Probus: De Jaren 276-282

Bronzen hoofd van Probus (Museo di Santa Giulia, Brescia).

Marcus Aurelius Probus was zonder enige twijfel een zeer succesvolle generaal. Volgens Aurelius Victor was hij “bijna een tweede Hannibal vanwege zijn grote kennis van oorlogsvoering en zijn veelzijdige training van de soldaten en het weerbaar maken van de jonge rekruten”.[1] Gedurende het grootste gedeelte van zijn regering vocht de keizer tegen interne en externe vijanden. Tot zijn andere grote verdiensten behoort, wellicht enigszins verrassend, het bevorderen van de wijnbouw in Gallië, Pannonië en Moesië. In de eerste eeuw was er sprake geweest van een graantekort, met als gevolg dat keizer Domitianus (81-96) een edict had uitgevaardigd dat voorschreef dat akkerland moest worden gebruikt voor het verbouwen van graan in plaats van druiven. Op grond van het edict waren in Italië geen nieuwe wijngaarden toegestaan en moest in de provincies de helft van de wijngaarden verdwijnen. Overigens lijkt het erop dat het edict niet altijd en overal gehandhaafd werd.[2] In de tijd van Probus was het waarschijnlijk al vervallen, en de keizer bevorderde dan ook naar hartenlust de viticultuur in de provincies, vooral rondom zijn geboortestad Sirmium in het huidige Servië.

Interne en externe vijanden

We kunnen de veldtochten van de keizer tijdens zijn zesjarige regering als volgt reconstrueren. Tussen 277 en 279 vochten Probus en zijn generaals tegen ‘barbaarse’ indringers die door de Rijn- en Donaugrenzen heen waren gebroken. Eerst verjoegen ze de Franken en Alemanni uit Gallië en doodden ze een groot aantal van hen, al moeten we de door de Historia Augusta genoemde 400.000 Germaanse slachtoffers natuurlijk met een korreltje zout nemen. Na de Rijngrens te hebben veiliggesteld, nam de keizer het op tegen de Burgundi en de Vandili (en wellicht ook de Sarmaten) die Rhaetië en Pannonië waren binnengevallen. De indringers leden een gevoelige nederlaag en Zosimus beweert dat de overlevenden werden meegenomen naar Brittannië en daar werden gevestigd. Na zijn zeges kreeg de keizer de bijnaam ‘Germanicus Maximus’ toegekend (of nam hij die zelf aan). Op sommige van zijn munten vinden we de tekst VICTORIA GERM. Overwinningen in Thracië op de Goten en de Bastarnae (een Germaanse stam) leidden tot de toekenning van een volgende bijnaam: ‘Gothicus Maximus’. Zoals zo vaak combineerde de keizer bruut geweld met diplomatie. Verslagen vijanden die zich overgaven, kregen toestemming om zich in Romeins gebied te vestigen.

Reliëf op de graftombe van een soldaat uit de 3e of 4e eeuw. Hij draagt twee werpspiesen, een plat ovalen schild en een zwaard aan de linkerzijde (Museo Archeologico Nazionale di Aquileia).

In 279 was er vervolgens een opstand in Isaurië die werd geleid door een zekere Lydius. In de bronnen wordt hij neergezet als een ordinaire struikrover, maar zijn rebellie was kennelijk dusdanig ernstig dat het Romeinse leger op hem af werd gestuurd en zijn bolwerk Cremna in Pisidië belegerde. De stad gaf zich over nadat Lydius was gedood, en vervolgens werd binnen korte tijd de orde weer hersteld. Probus zelf was overigens niet bij het beleg van Cremna aanwezig geweest: hij had de regionale gouverneur Terentius Marcianus[3] op de opstandelingen afgestuurd. De opstand van Lydius was zeker lastig geweest, maar het is nogal onwaarschijnlijk dat de man ooit plannen had gehad om zichzelf tot keizer uit te roepen.

