Aurelianus: De Jaren 274-275

Altaar van Malakbel of Sol Sanctissimus (Capitolijnse Musea, Rome).

Nu Zenobia was verslagen en gevangen was genomen, kon Aurelianus zich richten op de enig overgebleven rebel in het Westen, Tetricus, heerser over het zogenaamde ‘Gallische Rijk’ (de naam is een moderne vinding). Begin 274 raakte het leger van Aurelianus slaags met dat van Tetricus in de buurt van Durocatalaunum (het huidige Châlons). Het lijkt erop dat Tetricus weinig trek had in het gevecht. Hij stond onder zware druk van een van zijn eigen officieren, een zekere Faustinus, en had mogelijk al voordat de veldslag begon een deal gesloten met Aurelianus. Zodra de twee legers het gevecht hadden geopend, liep Tetricus over en zag hij hoe zijn leger in de pan werd gehakt. Het Gallische Rijk was hiermee verleden tijd en het Romeinse Rijk was weer verenigd. Aurelianus verdiende daarom beslist de titels van Restitutor Orbis en Pacator Orbis die we op zijn munten terugvinden. Tevens werd hij restitutor en pater patriae genoemd. Tot dusver hadden de Romeinen alleen een harde en genadeloze keizer gezien. Nu zouden ze zien dat Aurelianus ook een zachtere en genereuze kant had.

De spectaculaire Aurelianus

Na zijn overwinning in Gallië, en nog altijd in 274, hield Aurelianus een spectaculaire triomftocht in Rome. Zowel Zenobia als Tetricus en zijn zoon werden gedwongen voor de wagen van de keizer te lopen. De Historia Augusta doet op fantastische wijze verslag van de triomftocht, en ik zal dit verslag hieronder integraal citeren. Hoewel de Historia Augusta niet bepaald als de meest betrouwbare bron geldt en de door herten getrokken wagen waarschijnlijk aan de fantasie van de auteur ontsproten is, heb ik het idee dat de beschrijving de sfeer van het spektakel goed weergeeft:

“Het is niet misplaatst hier te beschrijven hoe de triomftocht van Aurelianus was, want die was zeer indrukwekkend. Er waren drie koninklijke wagens, waaronder een die aan Odaenathus had toebehoord, fraai bewerkt met zilver, goud en edelstenen, een tweede die de koning van Perzië aan Aurelianus ten geschenke had gegeven en die met net zo groot vakmanschap vervaardigd was, een derde die Zenobia voor zichzelf had laten maken in de hoop dat ze daarmee de stad Rome zou bezoeken. Daarin werd ze niet teleurgesteld, want op die wagen kwam ze de stad binnen, verslagen en in triomf meegevoerd. Er was nog een wagen met een span van vier herten, die naar men zei van de Gotische koning geweest was. Daarop reed, zoals velen beschreven hebben, Aurelianus naar het Capitool om daar de herten te offeren, die hij naar verluidt samen met die wagen had buit gemaakt en aan Jupiter Optimus Maximus had beloofd. In de stoet liepen twintig olifanten mee en tweehonderd getemde wilde dieren van verschillende soorten uit Libië en Palestina, die Aurelianus onmiddellijk cadeau deed aan particulieren om de schatkist niet met hun levensonderhoud te belasten. Verder werden er achtereenvolgens vier tijgers meegevoerd, giraffen, elanden, tachtig paar gladiatoren, en daarnaast nog krijgsgevangenen van vreemde volkeren: Blemmyen, Axomiten, Arabieren, Eudaemonen, Indiërs, Bactriërs, Hiberiërs, Saracenen, Perzen, allen met hun eigen gaven; Goten, Alanen, Roxolanen, Sarmaten, Franken, Sueven, Vandalen, Germanen, allen gevangenen van wie de handen geboeid waren. Naast hen liepen ook mensen uit Palmyra, voorname burgers, die het overleefd hadden, en Egyptenaren die vanwege de opstand werden meegevoerd.

Er liepen ook tien vrouwen mee die hij gevangen had genomen nadat veel andere vrouwen gedood waren, terwijl ze in mannenkleding tussen de Goten meevochten. Zij behoorden volgens een opschrift tot het volk van de Amazonen. Er werden namelijk borden meegedragen waarop de namen van de volkeren vermeld stonden. Ook Tetricus liep mee in de stoet, in een scharlaken mantel, een gele tunica en een Gallische broek, met zijn zoon naast zich, die hij tot keizer van Gallië had uitgeroepen. Daar liep ook Zenobia, behangen met edelstenen en gouden ketenen die anderen moesten helpen dragen. Er werden ook gouden kronen van alle steden meegedragen waarvan de namen op omhooggehouden borden te lezen vielen. Daarna kwam het Romeinse volk zelf, en de vaandels van de gilden en de legerkampen, en de gepantserde soldaten, de rijkdom van de koningen, het hele leger, de senaat (ook al was die wat bedroefd, omdat men zag dat ook senatoren in de triomftocht werden meegevoerd): het droeg allemaal veel bij aan de pracht en praal. Uiteindelijk kwam de stoet pas in het negende uur aan op het Capitool en pas laat in het paleis. De volgende dagen werd het volk geamuseerd met theatervoorstellingen, circusspelen, jachtvoorstellingen, gevechten van gladiatoren en zeeslagen.”[1]

Zicht op het Forum Romanum.

