaalde steden in Thracië en Thessalië geannexeerd. Dit had weer tot spanningen geleid met zijn buren, die de Romeinen bijna gesmeekt hadden om tussenbeide te komen. Metellus en zijn collega’s moesten nu beslissingen nemen over de status van steden als Gonnokondylon (ook wel Olympias, zoals de nieuwe naam luidde, naar de moeder van Alexander de Grote). Het waren steden waar ze in veel gevallen waarschijnlijk nog nooit van gehoord hadden. Hoewel Philippos zijn zaak met kracht bepleitte, besloten de gezanten toch dat de koning zijn garnizoenen moest terugtrekken. De koning zag die beslissing uiteraard als een belediging. En dat was nog niet eens het hele verhaal, want de Romeinse delegatie had alleen nog maar een oordeel gegeven over steden in gebieden als Thessalië. Nu moesten ze zich nog bezighouden met de situatie in Thracië, waar belangrijke steden als Ainos en Maroneia lagen. Metellus en zijn collega’s waren onder de indruk van de nieuwe poging van de koning om zijn optreden en belangen te verdedigen en besloten in feite de zaak naar de Senaat in Rome terug te verwijzen. Wel vroegen ze Philippos om zijn garnizoenen weg te halen en dit verzoek leidde natuurlijk niet tot een vermindering van de spanningen tussen Rome en Macedonië.

En er lagen meer spanningen op de loer. Metellus reisde door naar Nemea op de Peloponnesos en kwam daar in juli aan, net op het moment dat de Nemeïsche Spelen werden gehouden. De Romeinse gezanten spraken met vertegenwoordigers van de Achaeïsche Bond en bekritiseerden de Achaeërs vanwege de manier waarop ze de Spartanen behandeld hadden. Sommige Achaeërs waren het met Metellus eens, andere vonden dat het optreden van de Bond volledig gerechtvaardigd was. Toen Metellus vroeg om een plenaire vergadering van de Bond bijeen te roepen, werd dit verzoek afgewezen. De Achaeërs beweerden namelijk dat er volgens de Bondsregels alleen een Bondsvergadering mocht worden gehouden als de gezant hun een bevel van de Senaat kon tonen waarin precies stond welke punten besproken moesten worden. Dat kon Metellus niet. Boos verliet hij Nemea weer. Dit diplomatieke incident zou verstrekkende gevolgen hebben.

Bronnen

Primaire bronnen

One Comment:

  1. Pingback:Cato de Censor: Het Jaar 184 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your e-mail address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.