Ravenna: Museo Arcivescovile

De Maagd Maria als Vergine Orante. Overblijfsel van een mozaïek uit 1112.

Het aartsbisschoppelijk paleis achter de kathedraal van Ravenna is waarschijnlijk net zo oud als de kathedraal zelf. De bisschop van de stad – vanaf 553 de aartsbisschop – moest immers ergens wonen en gasten ontvangen. Hierbij kan wel worden aangetekend dat het paleis stapsgewijs is uitgebreid, met als eerste bekende toevoeging een interventie van bisschop Neon (ca. 450-473). Van het paleis uit de Oudheid is de privékapel van bisschop Peter II (494-520) bewaard gebleven. Deze Cappella Arcivescovile, beroemd om haar schitterende mozaïeken, verdient een aparte bijdrage. Deze bijdrage staat vooral in het teken van de andere schatten in het aartsbisschoppelijk museum, het Museo Arcivescovile. De geschiedenis van het museum gaat terug tot aartsbisschop Maffeo Nicolò Farsetti (1727-1741). In het eerste jaar van zijn episcopaat liet hij de oude kathedraal van Ravenna, de Basilica Ursiana uit de vierde of vijfde eeuw, afbreken en vervangen door een geheel nieuw gebouw. Farsetti vond het belangrijk dat beeldhouwwerk, mozaïeken, schilderijen en andere objecten uit de kathedraal bewaard bleven. Veel van deze voorwerpen kwamen in een nieuw museum terecht.

Beeldhouwwerk

Het museum is niet heel groot, maar uiteraard kan ik niet de hele collectie bespreken. De Pinacoteca en de verzameling liturgische gewaden zijn niet bijster interessant, dus die sla ik zelfs geheel over. Het eerste voorwerp dat mijn aandacht trok, was een deel van de sarcofaag van een zekere Seda, die in het lapidarium te vinden is. Seda was volgens de tekst op de sarcofaag een ignucus et cubicularius van de Ostrogotische koning Theoderik, die tussen 493 en zijn dood in 526 over Italië heerste en van Ravenna zijn hoofdstad had gemaakt. Een ignucus is een eunuch en een cubicularius een kamerheer. Seda had dus een hoge functie aan het Ostrogotische hof en wordt op de sarcofaag daarom terecht een vir sublimis genoemd. Volgens de tekst werd hij ongeveer veertig jaar oud en stierf hij tijdens het consulaat van [Anicius Faustus Albinus] Basilius, dat wil zeggen in het jaar 541. Hij maakte dus nog net mee dat Ravenna in 540 door de Oost-Romeinse keizer Justinianus (527-565) werd heroverd. Een kopie van de sarcofaag is te vinden in Classis Ravenna – Museo della Città e del Territorio, waar de letters van de tekst roodgemaakt zijn (‘gerubriceerd’).

Deel van de sarcofaag van de eunuch Seda.

‘Troon van Maximianus’.

Een van de beroemdste voorwerpen in het museum is de zogenaamde ‘Troon van Maximianus’. Maximianus (546-557) werd in 553 de eerste aartsbisschop van Ravenna. Op de troon is een monogram aangebracht dat vrij algemeen als dat van hem is geïdentificeerd. Inderdaad zien we in het monogram een grote M en een X. Het is niet ondenkbaar dat de troon een geschenk van keizer Justinianus was. Oorspronkelijk was de troon bekleed met 39 ivoren panelen. Daarvan zijn er 27 bewaard gebleven. De panelen aan de voorkant van de troon stellen Johannes de Doper en de vier evangelisten voor. Johannes houdt een Lam Gods in zijn linkerhand en de evangelisten houden een codex met hun evangelie vast. De overige panelen vertellen verhalen uit het Oude en het Nieuwe Testament. Bij de verhalen uit het Nieuwe Testament gaat het om bijvoorbeeld de bruiloft te Kana en de intocht van Jezus in Jeruzalem.

