Quintillus en Aurelianus: De Jaren 270-271

Aureus van Aurelianus (bron: Classical Numismatic Group, Inc.).

Claudius Gothicus werd opgevolgd door zijn broer Quintillus. De Senaat accepteerde hem als de nieuwe Augustus, maar in die dagen had de Senaat maar weinig echte macht. Quintillus regeerde net lang genoeg om eigen munten te laten slaan, maar het leger was niet blij met de keuze van de Senaat en presenteerde al snel een eigen kandidaat: Lucius Domitius Aurelianus. Aurelianus was geboren in Illyricum, mogelijk in Sirmium in Pannonië. Hij was een door de wol geverfde militair en een competente cavaleriecommandant. Het is vrij waarschijnlijk dat hij tot de samenzweerders had behoord die in 268 de moord op keizer Gallienus hadden beraamd. Toen hadden de samenzweerders Claudius als de volgende keizer gekozen, maar nu Claudius dood was, was het de beurt aan Aurelianus. Quintillus wist waarschijnlijk heel goed dat hij weinig kans had tegen een kandidaat die steun had van het grootste gedeelte van het leger. Na een regering van slechts enkele maanden werd hij gedood of pleegde hij zelfmoord door op traditioneel Romeinse wijze zijn eigen aderen te openen.

Een keizer op veldtocht

Aurelianus kwam waarschijnlijk in de zomer van 270 in Rome aan. Hij verliet de hoofdstad alweer snel, want gebeurtenissen aan de Donaugrens vereisten zijn aanwezigheid. Zoals het een echte soldatenkeizer betaamde, bracht Aurelianus het grootste gedeelte van zijn regering op veldtocht door. Die conclusie kunnen we al trekken als we slechts de inscripties bestuderen die hij achterliet of die voor hem werden aangebracht. De keizer verzamelde een indrukwekkende lijst titels (agnomina): hij was ‘Germanicus Maximus’, ‘Gothicus Maximus’, ‘Carpicus Maximus’, ‘Parthicus Maximus’ en ‘Persicus Maximus’, en enkele inscripties noemen ook de titels ‘Arabicus Maximus’, ‘Sarmaticus Maximus’ en ‘Dacicus Maximus’.[1] De vaak problematische Historia Augusta voegt daaraan nog de titels ‘Armeniacus’ en ‘Adiabenicus’ toe.[2] Er is echter geen bewijs dat hij het eerstgenoemde agnomen ooit gebruikte, en de tweede titel werd juist gevoerd door een van zijn voornaamste tegenstanders: Imperator Caesar Lucius Julius Aurelius Septimius Vaballathus Athenodorus, heerser over het Palmyreense Rijk.[3]

Romeinse ruiterhelm (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Op grond van zijn succesvolle inspanningen om het Romeinse Rijk te herstellen kreeg Aurelianus tevens de titels restitutor en pater patriae. Vanuit militair oogpunt was hij een van de succesvolste keizers van de derde eeuw. Aan de andere kant moeten we niet blind zijn voor het feit dat titels in deze periode aan hevige inflatie onderhevig waren. Veel van de overwinningen van de keizer waren niet meer dan kleinere successen. Zijn beweerde veldtochten tegen de Perzen en Arabieren kunnen bijvoorbeeld niet meer dan punitieve raids zijn geweest. En wat nog veel belangrijker is: als we alleen naar de lijst met aan Aurelianus toegekende titels kijken, dan missen we compleet zijn grootste overwinningen. Daar is een goede reden voor: hij behaalde ze op min of meer Romeinse vijanden, namelijk de heerser over het zogenaamde ‘Gallische Rijk’ en de nominale ‘Augustus’ Vaballathus van Palmyra en diens moeder, de ‘Augusta’ Zenobia.