Oudere generaties herinnerden zich wellicht nog de spektakelstukken die Philippus Arabs in 248 had georganiseerd om de duizendste verjaardag van Rome te vieren. Bij jongere Romeinen kwamen herinneringen terug aan de decennalia van Gallienus van 262 of diens triomftocht van 264. De triomftocht van Aurelianus moet minstens even spectaculair zijn geweest als dit alles. Het spektakel stond in het teken van al zijn overwinningen op de vijanden van Rome sinds de keizer de troon had bestegen. Die vijanden waren niet alleen Zenobia en Tetricus, maar ook de ‘barbaren’ uit het noorden, oosten en zuiden die de grenzen van het Romeinse Rijk hadden geschonden. Tot de militairen die deelnamen aan de triomftocht behoorden ook de zwaar gepantserde ruiters die bekendstonden als de cataphractarii of clibanarii. Zij werden een steeds belangrijker onderdeel van het Romeinse leger.

De triomftocht van een Romeinse generaal eindigde traditioneel met de terechtstelling van de hooggeplaatste gevangenen die in de tocht hadden moeten meelopen. Meestal werden deze in het Tullianum gewurgd. Aurelianus had echter – heel uitzonderlijk – besloten genadig te zijn en spaarde de levens van Zenobia en Tetricus. Mogelijk kreeg Zenobia toestemming om de rest van haar leven door te brengen op een landgoed in de buurt van Tibur (het huidige Tivoli). Daar vestigde ze zich met haar kinderen, maar of Vaballathus daar nog bij was, is onzeker. Latere schrijvers beweren dat de voormalige Augusta hertrouwde, maar die bewering is hoogst dubieus. Misschien is de claim gebaseerd op een opmerking van Eutropius dat nakomelingen van Zenobia in zijn eigen tijd, i.e. het midden van de vierde eeuw, nog altijd in Rome woonden.[2] Tetricus kreeg een administratieve baan in Lucanië in Zuid-Italië en zijn zoon werd tot senator benoemd. Vervolgens nam de keizer maatregelen tegen valsemunterij. Hij liet valse munten uit de roulatie halen en liet nieuwe munten slaan met een hoger zilvergehalte.[3] Tevens trok hij zich het lot van de arme burgers van Rome aan. De bestaande uitdeling van brood werd aangevuld met systematische distributie van olie, zout en varkensvlees.

Aurelianus en Sol Invictus

Zonnewielen of rouelles (Musée d’Art et d’Histoire, Langres).

De meest duurzame architectonische bijdrage van de keizer aan de stad was – naast de Aureliaanse Muren – onmiskenbaar de bouw van een grote tempel gewijd aan Sol Invictus, de Onoverwonnen Zon. De tempel stond op de Campus Agrippae, in de buurt van de huidige kerk van San Silvestro in Capite, die waarschijnlijk over de westelijke omheining van de tempel heen werd gebouwd. Volgens de overlevering werd de tempel op 25 december van het jaar 274 gewijd, een datum die volgens de kalender van Filocalus de NATALIS INVICTI was, de geboortedag van de Invictus. De verering van een zonnegod door de Romeinen ging al ver terug, maar tegelijkertijd had deze god altijd een tamelijk marginale rol gespeeld. Keizer Vespasianus (69-79) had de Colossus van Nero voor het Colosseum omgevormd tot een beeld van de zonnegod Sol, maar in de eerste twee eeuwen van onze jaartelling was de cultus van Sol nooit echt populair geworden. Dat veranderde in de derde eeuw.

