Valerianus en Gallienus: De Jaren 253-260

Aureus of Valerianus (source: Classical Numismatic Group, Inc.).

Toen hij in 253 naar Rome oprukte, had Aemilianus veel troepen bij de Donaugrens weggehaald. Valerianus had hetzelfde gedaan toen hij datzelfde jaar met de Rijnlegioenen naar de Eeuwige Stad kwam. Het gevolg was dat deze grenzen nu maar zwak verdedigd werden en dat de Germaanse en andere stammen die aan de andere kant van de twee rivieren woonden nieuwe plundertochten lanceerden. Het was aan Gallienus en zijn generaals om deze raids te neutraliseren; Valerianus zou de oorlog tegen de Perzen op zich nemen. De veelvuldige invallen van ‘barbaren’ leidden steeds meer tot het besef dat het oude Romeinse leger dat bestond uit legioenen van zo’n 5.000 manschappen niet erg geschikt was om tegen plunderaars op te treden. Dit leger presteerde voortreffelijk in geregelde veldslagen, maar zulke veldslagen waren in de derde eeuw vrij zeldzaam, en dat gold zeker voor het westelijke deel van het Rijk. Als een eenheid plunderaars erin geslaagd was langs de grenstroepen te glippen of zich een weg langs deze troepen te vechten, dan was er geen mobiele reserve daarachter om hen nog tegen te houden. Kortom, het Romeinse leger moest hervormd worden, en sommige van de vereiste hervormingen kunnen heel goed al door Valerianus en Gallienus zijn doorgevoerd.

Gallienus de generaal

In Latijnse bronnen wordt doorgaans een vrij negatief beeld van Gallienus geschilderd. Griekse bronnen zijn daarentegen een stuk positiever over hem. De reden voor het verschil in waardering is waarschijnlijk dat de keizer zich gehaat wist te maken bij de klasse van de senatoren in Rome, met als gevolg dat de leden van deze klasse hem in hun in het Latijn geschreven geschiedwerken belasterden. De senatoren hadden mogelijk ook wel hun redenen om kwaad te zijn. Gallienus lijkt erg populair te zijn geweest bij het gewone volk en nog meer bij het leger, wat ook verklaart waarom hij het vijftien jaar op de troon wist uit te houden, langer dan al zijn voorgangers sinds Septimius Severus (193211). Bovendien nam de keizer als onderdeel van zijn legerhervormingen een maatregel waarmee hij de senatoren waarschijnlijk beledigde. Hij schafte namelijk het eeuwenoude privilege af dat alleen senatoren als senior krijgstribuun (tribunus laticlavius) of legioenscommandant (legatus legionis) konden dienen.[1] Voortaan konden ook leden van de equites deze prestigieuze posten bekleden. Verdienste was nu belangrijker dan sociale afkomst.

Buste van Gallienus (Capitolijnse Musea, Rome).

Een goed voorbeeld van de vijandigheid in Latijnse bronnen vinden we in de Historia Augusta. Hierin wordt de keizer neergezet als een feestbeest dat zich kostelijk vermaakte met hoeren, pooiers, acteurs en hofnarren terwijl het Rijk om hem heen uit elkaar viel. Dit beeld is echter volstrekt bezijden de waarheid. Hoewel Gallienus inderdaad grote feesten organiseerde (bijvoorbeeld zijn decennalia in 262 en een triomftocht in 264), was hij het grootste gedeelte van zijn regeerperiode op veldtocht tegen vijanden van binnen en buiten het Rijk. Tussen 254 en 258 vocht de keizer tegen Germaanse stammen aan de Rijngrens.[2] Afgaande op de munten die hij in deze tijd liet slaan, waren zijn veldtochten over het algemeen een succes. Op verschillende munten zien we Germaanse gevangenen en daarnaast begon Gallienus zichzelf ‘Germanicus Maximus’ te noemen. Tevens lezen we op zijn munten teksten als VICTORIA GERMANICA (‘Overwinning op de Germanen’) en RESTIT[VTOR] GALLIAR[VM] (‘hij die de Gallische provincies in ere heeft hersteld’). Het lijkt erop dat Gallienus bruut geweld combineerde met diplomatie. Zosimus noemt namelijk minstens één geval waarin hij een overeenkomst sloot met een Germaans stamhoofd. Dat was overigens niets nieuws: Caracalla en Severus Alexander hadden al eerder precies hetzelfde gedaan.

