Palestrina: Het Praeneste van de Oudheid (deel 2)

Mozaïekvloer uit de Keizertijd.

Nadat Sulla ergens na 82 BCE een militaire kolonie bij Praeneste had gesticht, kende het stadje eeuwenlang vrede. Praeneste groeide en bloeide, en werd al snel een populaire zomerbestemming voor Romeinen die de verzengende hitte van Rome zelf wilden ontvluchten. Zelf bezocht ik Palestrina op een zeer hete dag in juli en ik kan bevestigen dat het daar in de heuvels dan lekker koel is.

Het leven in Praeneste moet tamelijk comfortabel zijn geweest. Naast het beroemde heiligdom van Fortuna Primigenia had de stad twee fora, verschillende tempels, een grote basilica, baden en markten. In de Keizertijd lieten rijke Romeinen in het lager gelegen gedeelte van Praeneste grote villa’s bouwen. Met behulp van Google Maps zou men de zogenaamde Villa di Adriano moeten kunnen vinden. Zelf heb ik de ruïne van deze villa niet bezocht en ik betwijfel oprecht of er iets te zien valt, maar kennelijk gaat het hier om de overblijfselen van een villa die van keizer Hadrianus (117-138) zou zijn geweest. Op deze plek werd een groot beeld van Antinous gevonden, de minnaar van de keizer. Het beeld staat thans in de Vaticaanse Musea. Keizer Marcus Aurelius (161-180) beleefde in Praeneste een persoonlijk drama toen zijn zoon Marcus Annius Verus hier op slechts zevenjarige leeftijd kwam te overlijden. Een operatie aan een tumor onder zijn oor werd de jongen fataal.[1]

Palestrina, gezien vanuit het Nationaal Archeologisch Museum.

Nationaal Archeologisch Museum

Triomftocht van Trajanus.

Wie meer wil weten over het Praeneste van de Oudheid, en dan vooral het Praeneste van de Late Republiek en de Keizertijd, moet beslist een bezoek brengen aan het Nationaal Archeologisch Museum. Echt magnifiek zijn het schaalmodel van het heiligdom van Fortuna Primigenia (al eerder besproken) en het wereldberoemde Nijlmozaïek (waaraan ik een aparte bijdrage wijd). Ik wilde erg graag ook de beeldengroep met de Capitolijnse Triade zien. Die zou hier moeten staan, maar ik kon hem niet vinden. De medewerkers van het museum lieten me weten dat de beeldengroep nu in het Museo Civico Rodolfo Lanciani in Montecelio staat, een stadje dat zo’n 30 kilometer ten noordwesten van Palestrina ligt. Ik weet helaas niet of het beeldhouwwerk enkel was uitgeleend, en of het ooit nog terug zal keren naar het Nationaal Archeologisch Museum in Palestrina.

Gelukkig is er nog veel meer te zien in het museum. Een van de meest indrukwekkende beeldhouwwerken vindt men in een van de zalen op de begane grond. Ik doel op een groot reliëf met daarop de postume triomftocht van de Romeinse keizer Trajanus (98-117). Trajanus was een van de meest succesvolle Romeinse keizers ooit. Hij was een uitstekend bestuurder en een briljante generaal. Oudhistoricus Adrian Goldsworthy merkte terecht over hem op dat “subsequent generations preserved his memory as the Optimus Princeps, the best of emperors, only rivalled in prestige by Augustus himself”.[2] Marcus Ulpius Trajanus was geboren en getogen in de Romeinse kolonie Italica in Spanje (gesticht in of kort na 206 BCE). In 97 werd hij geadopteerd door de bejaarde keizer Nerva (96-98) en snel tot diens erfgenaam en opvolger benoemd. Als keizer nam Trajanus het op tegen de machtige Daciërs en hun koning Decebalus. Deze werden in twee opeenvolgende oorlogen (101-102 en 105-106) verslagen. Vervolgens gebruikte de keizer een geschil over Armenië als een voorwendsel om het Parthische Rijk binnen te vallen, de aartsvijand van Rome in het Oosten.

Aanvankelijk was de Parthische Oorlog van 114-117 een groot Romeins succes. Trajanus en zijn leger namen de Parthische hoofdstad Ctesiphon in en bereikten de Perzische Golf. Al snel braken er echter opstanden uit in de recent veroverde gebieden. Nog veel ernstiger waren Joodse opstanden in Egypte (de Kitos-oorlog) en in andere provincies. De keizer belegerde zonder succes de woestijnstad Hatra in het huidige Irak en werd daar nog bijna gedood ook toen hij te dicht bij de stadsmuren kwam. Niet veel later kreeg Trajanus een beroerte en stierf hij op 63-jarige leeftijd.