De cultus van de zonnegod kreeg een flinke impuls toen keizers uit de zogenaamde Severijnse dynastie de controle over het Rijk overnamen. Septimius Severus (193-211) was getrouwd met een Syrische vrouw, Julia Domna, wier vader hogepriester van de zonnegod Elagabal (‘god van de berg’) was. De tempel van Elagabal stond in Emesa in Syrië (het huidige Homs), waar de god werd vereerd in de vorm van een grote zwarte steen. Het was Elagabalus (218-222), Julia Domna’s achterneef, die de cultus van Elagabal naar Rome bracht. De religieuze revolutie van Elagabalus en diens poging zijn zonnegod de hoogste plaats in de goddelijke hiërarchie te geven liepen op een grote mislukking uit, maar de verering van een zonnegod werd voortgezet. We komen geregeld afbeeldingen van Sol tegen op munten die werden geslagen tijdens de regeringen van keizers als Severus Alexander (222-235), Gordianus III (238-244) en Gallienus (253-268). Op deze afbeeldingen houdt de zonnegod vaak een globe vast, wat impliceert de Sol de keizer de macht verstrekte om over de wereld te heersen. Gallienus was tevens “the first emperor since Elagabalus to address Sol directly in coin legends”, en op zijn munten vinden we dan ook teksten als Sol Conservator Augusti, Sol Comes Augusti en – uiteindelijk ook – Sol Invictus.[4]

Reliëf van Mithras, met Sol en Luna (Vaticaanse Musea, Rome).

De keuze van Aurelianus voor Sol Invictus was zowel verstandig als begrijpelijk.[5] De keizer was een kind van de Balkan en onder de Illyrische soldaten was de zonnegod zeer populair. Bovendien werd het verhaal verteld – al kan dat verzonnen zijn – dat de moeder van de keizer een priesteres van de zonnegod was geweest. Volkeren op de Balkan, zoals Daciërs en Thraciërs, vereerden al eeuwenlang zonnewielen, en dat gold ook voor de Kelten in Gallië, Noord-Spanje en Brittannië. De Keltische god Taranis werd meestal aan Jupiter gelijkgesteld, maar hij werd tevens als zonnegod gezien, en in Frankrijk, België, Groot-Brittannië en Spanje zijn dan ook tientallen ‘wielen van Taranis’, zonnewielen of rouelles opgegraven (zie de afbeelding hierboven). De ‘Gallische’ keizer Victorinus liet munten slaan met afbeeldingen van Sol, en dat deed ook Tetricus II, de zoon van Tetricus (zie hierboven).

Onder de soldaten van Aurelianus bevonden zich beslist ook aanhangers van Mithras. De leden van deze mysteriecultus verwezen naar hun godheid altijd als sol invictus Mithras (al wordt Mithras meestal afgebeeld als metgezel van Sol in plaats van als de zonnegod zelf; zie de afbeelding links). De cultus van Mithras was door en door Romeins en vooral populair in Rome, Ostia en de westelijke provincies, maar zijn oorsprong lag in het Romeinse Oosten, waarschijnlijk in Cappadocië. In Romeins Egypte vereerde men al sinds mensenheugenis een zonnegod en ook in Syrië was een dergelijke cultus – zoals we hierboven hebben gezien – diepgeworteld. Aurelianus had ongetwijfeld zelf de tempel van Elagabal in Emesa gezien toen hij die stad op Zenobia heroverde. Zosimus beweert dat de keizer de hand had gelegd op beelden van Malakbel en de oppergod Bel, en dat hij deze in zijn nieuwe tempel liet plaatsen. Malakbel was toen al bekend in Rome, want de stad kende een Palmyreense gemeenschap. De naam van deze godheid in het Latijn was kennelijk Sol Sanctissimus, ‘Allerheiligste Zon’ (zie de eerste afbeelding in deze bijdrage). Al met al was de beslissing van Aurelianus om een tempel voor Sol Invictus te bouwen volstrekt logisch.

Reliëf met Aglibol en Malakbel, goden uit Palmyra (Capitoljinse Musea, Rome).

Over de aard van Sol Invictus worden nogal eens verstrekkende beweringen gedaan. Was hij echt een oppergod en waren de andere goden simpelweg manifestaties van hem? Was er nu een soort ‘solair monotheïsme’[6] of henotheïsme ontstaan? Feit is dat we niet weten wat Aurelianus persoonlijk geloofde, terwijl het volstrekt onmogelijk is om vast te stellen wat gewone Romeinen geloofden. Nadat Aurelianus zijn tempel had gewijd en een college van priesters had ingesteld, werden de culten van de andere goden gewoon voortgezet. Jupiter bleef de oppergod van de Romeinen, al is het zeker mogelijk dat hij onder Aurelianus Sol Invictus als zijn gelijke moest accepteren. Het lijdt namelijk geen twijfel dat de keizer persoonlijk sterk aan de zonnegod was toegewijd. Daarnaast lijkt het erop dat de cultus van Sol Invictus ook echt in het hele Rijk moest worden ingevoerd, als een soort unificerende kracht in het multiculturele Romeinse Rijk. Dit was het politieke doel van de keizer, en het lijkt nogal onaannemelijk dat de keizer hierbij geïnspireerd werd door complexe theologische theorieën over de aard van Sol Invictus. Aurelianus was immers een simpele soldaat. Zijn eerste zorg was altijd zijn troon te beschermen.