In dezelfde tijd vielen de Marcomanni Pannonië binnen, waarschijnlijk in 254. Ze hadden zich decennialang koest gehouden, maar nu waren ze weer op oorlogspad. In plaats van de strijd met de indringers aan te gaan, sloot Gallienus een verdrag met hun koning, een zekere Attalus. Het verdrag kwam hoogstwaarschijnlijk in 258 tot stand en bepaalde dat een deel van Pannonia Superior aan de Marcomanni werd overgedragen. Als tegenprestatie moesten ze dan de grens tegen nieuwe invallen beschermen. De keizer kreeg de dochter van de koning, een vrouw genaamd Pipa of Pipara, als gijzelaar en concubine. De Historia Augusta beweert dat Gallienus echt van haar hield, terwijl Aurelius Victor spreekt van een schandelijke liefdesaffaire (amori flagitioso).

Gallienus en de usurpatoren

Reliëf op de graftombe van een soldaat uit de 3e of 4e eeuw. Hij draagt twee werpspiesen, een plat ovalen schild en een zwaard aan de linkerzijde (Museo Archeologico Nazionale di Aquileia).

De wettige echtgenote van Gallienus was Cornelia Salonina, en met haar kreeg hij drie zonen, Valerianus II, Saloninus en Marinianus. Valerianus II was door zijn vader of zijn grootvader tot Caesar benoemd en in Sirmium achtergelaten onder toezicht van een zekere Ingenuus. In 258 kwam de jonge Valerianus plotseling te overlijden en Ingenuus werd ervan verdacht bij de dood van de jongen betrokken te zijn geweest. Gallienus benoemde daarop zijn tweede zoon Saloninus tot Caesar en stuurde hem naar Colonia Claudia Ara Agrippinensium (Keulen) aan de Rijn. Vervolgens haastte hij zich naar Pannonië om af te rekenen met de vermeende moordenaar van Valerianus. Die was inmiddels door zijn troepen tot keizer uitgeroepen.

Eind 258 of begin 259 versloeg de wettige keizer zijn rivaal bij Mursa (het huidige Osijek in Kroatië). Ingenuus sneuvelde of verdronk zichzelf na de strijd. Na zijn overwinning liet Gallienus Regalianus achter om de provincie te bewaken en haastte hij zich terug naar Italië, dat inmiddels met een inval van de Alemanni te kampen had. De keizer wist hen in 259 bij Mediolanum (Milaan) te verslaan; de Germanen die wisten te ontkomen werden later in Rhaetia vernietigd. Voordat ze Italië waren binnengetrokken hadden de Alemanni eerst een inval gedaan in het gebied dat bekendstond als de Agri Decumates, grofweg de streek tussen de Rijn en de Donau. Dit gebied was in de eerste eeuw door het Romeinse Rijk geannexeerd en gekoloniseerd, maar de Romeinen raakten nu de controle erover voorgoed kwijt. Ondanks de nederlaag van de Alemanni bij Milaan slaagden Gallienus noch zijn opvolgers erin de Agri Decumates te heroveren.

Het probleem was dat Gallienus gewoon niet overal tegelijk kon zijn; hij moest de verdediging van delen van de grens aan zijn generaals overlaten. Op enig moment, mogelijk in 256, staken de Goten weer de Donau over, waarna ze oprukten door Thracië en Thessalonica in Macedonië bedreigden. Hoewel hun beleg van de stad uiteindelijk niets opleverde, veroorzaakte hun invasie grote paniek in Griekenland, een gebied dat meer dan twee eeuwen vrede had gekend. De Atheners versterkten hun muren en de Landengte van Korinthe werd afgesloten. Men moet hierbij bedenken dat in het midden van de derde eeuw veel steden in het Romeinse Rijk niet eens muren hadden. Nu de Crisis van de Derde Eeuw echter haar hoogtepunt naderde, begonnen vele steden haastig met de bouw van zulke muren, al was het maar om een naderende vijand af te schrikken.