Replica van de Fasti Praenestini.

Ook al verdiende de keizer er naar de maatstaven van zijn eigen tijd zeker een, een triomftocht voor zijn overwinning op de Parthen heeft hij nooit kunnen houden. Het reliëf in het museum stelt dan ook zijn postume triomftocht van 117 voor. Het reliëf is nog altijd een prachtig kunstwerk, ook al is er een flink gedeelte van verloren gegaan. Het werd in 1967 ontdekt en maakte oorspronkelijk deel uit van de graftombe van een zekere Quintus Fabius Postuminus, die in 96 consul suffectus was en in 112 als praefectus urbi in Rome diende. Eric R. Varner merkt op dat “the relief employs an emphatically non-classicizing style characterized by hierarchy of scale, exaggerated, non-naturalistic proportions, frontality, and differing, segmental ground lines”.[3] Het detailniveau is buitengewoon indrukwekkend. Let bijvoorbeeld op de gevleugelde Victoria op de strijdwagen en de fasces (roedenbundels met bijlen) die de lictoren dragen.

Het eerste forum van het oude Praeneste bevond zich onder het heiligdom van Fortuna Primigenia. Hier vinden we nu de Piazza Regina Margherita en de kathedraal van Sant’Agapito, een godshuis dat over een heidense tempel van Jupiter heen is gebouwd. In 1907 ontdekte de Italiaanse archeoloog Dante Vaglieri (1865-1913) hier de overblijfselen van een halfrond bouwwerk.[4] Volgens de heersende theorie diende het bouwwerk als basis voor een openbare kalender die bekendstaat als de Fasti Praenestini. De Romeinse geschiedschrijver Suetonius schreef over een zekere Marcus Verrius Flaccus (ca. 55 BCE-20 CE), een vrijgelatene uit Praeneste die als leraar optrad voor de kleinzonen van keizer Augustus. Ik citeer uit Suetonius’ De Illustribus Grammaticis:

“Zijn standbeeld staat in Praeneste op het hogere gedeelte van het forum, nabij het halfrond waarop hij de kalender had geplaatst die hij had samengesteld en in marmer had gegraveerd.”[5]

Zeug die haar biggen zoogt.

Deze Verrius Flaccus was dus de auteur van de Fasti Praenestini. In het Nationaal Archeologisch Museum is een replica van de kalender te zien (zie de afbeelding hierboven); het origineel bevindt zich thans in het Palazzo Massimo in Rome, een van de locaties van het Museo Nazionale Romano. Hoewel het erop lijkt dat meer dan de helft van de Fasti verloren is gegaan, is zelfs de replica erg interessant. We kunnen van de kalender nog bepaalde feestdagen aflezen, bijvoorbeeld de Robigalia, een landbouwfeest dat in april werd gevierd.

Het museum bezit ook een prachtig reliëf uit de tijd van Augustus met daarop een zeug, i.e. een vrouwelijk wild zwijn, die haar biggen zoogt. We weten nu dat het reliëf oorspronkelijk onderdeel was van een reeks en dat twee andere reliëfs in het Kunsthistorisches Museum in Wenen, Oostenrijk, bewonderd kunnen worden. Op die andere reliëfs zien we een leeuwin met haar welpen en een ooi met een lam. De gezamenlijke reliëfs worden doorgaans de Grimani-reliëfs genoemd, naar het Palazzo Grimani in Venetië (en, naar ik aanneem, tevens naar Giovanni Grimani, de zestiende-eeuwse patriarch van Aquileia die een fervent verzamelaar van Oudheden was). Mogelijk waren de reliëfs aan weerszijden van de Fasti Praenestini bevestigd en hadden ze allemaal te maken met een seizoen: het zwijn met de zomer, de leeuwen met de lente en de ooi met de winter. Eén seizoen ontbreekt dan nog, dus archeologen speculeren over een vierde reliëf met daarop een koe en haar kalveren, een allegorie op de herfst.

Noten

[1] Historia Augusta, Marcus Aurelius 21.

[2] In the Name of Rome. The Men who won the Roman Empire, p. 374.

[3] Eric R. Varner, Book Review Museo Archeologico Nazionale di Palestrina: Le Sculpture.

[4] Paula Landart, Palestrina: Walks in the City and the Acropolis of Ancient Praeneste, p. 16 v.

[5] De Illustribus Grammaticis 17.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.