Bijzonder zijn de voorstellingen uit het Oude Testament. Ze vertellen het verhaal van Jozef, een van de zonen van Jakob. Hij is de oogappel van zijn vader, tot grote jaloezie van zijn broers. Die gooien hem in een put om te sterven, maar besluiten hem uiteindelijk te verkopen aan rondtrekkende Ismaëlieten. Ze slachten een bokje en wrijven de mantel van Jozef in met het bloed van het dier. Zo maken ze Jakob wijs dat zijn zoon is verslonden door een roofdier. In werkelijk blijkt Jozef door de Ismaëlieten te zijn verkocht aan Potifar, de commandant van de lijfwacht van de farao van Egypte. Door een listige streek van diens vrouw, die de knappe en jonge Jozef had willen verleiden, komt de jongeman uiteindelijk in de gevangenis terecht. Hij blijkt zeer goed te zijn in het uitleggen van dromen en komt daarmee in de gunst van de farao. Uiteindelijk schopt hij het zelfs tot onderkoning van Egypte. Tijdens een hongersnood in Kanaän reizen Jozefs broers naar Egypte, waar nog wel te eten zou zijn. De broers buigen voor Jozef, precies zoals die jaren eerder al had voorspeld naar aanleiding van een droom. Het einde van het verhaal is dat Jakob met zijn nakomelingen naar Egypte (Gosen in de Bijbel) komt en zich daar vestigt.

Jozef uit de put gehaald. Links wordt het bokje gedood.

Jakob en Jozef herenigd.

Preekstoel uit 596-597.

Bruiloft te Kana.

Waarom koos Maximianus ervoor het verhaal van Jozef uit het Bijbelboek Genesis op zijn troon te laten afbeelden? In de literatuur worden verschillende verklaringen gegeven, die elkaar niet uit hoeven te sluiten.[1] Een mogelijkheid is dat de troon in Egypte werd gemaakt, waar het verhaal van Jozef zeer populair was (het speelde zich er immers af). Van Maximianus is bekend dat hij Egypte bezocht heeft. Een andere verklaring is dat Jozef werd gezien als voorbeeld voor bisschoppen, als een religieuze leider die een seculiere heerser kan adviseren. Zoals Jozef de invloedrijke adviseur van de farao was, zo was Maximianus als aartsbisschop van Ravenna een invloedrijk adviseur van keizer Justinianus. Ten slotte was Maximianus van bescheiden komaf. Hij was geboren in Pola (Pula in het huidige Kroatië) en had zichzelf opgewerkt tot aartsbisschop van Ravenna. In die zin was Jozef een voorbeeld voor hem: die had zich immers ook opgewerkt van slaaf en gevangene tot onderkoning van een machtig rijk.

In de kathedraal van Ravenna staat nog een preekstoel uit de zesde eeuw die werd gemaakt in opdracht van aartsbisschop Agnellus (557-570). Het aartsbisschoppelijk museum bezit een soortgelijke preekstoel (ambo of pyrgum) die afkomstig is uit de kerk van Santi Giovanni e Paolo. Deze tweede preekstoel dateert van 596-597 en heeft duidelijk inspiratie ontleend aan het exemplaar in de Duomo. Op de preekstoel zijn verschillende dieren afgebeeld, alsook de heiligen Johannes en Paulus, twee functionarissen aan het keizerlijk hof die in de vierde eeuw de marteldood zouden zijn gestorven (zie Rome: Santi Giovanni e Paolo). Interessant is dat de naam van Paulus als PAVLOS wordt geschreven, dus op z’n Grieks. Het middelste gedeelte van de preekstoel is het omgewerkte deksel van een sarcofaag.

Kruis van Agnellus en middeleeuwse mozaïeken

‘Kruis van Agnellus’.

Nu aartsbisschop Agnellus genoemd is, komen we bij het zogenaamde ‘Kruis van Agnellus’, een prachtig kruis van sparrenhout dat is bezet met twintig zilveren medaillons. Het kruis werd gebruikt tijdens processies. De negende-eeuwse priester en geschiedschrijver Agnellus merkte in zijn Liber Pontificalis Ecclesiae Ravennatis op dat zijn naamgenoot de aartsbisschop een zilveren kruis liet maken voor de kathedraal.[2] Toch lijkt het nogal onwaarschijnlijk dat Agnellus op dit processiekruis doelde. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de zilveren decoraties eerder van de elfde of twaalfde eeuw dateren, dus van de Hoge Middeleeuwen in plaats van de Late Oudheid. Aan de kwaliteit van de decoraties doet dit gegevens natuurlijk niets af. Het kruis blijft een prachtig kunstwerk.