Mozaïek van Neptunus uit Romeins Gallië (Musée des beaux-arts et d’archéologie de Besançon).

Ondanks de successen van Gallienus tegen de Germaanse stammen waren de grenzen al snel weer in rep en roer. In 259 of 260 kwam Regalianus in Pannonië in opstand en werd hij door zijn troepen tot keizer uitgeroepen. Hij verdedigde de provincie nog tegen de Sarmaten, maar werd kort daarna bij Carnuntum vermoord door dezelfde troepen die hem het purper hadden aangeboden. Gallienus hoefde dus niet terug te keren naar Pannonië om zijn opstandige generaal te straffen. De situatie in Gallië was echter een heel ander verhaal. Nadat Gallienus het Rijngebied had verlaten en veel van de daar gelegerde troepen mee had genomen, was een Frankische coalitie van Bructeri, Salii, Chamavi en andere stammen door de Romeinse verdediging heen gebroken. De Franken vochten en plunderden zich een weg door Gallië heen en bereikten zelfs Tarraco in het huidige Spanje. Op de terugweg werden ze tegengehouden door Marcus Cassianius Latinius Postumus, een Bataaf die mogelijk als legaat van Germania Inferior diende. In 260 bracht hij hen in de buurt van de tempel van Hercules-Magusanus bij Empel (tegenwoordig onderdeel van Den Bosch) een zware nederlaag toe.

Met zijn overwinning had Postumus bewezen dat hij de regio kon verdedigen tegen buitenlandse indringers, iets waartoe Gallienus niet in staat was gebleken. Niet veel later werd de Bataafse aanvoerder door de troepen tot keizer uitgeroepen. Er was echter nog één kleine hobbel op de weg: Saloninus, de tweede zoon van Gallienus die eerder tot Caesar was benoemd. Hij bevond zich nog altijd in Colonia Claudia Ara Agrippinensium (Keulen) en diende als opperbevelhebber in de regio. Postumus moest dus eerst nog met hem af zien te rekenen. Aangezien Saloninus nog erg jong was, was aan hem een voogd met de naam Silvanus toegewezen. Postumus viel de stad aan en liet de twee mannen doden. Hij beheerste nu de twee Germaanse provincie en Gallië, en spoedig zouden de Spaanse en Britse provincies zich bij zijn ‘Gallische Rijk’ aansluiten. Met die term wordt tegenwoordig het rijk van Postumus aangeduid, maar Postumus zelf zou de term niet gebruikt hebben. In zijn optiek was hij gewoon de wettige Romeinse keizer. Cultureel bezien was zijn rijk door en door Romeins. Zijn onderdanen spraken Latijn, er werden consuls aangesteld en misschien werd er zelfs een alternatieve Senaat opgetuigd. Het enige bijzondere is dat Postumus kennelijk nooit overwogen heeft Italië binnen te vallen om Gallienus af te zetten. In plaats daarvan liet hij Gallienus naar hém toekomen.

Valerianus: de onfortuinlijke keizer

Romeinse ruiterhelm (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Valerianus was in 254 of begin 255 in het Romeinse Oosten aangekomen. Waarschijnlijk waren er enkele schermutselingen met de Perzen en mogelijk is Nisibis in een van de genoemde jaren in Perzische handen gevallen. De keizer was nog niet in staat tegen Shapur in het offensief te gaan. De Romeinse troepen in de regio hadden tijdens het vorige Perzische offensief zware verliezen geleden en moesten worden versterkt en gereorganiseerd. Veel van de steden en stadjes van Syrië lagen in puin, en dat gold vooral voor Antiochië, voorheen een van de grootste steden van het Rijk. Terwijl Valerianus bezig was met het opbouwen van zijn leger, de wederopbouw in de regio en – het belangrijkste van alles – het herstel van het Romeinse moreel, werd hij plotseling geconfronteerd met nieuwe invallen vanuit het noorden.