In Egypte was er sprake van ernstigere problemen. Daar waren de Blemmyes binnengevallen, een nomadenstam. Waarschijnlijk reisde de keizer in hoogsteigen persoon naar de provincie toe om het bevel op zich te nemen. De nomaden werden weer verdreven en leden zware verliezen. Het is aannemelijk dat de keizer nu voorbereidingen begon te treffen voor een oorlog tegen de Perzen en hun koning, Bahram II. Voordat hij echter zijn offensief kon lanceren werd hij weer teruggeroepen naar het Westen om een opstand neer te slaan in Gallië, waar Bonosus en Proculus tot gezamenlijke keizers waren uitgeroepen. De eerstgenoemde was afkomstig uit Albingaunum in Ligurië, de laatstgenoemde uit Spanje, al had hij Gallo-Britse wortels. De opstand van Bonosus en Proculus werd in 280 neergeslagen. Een volgende opstand in Syrië – mogelijk in 281 – liep op niets uit toen de usurpator, een zekere Saturninus, door zijn eigen manschappen werd vermoord. Probus had nu eindelijk tijd om een welverdiende triomftocht te houden vanwege zijn overwinningen op de verschillende Germaanse volkeren en de Afrikaanse Blemmyes. Het is opmerkelijk dat Probus zichzelf wel ‘Germanicus Maximus’ noemde (zie hierboven), maar kennelijk nooit het agnomen ‘Blemmicus Maximus’ kreeg toegekend.

Dood en opvolging

Probus handhaafde strikt de discipline in zijn leger en sommige van zijn soldaten vonden het maar moeilijk te verteren dat hij hen ook inzette voor niet-militaire projecten. Het was waarschijnlijk in september 282 dat hij een aantal van hen de opdracht gaf om in de buurt van zijn geboorteplaats Sirmium greppels te graven en reservoirs aan te leggen. De stad had te kampen met overstromingen door overvloedige regenval en de keizer wilde voor goede drainage zorgen. De Historia Augusta maakt de zaken zelfs nog wat groter door te beweren dat Probus vele duizenden soldaten een compleet moeras liet droogleggen door een kanaal te graven naar de rivier de Savus (tegenwoordig de Sava). Los van welk verhaal er nu waar is, een aantal soldaten kwam in opstand en viel hun keizer aan. Probus vluchtte naar een ijzeren toren die hij als uitkijkpunt gebruikte, maar de woedende soldaten slaagden er toch in hem te vermoorden.

Verzameling Romeinse zwaarden.

De moord op Probus lijkt het resultaat te zijn geweest van een spontane actie. De moordenaars werden niet gesteund door hoge officieren, noch door de meerderheid van de gewone soldaten. De vermoorde keizer kreeg een grootse uitvaart en werd later ook vergoddelijkt, zoals blijkt uit de vermelding van DIVVS PROBVS in de Chronograaf van 354. Probus werd opgevolgd door zijn praetoriaanse prefect Marcus Aurelius (of Numerius) Carus. Volgens Aurelius Victor was Carus geboren in Narbo Martius (het huidige Narbonne) in Gallia Narbonensis, een kolonie die de Romeinen omstreeks 118 BCE hadden gesticht. Als de bewering klopt, kan Carus dus niet tot de Illyrische keizers worden gerekend. Hij benoemde zijn zoons Numerianus en Carinus tot Caesars en lijkt op de steun van de soldaten te hebben geleund om de Senaat zo ver te krijgen dat deze hem als Augustus aanvaardde. Aangezien hij sterk profiteerde van de moord op Probus, verdachten sommigen hem ervan dat hij medeplichtig was aan die misdaad. Sterk bewijs voor die beschuldiging is er echter niet.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 133-134.

Noten

[1] “[W]as almost a second Hannibal because of his great knowledge of warfare and his versatile training of the soldiers and his toughening of the young recruits”, De Caesaribus 37 (translation: H.W. Bird).

[2] Suetonius, Domitianus 7.

[3] Gouverneur van de provincie Lycia et Pamphylia.

One Comment:

  1. Pingback:Carus, Numerianus and Carinus: De Jaren 282-284 – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.