Ten slotte nog enkele woorden over de mozaïeken die in het museum bewaard en tentoongesteld worden. De oude kathedraal van Ravenna had een groot apsismozaïek dat in 1112 was gelegd. Op het mozaïek speelde Christus een belangrijke rol (de kathedraal was en is gewijd aan diens wederopstanding), maar ook Sint Apollinaris. Hij geldt als de eerste bisschop van Ravenna en twee belangrijke basilieken zijn aan hem gewijd, de Sant’Apollinare Nuovo en de Sant’Apollinare in Classe. Toen de architect Giovanni Francesco Buonamici (1692-1759) in 1734 begon aan de herbouw van de kathedraal verkeerde het apsismozaïek waarschijnlijk in slechte staat. Toch kon Buonamici er in 1741 nog een gedetailleerde tekening van maken. Misschien was het de bedoeling het mozaïek te behouden, maar tijdens de bouwwerkzaamheden stortte de apsis in en ging ook het mozaïek verloren. Enkele kleine fragmenten zijn gelukkig bewaard gebleven. Deze tonen aan dat het mozaïek van hoge kwaliteit was.

Johannes de Evangelist.

Op basis van de tekening van Buonamici heeft de historicus Giuseppe Gerola (1877-1938) een poging gedaan de fragmenten te identificeren. Twee mannenkoppen stellen vrijwel zeker Petrus en Johannes de Evangelist voor. Van twee andere mannenkoppen wordt aangenomen dat het gaat om Barbatianus en Ursicinus. De eerstgenoemde was de biechtvader van de augusta Galla Placidia (ca. 388-450). In de kathedraal kan men nog zijn prachtige graftombe bewonderen. De Ursicinus van het mozaïek is niet de bisschop van Ravenna (533-536), maar een martelaar uit Ravenna die bevriend was met Sint Vitalis, de beschermheilige van de stad. Op een vijfde fragment is een discipel te zien die het deksel op de sarcofaag van Apollinaris legt.

Tijdens mijn bezoek aan het museum waren de fragmenten met de hoofden van Petrus, Johannes, Barbatianus en Ursicinus duidelijk door elkaar gehusseld. Alleen het fragment met Petrus lag op de juiste plek, maar bij de andere drie klopte het bijschrift niet met het mozaïek. Ik vond dat ik dat bij het museum moest melden, maar de dichtstbijzijnde medewerker bevond zich een verdieping lager. Uiteindelijk heb ik een foto van de vitrine gemaakt en ben ik naar beneden gelopen om deze aan de vrouw te tonen. Half in het Italiaans en half in het Engels probeerde ik haar het probleem uit te leggen.

Discipel bij de sarcofaag van Sint Apollinaris.

Aanvankelijk keek de vrouw me aan met een blik van ‘weer zo’n vervelende toerist’, maar uiteindelijk bleek ze bereid ter plekke te gaan kijken. De tekst over Johannes de Evangelist sprak over een jong gezicht (‘un volto giovanile’) en een heilige zonder tonsuur (‘privo di tonsura’). Wat we echter zagen was een oudere man met een baard en een overduidelijke kruinscheer. Nadat een paar Italiaanse bezoekers de medewerkster hadden uitgelegd wat een tonsuur was – de term was haar niet bekend – kwam ze net als ik tot de conclusie dat de fragmenten niet in de goede volgorde lagen. Wellicht kan een lezer die het museum recent heeft bezocht in een reactie onder deze bijdrage aangeven of de fout inmiddels is hersteld.

Het laatste stuk mozaïek dat bewaard is gebleven is meteen het grootste en het fraaiste. Het betreft een mozaïek van de biddende Maagd (Vergine Orante). Ze draagt een prachtig purperen gewaad met gouden zoom en heeft haar handen opgeheven in de orans-houding (zie de eerste foto in deze bijdrage. Helaas wordt het mozaïek achter glas bewaard, wat het fotograferen bemoeilijkt. Vrij algemeen wordt aangenomen dat deze Vergine Orante is gebaseerd op de Madonna Greca uit 1100 die wordt bewaard in de kerk van Santa Maria in Porto.

Noten

[1] Deborah Mauskopf Deliyannis, Ravenna in Late Antiquity, p. 218.

[2] “Fecit beatissimus Agnellus crucem magnam de argento in Ursiana ecclesia super sedem post tergum pontificis, in qua sua effigies manibus expansis orat.”

One Comment:

  1. Winfried Temme

    Ik ben benieuwd of de corrigerende herschikking van de hoofden nog wordt gemeld!

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.