Het Koninkrijk van de Bosporus (Regnum Bospori) was een Romeinse cliëntstaat aan de oevers van de Zwarte Zee en de Zee van Azov. Het grondgebied van het koninkrijk besloeg een groot deel van de Krim en het schiereiland Taman aan de andere zijde van de Straat van Kertsj. Het Grieks-Romeinse koninkrijk werd geregeerd door koningen die kennelijk allemaal Tiberius Julius heetten. Net als het Romeinse Rijk werd ook het Koninkrijk van de Bosporus regelmatig het slachtoffer van aanvallen van de Goten. Omstreeks 254 dwong een groep Goten de Bosporusbewoners om hun van schepen te voorzien en waarschijnlijk ook van bemanningen. De Goten voeren vervolgens naar de Grieks-Romeinse kolonie Pityus toe (tegenwoordig Pitsoenda in Georgië), die werd verdedigd door een zekere Successianus. Hij slaagde erin de Gotische aanval af te slaan, maar het volgende jaar waren de indringers terug. Omstreeks 255 vielen ze eerst zonder succes Phasis aan (eveneens in het huidige Georgië) en vervolgens namen ze Pityus in en plunderden de stad. Hun volgende doelwit was een nog veel belangrijkere stad: Trapezus in Cappadocië, het huidige Trabzon in Turkije. Hoewel de stad door een groot garnizoen werd verdedigd, werd ze door middel van een nachtelijke aanval ingenomen. De Goten verzamelden een grote hoeveelheid buit en maakten veel van de inwoners tot slaaf.

Asclepius, de Romeinse god van de geneeskunde (Capitolijnse Musea, Rome).

Het succes van deze invallen lokte meer invallen uit. Omstreeks 256 plunderde een andere groep Goten de provincie Bithynia et Pontus. Een deel van het Gotische leger lijkt de landroute naar Klein-Azië te hebben genomen en dus te zijn opgetrokken langs de westelijke oever van de Zwarte Zee. Het andere deel reisde per schip. Misschien was het mislukte beleg van Thessalonica door de Goten wel onderdeel van deze operatie. Toen de indringers Bithynië hadden bereikt, namen ze als eerste Chalcedon (tegenover Byzantium) in, gevolgd door Nicomedia, Nicaea en een aantal andere steden. De Goten probeerden vervolgens de provincie Asia binnen te dringen en Cyzicus aan te vallen, maar slecht weer dwong hen tot de terugtocht. Keizer Valerianus lijkt zijn uiterste best te hebben gedaan om de belaagde provincies te helpen, maar zijn generaals en hij waren waarschijnlijk steeds te laat. Nog veel erger was dat zijn troepen ernstig leden onder de Pest van Cyprianus. De soldaten die niet aan de pest bezweken, waren veel te ziek om te vechten. Volgens de Historia Augusta eiste de ziekte nu 5.000 levens per dag “zowel in Rome als in de steden van Achaea”.[3] Zelfs als dit dodental werd verzonnen of sterk werd opgeblazen is er geen enkele reden om te twijfelen aan de ernst van de epidemie.

Valerianus: vervolger van christenen

Onder deze moeilijke omstandigheden, met overal invallen van ‘barbaren’, een pestepidemie in het Rijk en een voorgenomen offensief tegen Shapur, besloot Valerianus de trouw van zijn christelijke onderdanen te testen. Zijn Edict uit het jaar 257 week nogal af van dat van Decius. Die had de hele vrije bevolking van het Romeinse Rijk opgedragen aan de voorouderlijke goden te offeren en daarbij nooit specifiek de christenen genoemd. Valerianus richtte zich wel specifiek op christenen, in het bijzonder op hun bisschoppen, priesters en diakens. Deze moesten gearresteerd worden en worden gedwongen te offeren aan de traditionele goden. Wie weigerde, zou verbannen worden. Zolang de leiders werden vastgehouden, mochten er geen christelijke samenkomsten gehouden worden en zouden christelijke begraafplaatsen gesloten blijven. Bovendien werden kerkbezittingen, waardevolle voorwerpen en geld in beslag genomen. Het Edict kan dus, in elk geval gedeeltelijk, door financiële motieven zijn ingegeven.

