Aurelianus: De Jaren 271-273

Drobeta in Dacië op de zuil van Trajanus. Nadat ze de provincie ontruimd hadden, behielden de Romeinen het stadje als bruggenhoofd.

Het was nog steeds het jaar 271 toen Aurelianus, op weg naar het Oosten voor de confrontatie met Zenobia, gevechten leverde met plunderende stammen die weer eens door de Donaugrens heen gebroken waren. De niet bijster betrouwbare Historia Augusta spreekt van veldtochten in Illyricum (een generieke term voor de Balkan) en Thracië. Volgens deze bron vocht de keizer zelfs tegen de Goten aan de andere zijde van de rivier de Donau, waarbij hij 5.000 vijanden doodde, inclusief hun leider Cannabas of Cannabaudes. Hoewel een groot deel van de biografie van Aurelianus in de Historia Augusta pure fictie is, is er meer dan voldoende bewijs voor zijn veldtochten in het Balkangebied. Veel van de titels van de keizer – bijvoorbeeld ‘Gothicus Maximus’ en ‘Carpicus Maximus’ – moeten tijdens deze operaties verdiend zijn. Zo rond deze tijd moet de keizer ook de beslissing hebben genomen om Dacia Traiana of Dacia Transdanuvina op te geven, i.e. de Dacische provincie aan de overzijde van de Donau gecreëerd tijdens de regering van keizer Trajanus (98-117). De provincie was simpelweg te kwetsbaar en Aurelianus beschikte over onvoldoende mankracht om haar te verdedigen. De in de provincie aanwezige troepen – waarschijnlijk wat er nog over was van Legio XIII Gemina – werden teruggetrokken en de bevolking werd gevestigd in een nieuwe provincie die in het noorden van Moesië werd ingesteld: Dacia Aureliana.

Redder van het Oosten

De veldtocht van de keizer tegen Zenobia begon uitstekend. Eind 271 of begin 272 bereikte hij Byzantium, waar hij de Bosporus overstak en zonder enige tegenstand te ontmoeten Bithynië binnentrok. De Augusta van het Palmyreense Rijk had eerder geprobeerd ook die streek te annexeren, maar haar leger was verdreven door de plaatselijke bevolking. Aurelianus trok verder naar Ancyra in Galatië, een stad die in handen van Palmyra was. Ancyra gaf zich echter zonder verzet over. Pas toen de keizer Tyana in Cappadocië bereikte, stuitte hij op felle tegenstand. Omdat de stad haar poorten voor hem sloot en dus belegerd moest worden, zwoer Aurelianus een eed dat hij nog geen hond in Tyana in leven zou laten. De stad werd vervolgens aan de keizer verraden door een van haar inwoners en kon zo worden ingenomen. Aurelianus liet de verrader executeren, en toen zijn manschappen op het punt stonden de bevolking over de kling te jagen, gaf hij hun de opdracht in plaats daarvan alle honden in de stad te doden. Dat was immers wat hij gezworen had: dat hij nog geen hond in leven zou laten. Volgens een ander verhaal zou de beroemde Pythagoreïsche filosoof Apollonius van Tyana aan de keizer in een visioen zijn verschenen en hem bevolen hebben de stad te sparen.

Kaart van de veldtocht van Aurelianus tegen Zenobia (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Oogbeschermer voor een paard (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Wat er ook werkelijk gebeurde bij Tyana, de stad werd inderdaad gespaard en Aurelianus trok verder naar Cilicië en nam alle steden tussen Tyana en Antiochië in. In de tussentijd had Zenobia haar leger gemobiliseerd en de twee legers raakten in de buurt van Antiochië slaags. Mogelijk vond de strijd plaats bij Immae, het dorp waar Elagabalus in 218 Macrinus had verslagen. Aurelianus wist dat het Palmyreense leger sterk op zijn zware cavalerie leunde, de beroemde katafracten. Een charge van deze zwaar bepantserde ruiters was bijna niet af te stoppen, maar juist vanwege de zware bepantsering raakten ruiters en paarden al snel uitgeput en dan waren ze een gemakkelijk doelwit. De keizer gaf zijn lichte ruiters bevel net te doen alsof ze zich terugtrokken en zich vervolgens door hun tegenstanders te laten achtervolgen. De katafracten hapten toe en waren als gevolg van de verzengende hitte en het gewicht van hun pantsers al spoedig buiten adem. De veel lichtere Romeinse cavalerie maakte toen rechtsomkeert, viel de Palmyreense ruiters aan en versloeg ze met groot gemak. Toen de katafracten waren uitgeschakeld, stortte de rest van het Palmyreense leger snel in elkaar en ontvluchtte het slagveld.