Inval in Italië

Toen de keizer noordwaarts richting Pannonië oprukte om een ‘barbaarse’ inval tot staan te brengen, wist hij dat zijn westelijke flank goed beschermd werd. Julius Placidianus, die Aurelianus spoedig tot praetoriaans prefect zou promoveren (als hij dat niet al gedaan had)[4], hield het instortende Gallische Rijk goed in de gaten. In dat Rijk was de Gallische keizer Victorinus waarschijnlijk al opgevolgd door Gaius Pius Esuvius Tetricus. Victorinus werd namelijk vermoord in Colonia Claudia Ara Agrippinensium (Keulen), mogelijk nadat hij de vrouw van een van zijn officieren, de actuarius (kwartiermeester) Attitianus, had verleid. Victoria, de moeder van de vermoorde keizer, kocht vervolgens de soldaten om om Tetricus als hun nieuwe keizer te aanvaarden. Deze Tetricus was een telg uit een vooraanstaande Gallo-Romeinse familie die diende als gouverneur van Aquitanië. Zijn zoon Tetricus junior werd tot Caesar benoemd. De nieuwe Gallische keizer kreeg al snel te maken met Germaanse stammen zich aan de grenzen van het Rijk meldden, maar ook met onvrede in het leger. Al met al vormde Tetricus geen bedreiging voor Aurelianus. Met hem zou hij later wel afrekenen.

Overblijfselen van de Muren van Servius Tullius bij het treinstation van Roma Termini.

Na aankomst in Pannonië ging Aurelianus de strijd aan met de indringers, die door Zosimus ‘Skythen’ worden genoemd, maar die hoogstwaarschijnlijk Vandalen (Vandili) waren. Na een kortstondig gevecht, dat onbeslist eindigde, sloten de keizer en de indringers eind 270 of begin 271 een overeenkomst. Beide partijen hadden goede redenen om vrede te sluiten: de Vandalen konden zich nu op Romeins gebied vestigen en Aurelianus kon terug naar Italië, dat opnieuw met een Germaanse inval te kampen had. Hoewel de notoir onbetrouwbare Historia Augusta de indringers Marcomanni noemt, ging het waarschijnlijk om Alemanni en een groep Juthungi die zich bij hen had aangesloten. De keizer haastte zich terug naar Italië, maar omdat zijn uitgeputte troepen nalieten de vereiste voorzorgsmaatregelen te nemen, werden ze in 271 nabij Placentia (het huidige Piacenza) in een hinderlaag gelokt. De Romeinen leden een nederlaag die waarschijnlijk eerder vernederend dan ernstig was, maar die nederlaag betekende wel dat de weg naar Rome wagenwijd open lag.[5] De stad werd nog wel beschermd door de Muren van Servius Tullius uit de vierde eeuw BCE, maar Rome was allang uit dit jasje gegroeid, met als gevolg dat belangrijke delen van de stad er compleet onbeschermd bijlagen. Aurelianus wist dit maar al te goed.

Terwijl de Alemanni en Juthungi langs de Via Aemilia oprukten, slaagde keizer erin zijn troepen weer bij elkaar te krijgen en zette hij de achtervolging in. Bij Fanum Fortunae (het huidige Fano), waar de Via Flaminia het binnenland ingaat richting Rome, wist hij de indringers in te halen. Aurelianus bracht zijn tegenstanders daar een zware nederlaag toe en joeg hen terug naar het noorden. Bij Ticinum (Pavia) vond vervolgens nog een laatste confrontatie plaats, waarbij de overlevende Alemanni en Juthungi vernietigd werden. Italië, en vooral Rome, waren gered.

Rellen in Rome

De invasie had in de Eeuwige Stad tot grote paniek geleid. Al snel werd de beslissing genomen om nieuwe, grotere, langere en sterkere stadsmuren te gaan bouwen. Grote delen van deze Aureliaanse Muren en hun poorten staan nog altijd recht overeind. Het was echter geen geval van ‘eind goed, al goed’. Er was sprake van veel onrust in Rome en het volk begon te rellen. Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat de ongeregeldheden te maken hadden met de Germaanse invasie. Het is veel aannemelijker dat wijlen keizer Quintillus nog altijd flink wat aanhangers in de hoofdstad had, en dan vooral onder de senatoren.

Een deel van de Aureliaanse Muren bij de Porta Appia.