Bisschop Cyprianus voor de proconsul (Museu Episcopal, Vic).

De meeste christenen in het Romeinse Rijk woonden in het Griekstalige Oosten. Het percentage christenen kan daar rond de twintig procent van de bevolking hebben gelegen, vergeleken met zo’n vijf procent in het hele Rijk.[4] Het belangrijkste christelijke centrum was waarschijnlijk de stad Antiochië, waar volgens Handelingen 11:26 ook het woord ‘christen’ was gemunt. De christelijke gemeenschap van Antiochië was echter in 253 door rampspoed getroffen, want in dat jaar had Shapur hun stad ingenomen en geplunderd. De patriarch Demetrius en vele leden van zijn gemeenschap waren gevangen genomen en gedeporteerd naar het Sassanidenrijk, waar ze nieuwe woonplaatsen toegewezen kregen en overigens vrij hun godsdienst mochten uitoefenen. Shapur was een tolerante heerser, die de andere religies in zijn Rijk respecteerde. Dat gold niet alleen voor het christendom, maar ook voor het manicheïsme, een geloof gesticht door de profeet Mani (ca. 216-274). Het feit dat zijn tegenstander christenen met respect behandelde, kan voor Valerianus een van de redenen zijn geweest om te twijfelen aan hun loyaliteit jegens het Romeinse Rijk. Zijn wantrouwen kan een factor zijn geweest bij de beslissing het Edict uit te vaardigen.

We weten dat patriarch Dionysius van Alexandrië, een stad die eveneens een belangrijk centrum van het christendom was, gearresteerd werd. Toen hij weigerde te offeren, werd hij verbannen. Hetzelfde gebeurde met Cyprianus, de bisschop van Carthago, die in ballingschap werd gestuurd naar Curubis. We weten niets over de lotgevallen van bisschop Mozabanus van Jeruzalem, noch wat het lot van de bisschop van Nicomedia was. Hoewel ze al vroeg een christelijke gemeenschap had, lag Nicomedia nu in puin na de Gotische aanval van 256. Later zou de stad herbouwd worden en weer uitgroeien tot een belangrijk centrum van het christendom. Het zou bisschop Eusebius van Nicomedia (gestorven in 341) zijn die Constantijn de Grote doopte, de eerste christelijke Romeinse keizer. De naam van de bisschop van Nicomedia tijdens de christenvervolgingen van Valerianus is niet bekend.

Mozaïek van Sint Laurentius.

En wat gebeurde er met de bisschop van Rome, Paus Sixtus (of eigenlijk Xystus) II? Het lijkt erop dat de autoriteiten in de Eeuwige Stad aanvankelijk het Edict van Valerianus gewoon negeerden. De Paus werd pas gearresteerd nadat een tweede Edict Rome in 258 had bereikt. Dit Edict was veel gedetailleerder dan het eerste en schreef voor dat bisschoppen, priesters en diakens die weigerden te offeren moesten worden geëxecuteerd. Christelijke senatoren, equites en hoge ambtenaren zouden hun rang en bezittingen kwijtraken. Ook adellijke christelijke vrouwen zouden hun bezit verliezen en daarnaast worden verbannen. Ten slotte zouden christenen die werkten voor het bestuur van het Rijk worden gedwongen dwangarbeid te verrichten. Het tweede Edict bezegelde het lot van Paus Sixtus en ook dat van Cyprianus. Sixtus werd gearresteerd en op 6 augustus 258 samen met zes van zijn diakens onthoofd. Vier dagen later werd een zevende diaken genaamd Laurentius eveneens terechtgesteld nadat hij had geweigerd de autoriteiten te vertellen waar de rijkdommen van de Kerk verborgen waren. Volgens de overlevering werd Laurentius levend geroosterd op een ijzeren rooster, maar aangezien hij een Romeins burger was, ligt de dood door onthoofding veel meer voor de hand (zie Rome: San Lorenzo in Lucina). Na zijn terechtstelling werd Laurentius begraven in de catacomben van Campo Verano, waar we tegenwoordig de kerk van San Lorenzo fuori le Mura vinden.