Aurelianus had een beslissende overwinning geboekt, maar Zenobia’s generaal Septimius Zabdas probeerde die te verbergen voor de burgers van Antiochië. Hij liet een man die op de keizer leek aankleden als Aurelianus en door de stad paraderen. Zo deed hij net alsof hij een grote overwinning op de Romeinen had geboekt en hun leider had gevangengenomen. Voorlopig geloofden de burgers het verhaal, zodat Zabdas, Zenobia en de restanten van het Palmyreense leger ’s nachts naar Emesa (het huidige Homs) konden vluchten. Vervolgens trok Aurelianus Antiochië binnen, waar hij als een held werd onthaald. Voordat hij achter Zenobia aan kon gaan moest de keizer eerst nog een geschil beslechten betreffende de patriarch van de stad, Paulus van Samosata. Deze Paulus was enkele jaren geleden door een synode afgezet vanwege zijn ketterse opvattingen, maar omdat hij steun genoot van Zenobia had hij toch aan kunnen blijven als patriarch van de stad. Aurelianus was allesbehalve een christen, maar als keizer beschikte hij over de bevoegdheid (en de plicht) dit soort geschillen de wereld uit te helpen. Hij liet patriarch Paulus uit zijn ambt zetten en vervangen door zijn rivaal Domnus.

Romeinse legioensoldaten uit de Keizertijd in testudo-formatie (zuil van Trajanus, Rome).

Nu hij Antiochië stevig in handen had, rukte Aurelianus op naar het zuiden, op zoek naar Zenobia. De keizerin had een beperkt aantal troepen achtergelaten, die zich hadden verschanst op een heuvel met uitzicht op Daphne, een voorstad net ten zuiden van Antiochië (en de plek waar de Seleucidenkoning Antiochos IV Epiphanes in de zomer van 166 BCE zijn beroemde festival had gehouden). De positie van de Palmyreense soldaten was bijzonder sterk, maar de keizer gaf zijn infanterie gewoon bevel zich in testudo op te stellen de heuvel te beklimmen. De overlappende schilden beschermden de manschappen tegen de projectielen die naar hen gegooid werden, en toen ze de top van de heuvel hadden bereikt, stormden de Romeinen naar voren en versloegen met gemak hun tegenstanders. Nadat hij dit obstakel had opgeruimd trok Aurelianus verder langs de rivier de Orontes en nam zonder tegenstand te ontmoeten Apamea, Larissa en Arethusa in. Vervolgens bereikte de keizer Emesa, waar het Palmyreense leger zich in slagorde had opgesteld.

Het einde van Palmyra

Zosimus beweert dat het Palmyreense leger uit 70.000 manschappen bestond. Dat was ongetwijfeld overdreven, maar aan de andere kant lijkt het erop dat Zenobia tijdens de eerdere gevechten met de Romeinen betrekkelijk lichte verliezen had geleden. Bovendien had ze mogelijk versterkingen laten invliegen. Onder haar manschappen moeten ook de nodige soldaten zijn geweest uit de Romeinse legioenen die in het Oosten, vooral in Syrië, gelegerd waren. Verder hadden de Palmyreense officieren geleerd van hun eerdere fouten en trapten ze geen tweede keer in de tactiek van de geveinsde vlucht. Ditmaal wisten de katafrakten de lichtere ruiters uit Dalmatië, Pannonië en Moesië in te halen en de strijd met hen aan te gaan, waarin ze geleidelijk de overhand kregen. Daarop stuurde Aurelianus zijn infanteristen het gevecht in, die na felle gevechten hun tegenstanders wisten te verslaan.

Reliëf met Aglibol en Malakbel, goden uit Palmyra (Capitolijnse Musea, Rome).

Veel van de soldaten in het leger van Aurelianus waren reguliere Romeinse soldaten uit Europa, maar de keizer maakte tevens op grote schaal gebruik van regionale hulptroepen. Onder hen waren Palestijnen uit Judea die niet met zwaard en speer, maar met knots en knuppel vochten. Deze botte wapens waren bijzonder effectief tegen de zware harnassen van de Palmyreense katafrakten. Die boden uitstekende bescherming tegen scherpe wapens, maar niet tegen de trauma’s veroorzaakt door knotsen en knuppels. De Romeinen behaalden uiteindelijk een grote overwinning en Zenobia en Zabdas zagen zich genoodzaakt naar Palmyra te vluchten. Aurelianus trok als held en bevrijder Emesa binnen, en maakte zich meester van de schatten van Zenobia die ze niet op haar vlucht mee had kunnen nemen.