Waarschijnlijk moeten we in deze context de opstand plaatsen die arbeiders van de keizerlijke munt (monetae opifices of monetarii) tijdens de regering van Aurelianus ontketenden. Het lijkt erop dat deze mannen bij schimmige praktijken betrokken waren. Het zilvergehalte van munten was inmiddels gedaald naar 3,5 tot 4 procent, vergeleken met meer dan 90 procent tijdens de regering van Trajanus (98-117).[6] Deze dramatische geldontwaarding werd grotendeels veroorzaakt door oorlogen en recessies, waardoor er een tekort aan zilver was ontstaan, maar daarnaast waren de arbeiders van de munt corrupt geworden. Ze verwisselden een deel van het zilver voor laagwaardige metalen en hielden het kostbare edelmetaal voor zichzelf. Aurelius Victor beschuldigt de arbeiders meer specifiek van “het wegvijlen van de merktekens”, wat dat ook precies moge inhouden.[7] Toen hun misdaad werd ontdekt, sloten ze zich aan bij de relschoppers en verschansten ze zich in de keizerlijke munt. Die bevond zich op de Caelius, net achter het Colosseum.[8] De overblijfselen van het gebouw zijn te zien onder de kerk van San Clemente. Het vermoeden bestaat tenminste dat dit gebouw de munt was.

Stadsmuren van Rome. In wit/grijs de zogenaamde Muren van Servius Tullius uit de vierde eeuw BCE. In bruin de Aureliaanse Muren uit de derde eeuw CE.

Na zijn overwinning bij Ticinum rukte Aurelianus op naar Rome om de orde te herstellen. De stad zou al snel ervaren hoe genadeloos deze keizer kon zijn. Zowel Aurelius Victor als de anonieme auteur van de Historia Augusta – die Victor als bron kan hebben gebruikt – beweren dat er 7.000 soldaten sneuvelden bij het neerslaan van de opstand van de muntarbeiders, die werden geleid door hun rationalis auctor Felicissimus. Het aantal slachtoffers onder de soldaten is ongetwijfeld sterk opgeblazen, maar er zal zeker fel gevochten zijn voordat de rebellen eindelijk verslagen waren. Aurelianus drukte ook de andere rellen in de stad de kop in en liet de kopstukken terechtstellen. Onder de mannen die vermoord werden, bevonden zich ook enkele senatoren. Mogelijk werden zij gestraft voor hun eerdere steun aan Quintillus.

Nu in de straten van Rome de rust was teruggekeerd, kon de keizer zich gaan voorbereiden voor een grootschalige veldtocht in het Romeinse Oosten. In 271 gaf Zenobia van Palmyra haar inval in en annexatie van Egypte van het jaar daarvoor een vervolg door helemaal met Rome te breken. Ze gaf haar zoon Vaballathus de titel Augustus en begon zichzelf Augusta te noemen. Dit was een belediging die Aurelianus simpelweg niet kon negeren.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 118, p. 130 en p. 141;
  • The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 316.

Noten

[1] Zie voor Sarmaticus and Dacicus ILJug-03, 02073 = AE 1925, 00057. De inscriptie noemt Aurelianus niet expliciet, maar moet wel betrekking hebben op hem. Wie anders kan er consul voor de derde maal en pater patriae zijn?

[2] Leven van Aurelianus 30.

[3] Zie bijvoorbeeld Thomsen-1917, 00073b.

[4] CIL 12, 01551. Placidianus zou in 273 als consul dienen, samen met de toekomstige keizer Tacitus.

[5] Mogelijk had de hoofdstad nog verdedigd kunnen worden door Legio II Parthica, dat bij Castra Albana gelegerd was.

[6] Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 141.

[7] In het Engels: “filling off the coin marks”, H.W. Birds vertaling van ‘nummariam notam corrosissent’.

[8] De oorspronkelijke munt van de stad was verbonden aan de tempel van Juno Moneta op de Capitolijn, op de plek waar we nu de kerk van Santa Maria in Aracoeli vinden. Domitianus (81-96) verplaatste de munt naar de Caelius. Zie The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 316.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.