Per ongeluk vermoord

In 275 bevond Aurelianus zich in Caenophrurium of Perinthus, niet ver van Byzantium. Doorgaans wordt aangenomen dat hij een nieuw offensief tegen de Perzen voorbereidde. Hoewel hij al met de titels ‘Parthicus Maximus’ en ‘Persicus Maximus’ zwaaide, was de werkelijkheid dat hij na de inname van Palmyra alleen een paar raids in Perzisch gebied had uitgevoerd. Helaas voor Aurelianus zou het nooit meer tot nieuwe offensieven komen, want in 275 werd hij door zijn eigen soldaten vermoord. Het lijkt er niet op dat er hoge officieren bij de moord betrokken waren, en Aurelius Victor schrijft haar toe aan bepaalde krijgstribunen die vanwege de striktheid en meedogenloosheid van de keizer voor hun leven vreesden. Zowel Victor als Zosimus geven de schuld van de moord aan een secretaris of notarius: de man had van de keizer een reprimande gekregen en vervolgens een lijst gefabriceerd met namen van soldaten die Aurelianus zogenaamd wilde laten executeren. Toen de soldaten hun eigen namen op de lijst zagen, vreesden ze voor hun leven. Ze trokken hun zwaarden en doodden hun keizer. De belangrijkste moordenaar was een zekere Mucapor.

Deel van een Romeinse helm, ca. 200-300 CE (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Hoewel het verhaal over de dodenlijst mogelijk later verzonnen is, staat vast dat de soldaten die bij de moord betrokken waren op eigen houtje opereerden. De rest van het leger, van de gewone soldaten tot de belangrijkste officieren, was diep geschokt door de dood van de geliefde keizer. Aurelianus kreeg een grootse uitvaart en werd later vergoddelijkt, maar het Rijk stond nu voor een zeer grote uitdaging. De vermoorde keizer en zijn vrouw Ulpia Severina hadden alleen een dochter, die natuurlijk niet haar vader op kon volgen. De zus van Aurelianus had waarschijnlijk wel een zoon, maar volgens bronnen als de Historia Augusta had de keizer hem al laten vermoorden. De conclusie was dus duidelijk: er was geen opvolger. Daarmee was de situatie radicaal anders dan in 268, toen Gallienus was vermoord. Zijn moordenaars waren hoge officieren geweest die onmiddellijk Claudius het purper hadden aangeboden. De moordenaars van Aurelianus stelden daarentegen niets voor en hadden geen enkele politieke macht. Er verstreek een interregnum van ongeveer twee maanden voordat het leger een opvolger had gekozen. In de tussentijd fungeerde Ulpia Severina mogelijk nog als keizerin, maar het is onmogelijk om haar exacte rol te reconstrueren.

Uiteindelijk bleek een oude senator genaamd Marcus Claudius Tacitus acceptabel voor zowel de Senaat als het leger. Hij werd de nieuwe Augustus. Aurelius Victor[7] en de Historia Augusta[8] proberen zijn benoeming te presenteren als het herstel van het bestuur door de Senaat, maar in werkelijkheid werd de kandidaat de senatoren gewoon door de strot geduwd door het leger. Tacitus zou al 75 jaar oud zijn geweest. Hij was in 273 consul ordinarius geweest samen met Julius Placidianus, de praetoriaanse prefect van Aurelianus. Misschien was hij dankzij deze connectie een geschikte kandidaat voor de troon. Daarmee had het Romeinse Rijk in november of december 275 weer een nieuwe Augustus.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Matthew P. Canepa, The Two Eyes of the Earth: Art and Ritual of Kingship Between Rome and Sasanian Iran, p. 81;
  • Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 118-119 and p. 129-131;
  • Henk Singor, Constantijn, p. 34-39.

Noten

[1] De Vergoddelijkte Aurelianus 33-34 (vertaling: John Nagelkerken).

[2] Breviarium Historiae Romanae 9.13.

[3] Het is denkbaar dat het deze maatregelen waren die leidden tot de korte, maar hevige opstand van de arbeiders van de keizerlijke munt die ik bij het jaar 271 heb besproken.

[4] Matthew P. Canepa, The Two Eyes of the Earth: Art and Ritual of Kingship Between Rome and Sasanian Iran, p. 81.

[5] De volgende alinea’s zijn gedeeltelijk gebaseerd op Henk Singor, Constantijn, p. 34-39.

[6] Singor, p. 37.

[7] “Everyone was happy because the senators had recovered the right to choose the emperor from the arrogant military” (De Caesaribus 36; Engelse vertaling van H.W. Bird).

[8] “Wat een respect voor het gezag van de senaat!” (Tacitus 2; vertaling: John Nagelkerken).

One Comment:

  1. Pingback:Carus, Numerianus en Carinus: De Jaren 282-284 – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.