De keizer besloot geen tijd te verspillen en rukte direct op naar Palmyra. Palmyra was in die tijd een grote, goed verdedigde woestijnstad en de weg door de woestijn was zeer gevaarlijk. De Romeinse marscolonne werd herhaaldelijk aangevallen door vijanden, waarschijnlijk nomaden, rovers, lichte troepen uit Palmyra of alle drie. Het beleg van Palmyra zou allesbehalve gemakkelijk worden. De Historia Augusta beweert zelfs dat Aurelianus gewond raakte door een pijl. Hoe dit ook zij, het was duidelijk dat Zenobia diep in de problemen zat. De verdedigers raakten in hoog tempo door hun voorraden heen en hadden dringend behoefte aan versterkingen. Zenobia raadpleegde haar krijgsraad en besloot een poging te wagen de stad te ontvluchten om bij de Perzen om militaire steun te vragen. De grote Shapur was rond deze tijd waarschijnlijk al gestorven. Hij was opgevolgd door zijn zoon Hormizd, maar die lijkt tegen de tijd dat de Romeinen met het beleg van Palmyra begonnen ook al dood te zijn geweest. Daardoor was Bahram I koning van het Sassanidenrijk geworden, een man die door Zenobia werd gezien als een potentiële bondgenoot tegen een gemeenschappelijk vijand.

Grafmonument uit Palmyra.

Helaas slaagde Zenobia er niet in het hof van Bahram te bereiken. Ze verliet Palmyra op een snelle kameel, maar werd al snel gespot door een Romeinse patrouille en gearresteerd toen ze probeerde de Eufraat over te steken. Aurelianus behandelde haar met respect en stuurde haar naar Rome toe voor zijn triomftocht. Waarschijnlijk werd haar zoon Vaballathus – feitelijk een nulliteit – met haar meegestuurd, al is het mogelijk dat hij onderweg verdronk bij het oversteken van de Bosporus. Palmyra gaf zich nu rap over aan het Romeinse leger, waarschijnlijk eind 272 of begin 273. Aurelianus liet een garnizoen achter en trok zich terug naar Emesa, waar hij Zenobia’s adviseurs ter dood veroordeelde. Kennelijk gaf hij vooral hun de schuld van haar opstand (en volgens Zosimus deed Zenobia dat zelf ook: ze pretendeerde nu slechts een ‘eenvoudige vrouw’ te zijn). Een van de veroordeelde adviseurs was de filosoof Cassius Longinus, die zijn dood met grote waardigheid en moed tegemoet zou zijn getreden.

In de tussentijd had een van de generaals van Aurelianus Egypte heroverd.[1] Dit gedeelte van de veldtocht is helaas slecht gedocumenteerd. Volgens de Historia Augusta was Marcus Aurelius Probus (de toekomstige keizer Probus) verantwoordelijk voor de herovering[2], maar er is wel enige reden om aan deze bewering te twijfelen. Mogelijk hebben de auteurs van de Historia Augusta hem verward met ene Probus of Probatus, die onder Claudius Gothicus diende en in 270 in Egypte was verslagen door een Palmyreens leger. Het doet er overigens niet veel toe wie Egypte voor Aurelianus heroverde. Waar het om ging, was dat deze vitale provincie nu weer in Romeinse handen was. De keizer kon nu met het volste recht claimen dat hij de RESTITVTOR ORIENTIS was, de ‘man die het Oosten in ere heeft hersteld’, een term die we op veel van zijn munten terugvinden.

Na enkele punitieve raids tegen de Perzen en Arabieren, waarmee hij de bijnamen ‘Parthicus Maximus’, ‘Persicus Maximus’ en ‘Arabicus Maximus’ verdiende, keerde de zegevierende keizer terug naar Europa. Terwijl hij strijd leverde met de Carpi in Moesië en de titel ‘Carpicus Maximus’ verdiende, kreeg hij plotseling bericht dat Palmyra tegen hem in opstand was gekomen en het garnizoen had uitgemoord. Aurelianus toonde zich vervolgens genadeloos. Nog voor het einde van 273 was hij terug in Syrië, waar hij Palmyra nagenoeg van de kaart veegde. De ooit zo welvarende stad zakte daardoor snel weg in de vergetelheid. Vervolgens sloeg de keizer nog een opstand in Alexandrië, Egypte, neer, die mogelijk werd geleid door de Firmus die in de Historia Augusta wordt genoemd. Binnen korte tijd wist Aurelianus de orde te herstellen, zodat hij zich volledig kon gaan richten op zijn laatste doelwit: het wankelende Gallische Rijk in het Westen.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 128-131.

Noten

[1] Mogelijk was dit al in de lente of zomer van 271 gebeurd.

[2] Leven van Probus 9.

One Comment:

  1. Pingback:Aurelianus: De Jaren 274-275 – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.