Michiel de Ruyter tegen Suleiman Reis (27-28 september 1655)

Standbeeld van Michiel de Ruyter uit 1841 in Vlissingen.

Tijdens zijn expeditie tegen de Noord-Afrikaanse kapers in 1655 voer viceadmiraal Michiel de Ruyter op 27 september van dat jaar op de Tijdverdrijf net buiten de Straat van Gibraltar. Het weer was goed, en op enig moment signaleerde hij een groot schip dat zijn aandacht trok. Met slechts twee andere schepen besloot hij er jacht op te maken. Het schip zette daarop onmiddellijk koers naar de Marokkaanse stad Asilah. De achtervolging duurde een groot deel van de dag en pas tegen vijf uur in de middag kwamen prooi en jagers bij deze stad aan. De Ruyter had het vaartuig herkend als het admiraalsschip van Algiers. Nog geen maand eerder had hij voor de rede van deze stad gelegen en daar verschillende kaperschepen binnen en buiten de haven gezien. Het is goed mogelijk dat het admiraalsschip daar ook bij was. De Ruyter wist zelfs de naam van het schip te noteren: de Gouden Dadelboom. Dat was echter niet de oorspronkelijke naam: eerder had het schip het Rad van Avontuur geheten. Het was een Nederlands schip dat in het verleden door de Algerijnen gekaapt was en vervolgens als kaperschip was uitgerust.

De Gouden Dadelboom was een schip van formaat, heel anders dan de kleine bark die de vloot van De Ruyter tien dagen eerder buit had gemaakt. Het schip kon zich meten met de Tijdverdrijf. Het had 36 kanonnen en 210 bemanningsleden. De kapitein was een renegaat uit ‘Hijerlant’, oftewel Ierland. Wellicht kende De Ruyter zijn naam, want hij had lang op Ierland gevaren en er zeer waarschijnlijk ook gewoond en gewerkt (1623-1631). Nu noemde de renegaat zich echter Suleiman Reis. ‘Suleiman’ was de naam die hij als moslim had gekozen en ‘Reis’ was een rang bij de Ottomaanse marine, vergelijkbaar met een kapitein. Er had al eens eerder een Suleiman Reis de Algerijnse kapers aangevoerd. Dat was nota bene een Nederlander geweest, Ivan de Veenboer uit Hoorn, die in 1620 was gesneuveld. Er zal De Ruyter veel aan gelegen zijn geweest ‘Selleman Reijs’ – zoals hij hem in zijn journaal noemde – uit te schakelen. Daar zou hij ook in slagen, maar de renegaat gaf zich niet zomaar gewonnen.

Het journaal van Michiel de Ruyter, 27 september 1655 (Nationaal Archief). Na de mededeling dat op het vijandelijke schip werd gejaagd, staat er dat de schepen van De Ruyter daar “den 5 uren bij quamen. Het was den amijrael van Arsijer [Algiers], schijp genaemt de Gouden Dadelboom, voor desen bij de Hollanders genaemt het Radt van Avonteure. De capyteyn genaemt Selleman Reijs was een renijgaet van geboren wt [uit] Hijerlant [Ierland]. Schip gemontert [uitgerust, waarna beschrijving van aantallen kanonnen en bemanningsleden volgt].

De confrontatie bij Asilah en de redding van de christenslaven

Aangekomen bij Asilah probeerde De Ruyter met de Tijdverdrijf de aanval te openen, maar de kaper had zich dicht bij het land en de stad gemanoeuvreerd. Bovendien lag de Gouden Dadelboom bijna aan de grond, dus het was onmogelijk om in de buurt te komen. De Ruyter kreeg al snel versterking van de kapiteins Pieter van Zalingen en Willem van der Zaan. De drie schepen gingen op strategische plaatsen voor anker en er werden enige kleinere vaartuigen op de brandwacht gelegd. Die lagen zo dicht bij het kaperschip dat ze de bemanning aan boord konden horen spreken. Omstreeks half negen op de ochtend van 28 september 1655 opende de kleine Nederlandse vloot de aanval. Het kaperschip zat als een rat in de val. Het kapte zijn kabel en liep tegen de wal, terwijl veel bemanningsleden in het water sprongen en zich zwemmend probeerden te redden. Tien christenslaven aan boord van de Gouden Dadelboom, waarschijnlijk roeiers, sprongen eveneens over boord, maar zij zwommen natuurlijk de andere kant op: richting de Nederlanders. Ze werden met sloepen opgepikt en aan boord gebracht. Zeer interessant is dat Michiel de Ruyter hun namen in zijn journaal noteerde. Althans, hij noteerde de namen zoals hij ze meende te horen en heeft ze daarbij ongetwijfeld flink verbasterd en bovendien vernederlandst. De genoteerde namen zijn:

  1. Jacop Mona Dollona (wellicht d’Ollona, ‘van Ollona’, zie onder 7)
  2. Peere Tuijdes van Lange Docke (Languedoc)
  3. Josep Pouwel van Mayorke (Mallorca)
  4. Jan Patijste van Mayorke (Mallorca)
  5. Norate Cykate van Marsijlgen (Marseille)
  6. Jan Antonio van Marsijlgen (Marseille)
  7. Mateurijn Malle van Olonne (Olonne-sur-Mer)
  8. Andryes Scovan van Genija (Genua)
  9. Bartolomeus Gasan van Sijnt Reemi (zeer waarschijnlijk San Remo)
  10. Pijeter Masoora van Napels (Napoli)

Kaart van het Middellandse Zeegebied. In rood: de plaatsen van herkomst van de door De Ruyter geredde christenslaven. In groen: de belangrijkste kapersbases in Noord-Afrika (kaart: Google).

