Mijn wandeling langs de Via Appia (deel 4)

Kopie van de eerste mijlsteen.

Dit is deel 4 van het verslag van mijn wandeling langs de Via Appia, van het Circus Maximus naar de Villa van de Quintilii zo’n 8 kilometer verder naar het zuidoosten. De delen 1, 2 en 3 vindt u hier.

Niet ver van de Porta San Sebastiano staat een kopie van de eerste mijlsteen van de Via Appia. Vanaf dit punt liep ik door naar de kerk van Domine Quo Vadis? zo’n 700 meter verderop. Dit is niet het interessantste gedeelte van de Via Appia. Het verkeer is irritant en de weinige grafmonumenten die we hier zien, zijn nogal merkwaardig. Voordat ik op deze monumenten inga, wil ik eerst de kopie van de eerste mijlsteen kort bespreken.

Op de mijlsteen staat een zeer zichtbare ‘I’, het Romeinse cijfer één. De steen noemt verder de namen van de keizers Vespasianus (69-79) en Nerva (96-98) en verwijst naar restauraties die de eerstgenoemde in 76 tijdens zijn zevende consulaat en laatstgenoemde in 97 tijdens zijn derde consulaat heeft uitgevoerd. De originele mijlsteen werd in 1584 of 1588 naar de Piazza del Campidoglio op de Capitolijn verplaatst. De steen is daar onderdeel van de balustrade en kan van een afstandje bewonderd worden (als u weet dat het object er staat).[1] Een Romeinse mijl was ongeveer 1.479 meter, en de meest plausibele interpretatie lijkt me te zijn dat afstanden werden gemeten vanaf de poorten in de stadsmuren en niet vanaf de zogenaamde Milliarium Aureum, de Gouden Mijlsteen die keizer Augustus in 20 BCE op het Forum Romanum oprichtte. De locatie van de kopie komt namelijk grosso modo overeen met een afstand van 1,5 kilometer buiten de Porta Capena.

De originele eerste mijlsteen (links) en de overblijfselen van de zogenaamde Tombe van Horatius (rechts).

Graftomben

Overblijfselen van de zogenaamde Tombe van Geta langs de Via Appia.

Het boek over de Via Appia dat ik eerder las, noemt een monument dat vaak – en waarschijnlijk ten onrechte – de Tombe van Horatius wordt genoemd. De dichter Quintus Horatius Flaccus (65-8 BCE) had zelf in 37 BCE langs de Via Appia gereisd. Die reis was onderdeel van een missie naar Brundisium. Horatius schreef zelfs een satirisch gedicht over zijn ervaringen, maar het is erg onwaarschijnlijk dat hij hier echt is bijgezet. Suetonius vertelt ons namelijk dat de dichter werd begraven aan de rand van de Esquilijn, in de buurt van de graftombe van zijn vriend, de grote beschermheer van de kunsten Gaius Cilnius Maecenas (68-8 BCE).[2] Ik moet zeggen dat het me grote moeite kostte om de zogenaamde Tombe van Horatius langs de Via Appia te traceren. Waarschijnlijk komt het omdat het bouwwerk helemaal niet op een graftombe lijkt. In feite gaat het om een zandstenen constellatie die onderdeel is van een modern huis. Een foto van het object is in deze bijdrage opgenomen (zie hierboven). Ik hoop dat ik het juiste “ding” heb gefotografeerd.

Iets verderop langs de Via Appia vinden we de overblijfselen van de zogenaamde Tombe van Geta. Dit monument ziet er tenminste enigszins als een graftombe uit. Na de dood van keizer Septimius Severus in 211 moesten zijn zoons Caracalla en Geta gezamenlijk als Augusti regeren. Voordat hij zijn laatste adem uitblies, had Severus zijn zoons opgedragen om “zich harmonieus te gedragen, de soldaten te verrijken en alle anderen te minachten”. In plaats van deze raad op te volgen besloot Caracalla zijn broer te minachten. Erger nog, hij liet Geta nog hetzelfde jaar vermoorden en joeg daarna tot wel 20.000 van diens aanhangers over de kling. Een nogal verwarrende passage in de Historia Augusta beweert dat Geta “werd bijgezet in de graftombe van zijn voorouders, dat wil zeggen van Severus, die rechts aan de Via Appia ligt voor iemand die naar de poort loopt”.[3] De graftombe van Septimius Severus was echter het Mausoleum van Hadrianus, dat tegenwoordig bekendstaat als het Castel Sant’Angelo. Dit mausoleum staat niet eens in de buurt van de Via Appia. De graftombe aan de Via Appia behoorde waarschijnlijk aan iemand anders toe. De tombe is tegenwoordig nogal een merkwaardig stukje architectuur; het moderne huis dat er bovenop is gezet heeft wel wat weg van een heremietkreeft.