In Afrika was de proconsul Aspasius Paternus net vervangen door Galerius Maximus, en deze nieuwe gouverneur liet Cyprianus arresteren. Nadat hij had geweigerd aan de goden te offeren, werd de bisschop op 14 september 258 onthoofd. Sixtus, Laurentius en Cyprianus kunnen allemaal als historische figuren worden beschouwd en dat geldt ook voor bisschop Fructuosus van Tarraco, die in 259 de marteldood stierf. Over andere vermeende martelaren, zoals de Numidische heiligen Marianus en Jacobus, mag wat meer twijfel bestaan, maar we weten wel dat er in Numidië christenen werden vervolgd en dat de bisschoppen Nemesianus, Dativus, Felix en Victor naar de mijnen werden gestuurd.[5] De christenvervolgingen van Valerianus richtten zich specifiek op kerkleiders en leden van de christelijke adel, maar we kennen helaas geen geloofwaardige gevallen van senatoren of equites die hun rang en status kwijtraakten. Het feit dat ze als doelwit waren aangemerkt, bewijst echter dat er wel degelijk christelijke senatoren en equites waren. Het aantal martelaren onder de bisschoppen, priesters en diakens was waarschijnlijk niet heel hoog, maar we moeten het afschrikwekkende effect dat de executies hadden op christenen niet onderschatten. De vervolgingen kunnen er in Rome toe geleid hebben dat de christenen de overblijfselen van Petrus weghaalden van de Ager Vaticanus en die van Paulus van een begraafplaats aan de Via Ostiense. Deze belangrijke relikwieën werden vermoedelijk daarna overgebracht naar een veiligere plaats langs de Via Appia. Op die plek treffen we nu de kerk van San Sebastiano fuori le Mura aan.

Valerianus: een geketende keizer

Reliëf van Shapur die Valerianus bij de arm vasthoudt. De knielende man is Philippus Arabs. Achter Shapur staat de priester Kartir (foto: Sahand Ace, CC BY-SA 3.0).

Eind 259 of begin 260 vielen de Perzen onder leiding van Shapur Carrhae en Edessa aan. Valerianus had inmiddels een grote troepenmacht verzameld en ging de confrontatie met de koning aan. Volgens de Res Gestae Divi Saporis telde het leger van de keizer 70.000 manschappen, maar dat klinkt als een geweldige overdrijving. In de buurt van Edessa botsten de beide legers op elkaar, maar van het daaropvolgende gevecht zijn geen details bekend. Niettemin is het duidelijk dat de Romeinen een zware nederlaag leden en dat Valerianus gevangen werd genomen. Shapur beweert dat hij eerst het Romeinse leger verpletterde en vervolgens de keizer gevangen nam, maar Romeinse bronnen als Aurelius Victor en Zosimus neigen ernaar de Perzische overwinning aan verraad toe te schrijven: de keizer zou tijdens onderhandelingen plotseling onder arrest zijn geplaatst. In elk geval was de uitkomst van het treffen dat de Romeinen geen coherente strijdmacht meer in de regio hadden en dat voor het eerst in de geschiedenis een Romeinse keizer zich in gevangenschap bij de vijand bevond. Valerianus was niet de enige hooggeplaatste gevangene. Volgens de Res Gestae Divi Saporis werden ook een praetoriaanse prefect, verschillende senatoren en een aantal onderbevelhebbers gevangen genomen. Zij werden, waarschijnlijk samen met enkele duizenden gewone soldaten, naar Persis gedeporteerd. Omdat de Perzen hun bouwkundige vaardigheden onderkenden werden de gevangenen tewerkgesteld bij diverse projecten, waaronder de Band-e Kaisar.