De geredde christenen – ongetwijfeld katholieken, gered door een protestantse admiraal – waren dus afkomstig uit Frankrijk, Spanje en Italië. Hun echte namen zijn in sommige gevallen nog wel te reconstrueren. ‘Jan Patijste’ zou ‘Juan Bautista’ geweest kunnen zijn en ‘Bartolomeus Gasan’ is vrijwel zeker ‘Bartolomeo Gassan’.[1] Daarmee weten we echter nog niets over de achtergrond van de mannen en de omstandigheden waaronder ze gevangen waren genomen. Volgens de instructie die De Ruyter had meegekregen moest hij de christenslaven op hun verzoek aan land zetten of ze op de vloot in dienst nemen. Aangezien aan land zetten op dat moment geen optie was, zullen de tien mannen aan boord van De Ruyter, Van Zalingen of Van der Zaan hebben gediend. Veel slachtoffers van de Noord-Afrikaanse kapers waren zeelieden, dus ze zullen zich zeker nuttig hebben gemaakt.

De tweede confrontatie

Praalgraf van Willem van der Zaan (1621-1669) in de Oude Kerk te Amsterdam. Hij sneuvelde tegen de kapers van Algiers.

Omstreeks een uur ’s middags deden de Nederlanders een tweede aanval op het kaperschip. Met sloepen en andere kleine boten poogden ze het schip te enteren, maar er waren zo’n 50 kapers achtergebleven en die beten fel van zich af. De Ruyter noteerde in zijn journaal dat er wel twintig Nederlanders ‘seer gequest’ (gekwetst, gewond) raakten. Zijn biograaf Gerard Brandt noemt zelfs een dode en 30 gewonden. Hij beschrijft hoe de achtergebleven Moren de Nederlanders bestookten met alles wat ze hadden, zowel geschut als zware voorwerpen.[2] De Nederlanders konden de Gouden Dadelboom dus niet veroveren, maar het schip was door beschietingen met kanonnen wel zwaar beschadigd geraakt en uiteindelijk gekapseisd. “Dyto roover was vol water en genoechsaem om hals”, zo tekende De Ruyter in zijn journaal aan. Het kaperschip was niet meer inzetbaar en het was tijd om te vertrekken. Volgens Gerard Brandt was Suleiman Reis net als veel van zijn manschappen gesneuveld, maar die bewering is niet te verifiëren.

Op 29 september 1655 bevond De Ruyter zich zuidelijker in de buurt van Mehdya en werd hij herenigd met enkele van zijn onderbevelhebbers, te weten Dirck Verveen, Adriaan van den Bos en Jan Adelaar. Zij hadden tevergeefs op twee ‘Turkse’ fregatten gejaagd. Ook wisten ze te melden dat kapitein Isaac Sweers wel een schip buit had gemaakt, namelijk een Frans fluitschip dat eerder door kapers was veroverd. Het schip was toen het nog in Franse handen was naar Terre-Neuve (Newfoundland) gevaren en was ‘geladen vol vijs’ (vis) geweest. Daarna hadden de kapers het overgenomen, maar zij konden niet lang van hun prijs genieten. Sweers bracht het fluitschip op naar Cadiz, waar het ongetwijfeld verkocht is. Of de vis nog mee verkocht kon worden, vermeldt het verhaal helaas niet. Waarschijnlijk ging het om gedroogde kabeljauw (stokvis), die lang houdbaar was.

De volgende dag werd er krijgsraad gehouden. Besloten werd drie schepen terug te sturen naar Asilah om er zeker van te zijn dat de Gouden Dadelboom niet alsnog door de vijand geborgen zou worden. Het was immers heel goed weer en er bestond een kans dat de kapers zouden proberen het schip vlot te trekken, al achtte De Ruyter het blijkens zijn journaal niet erg aannemelijk dat ze daarin zouden slagen. ‘Om seker te wesen’ werden toch de bevelhebbers Van der Zaan, Van den Bos en Adelaar terug naar het noorden gestuurd, terwijl De Ruyter met de overige schepen doorvoer naar Salee, zijn voorlopige eindbestemming. Terug bij Asilah constateerden Van der Zaan en zijn collega’s dat de Gouden Dadelboom reddeloos verloren was. Het schip lag op zijn zij en was zwaar beschadigd. De drie bevelhebbers maakten zich vervolgens nog nuttig door een kapersfregat met 16 kanonnen aan de grond te jagen. Hetzelfde deden ze met een fluitschip dat eerder door de Moren buit was gemaakt. Michiel de Ruyter was de opperbevelhebber van deze expeditie, maar uit alles blijkt dat ook andere bevelhebbers individueel succes boekten in de strijd tegen de kapers.

Dit is deel 3 van de serie ‘Michiel de Ruyter en de christenslaven’. De volledige serie vindt u hier.

Noten

[1] Er was een Italiaanse schilder met die naam in 1622 actief in Barcelona. Hij was afkomstig uit San Remo. Dat de Gassan uit 1622 ook de Gassan uit 1655 is, lijkt me niet zo waarschijnlijk.

[2] Gerard Brandt, Het leven en bedryf van den Heere Michiel de Ruiter (1687), p. 85-86.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.