Op het adres Via Appia Antica nummer 76 staat weer een andere graftombe. Deze staat algemeen bekend als de Tombe van Priscilla. Dit ronde monument met een vierkante basis gaat grotendeels verscholen achter een muur. Bij hoge uitzondering mogen we er nu eens vanuit gaan dat de graftombe inderdaad toebehoorde aan de naamgever. Priscilla was de vrouw van de vrijgelatene Titus Flavius Abascantus, die van keizer Domitianus (81-96) zijn vrijheid had verkregen. We weten hoe de graftombe er oorspronkelijk uit moet hebben gezien, want ze werd beschreven door de dichter Statius in het laatste boek van zijn Silvae. Statius is trouwens ook de dichter die de Via Appia de Regina Viarum noemde, de Koningin der Wegen.

De Via Appia met de Tombe van Priscilla nog net zichtbaar achter de bomen.

Domine Quo Vadis?

Kerk van Domine Quo Vadis?

Tegenover de Tombe van Priscilla vinden we de welbekende kerk van Domine Quo Vadis? De officiële naam van de kerk is kennelijk de Santa Maria delle Piante en ze staat ook wel bekend als de Santa Maria in Palmis. Iedereen noemt haar echter de Domine Quo Vadis? Die naam is dus een vraag: “Mijn Heer, waar gaat u heen?” Volgens de overlevering was dit de vraag die Petrus aan Christus stelde nadat hij uit Rome was weggevlucht en op deze plek langs de Via Appia de Heiland was tegengekomen. Christus zou hebben geantwoord: Eo Romam iterum crucifigi, “Ik ga naar Rome om nogmaals gekruisigd te worden”. Daarop kwam Petrus terug van zijn beslissing om te vluchten. Hij keerde terug naar Rome en stierf er de marteldood aan het kruis. Het meest opmerkelijke aspect van deze hele conversatie is dat beide mannen blijkbaar vloeiend Latijn spraken. In Galilea en Judea zouden ze zich toch uitsluitend in het Aramees hebben uitgedrukt.

Over de vroege geschiedenis van de kerk is weinig bekend, maar er is wel bewijs dat ze er in de negende eeuw al stond en misschien nog wel eerder. Pelgrims kwamen naar deze tamelijk afgelegen plek vanwege een stuk basaltsteen met daarin de vermeende voetafdrukken van Christus. Deze zouden zijn verschenen na de ontmoeting met Petrus. Zo omstreeks de zestiende eeuw was de kleine kerk aan de Via Appia verworden tot een ruïne, wat reden was om de steen met de voetafdrukken naar de San Sebastiano fuori le Mura te verplaatsen, een belangrijkere kerk die ongeveer een mijl verder naar het zuiden staat. In de Domine Quo Vadis? ligt nu een kopie, maar noch deze kopie, noch het origineel hebben ook maar iets te maken met Christus. Het stuk basaltsteen was waarschijnlijk een votiefgeschenk van een heidense reiziger die veilig was teruggekeerd van een reis.

Kopie van de voetafdrukken.

Vanaf 1620 werd de Domine Quo Vadis? compleet herbouwd. In 1637 kreeg de kerk een eenvoudige nieuwe Barokgevel, die in geel en wit werd uitgevoerd. Deze werd betaald door kardinaal Francesco Barberini (1597-1679). Boven de ingang staat de Latijnse tekst HAEIC PETRUS A XSTO PETIIT: DOMINE QUO VADIS, waarmee we geïnformeerd worden dat dit de plek is waar Petrus de beroemde vraag zou hebben gesteld. Binnen in de kerk is niet veel te zien. Het hoogtepunt is natuurlijk de kopie van de voetafdrukken. Vrome christenen liepen graag over de afdrukken (die dus nep zijn) heen. Daarom is er een metalen rooster overheen geplaatst om ze tegen verdere beschadiging (en diefstal?) te beschermen. Boven het altaar zien we een fragment van een fresco uit de Late Middeleeuwen met daarop de Madonna met het Kind. Ten slotte is er nog een buste van de Poolse auteur Henryk Sienkiewicz (1846-1916). In 1905 werd aan hem de Nobelprijs voor Literatuur toegekend. Zijn bekendste werk is de roman Quo Vadis, gepubliceerd in 1896.

Naar deel 5


[1] De zevende mijlsteen staat hier ook.

[2] Zie Suetonius, Het Leven van Horatius.

[3] Het Leven van Geta 7.2 (vertaling: John Nagelkerken).

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.