Het enige wat we zeker weten over het lot van Valerianus is dat hij in gevangenschap stierf. We weten niet wanneer dit gebeurde, noch onder welke omstandigheden. Volgens Aurelius Victor werd hij vreselijk verminkt (foede laniatus) en de anonieme auteur van de Epitome de Caesaribus beweert dat Shapur hem gebruikte als stijgblok om op zijn paard te komen, een verhaal dat we ook in het werk van de christelijke auteur Lactantius vinden. Er is wel wat discussie mogelijk over de vraag of deze beweringen betrouwbaar zijn. De meeste bronnen zijn het er wel over eens dat de keizer uiteindelijk vanwege ouderdom stierf, dus zijn leefomstandigheden kunnen niet al te slecht zijn geweest. Volgens Lactantius werd hij na zijn dood gevild, waarna de afgestroopte huid rood werd geverfd en in een tempel geplaatst. Als christen had Lactantius natuurlijk genoeg reden om Valerianus te belasteren. Die was immers verantwoordelijk geweest voor de vervolging van christenen. Toch kan het verhaal best gedeeltelijk waar zijn. De elfde-eeuwse geleerde Al-Biruni schreef namelijk dat de profeet Mani (zie hierboven) na zijn terechtstelling onder een van Shapurs opvolgers eveneens werd gevild. Zijn huid werd met gras opgevuld en boven een van de poorten van de stad Gondesjapoer gehangen. Valerianus en Mani waren tijdgenoten; als belangrijke vijanden van het Sassanidenrijk kunnen ze heel goed na hun dood dezelfde behandeling hebben gekregen.

Oogbeschermer voor een paard (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Na hun overwinning bij Edessa lag voor de Perzen de weg naar de Romeinse provincies verder naar het westen open. Ze roofden fanatiek Syrië, Cilicië en Cappadocië leeg en deporteerden de bevolking van vele steden, totdat ze werden gestopt door een tegenstander uit onverwachte hoek, die in de volgende bijdrage aan de orde komt. Het was in elk geval niet Gallienus, die nooit enige poging heeft gedaan zijn vader te bevrijden. We mogen vraagtekens plaatsen bij de bewering in de Historia Augusta dat hij zelfs blij was dat Valerianus gevangen was genomen; Gallienus zat simpelweg vast in Europa, waar hij Germaanse invallen moest afslaan, het Gallische Rijk van Postumus moest zien te verslaan en bovenal constant op zijn hoede moest zijn voor usurpatoren en moordenaars.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 100-101;
  • Henk Singor, Constantijn, p. 102-106.

Noten

[1] Aurelius Victor beweert dat Gallienus “de eerste was die senatoren verbood om een militaire carrière te beginnen of toe te treden tot het leger” (De Caesaribus 33). Dat was natuurlijk overdreven, maar zijn woorden bevatten wel een kern van waarheid.

[2] De meeste, zo niet alle jaartallen in deze bijdrage zijn onzeker. De besproken gebeurtenissen kunnen vroeger of later hebben plaatsgevonden, en ook over de volgorde van de gebeurtenissen is discussie mogelijk. Ik probeer hier een educated guess te geven en doe een poging een chronologie te presenteren die enigszins plausibel is.

[3] De twee Gallieni 5.

[4] E.Ch.L. van der Vliet, Een geschiedenis van de klassieke oudheid, p. 424.

[5] Cyprianus, Brief 77.

6 Comments:

  1. Pingback:Gallienus: De Jaren 260-268 – – Corvinus –

  2. Pingback:Rome: San Lorenzo in Lucina – – Corvinus –

  3. Pingback:Rome: San Lorenzo in Fonte – – Corvinus –

  4. Pingback:Brescia: Santi Nazaro e Celso – – Corvinus –

  5. Pingback:Rome: San Sebastiano fuori le Mura – – Corvinus –

  6. Pingback:Piacenza: San Sisto – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.