Padova: Santa Giustina

Santa Giustina.

Groot, groter, Santa Giustina. Deze enorme basiliek aan de zuidkant van het historische centrum van Padova zal indruk maken op iedere bezoeker. De kerk staat aan de Prato della Valle, een groot plein in de vorm van een ellips waar in de Oudheid het theater van het Romeinse Patavium moet hebben gestaan. Het plein, met zijn grote verzameling standbeelden en groene eiland in het midden, is een aangename plek om te wandelen. Deze bijdrage gaat echter over de kerk, die is gewijd aan Sint Justina, een zestienjarig meisje dat in 304 de marteldood zou zijn gestorven. Het is niet ondenkbaar dat ze daadwerkelijk heeft bestaan, maar haar biografie is doorspekt met fictieve elementen. Zo zou ze zijn gedoopt door Sint Prosdocimus, de eerste bisschop van Padova. Dat is echter onmogelijk, want de Griek Prosdocimus zou een leerling van Petrus zijn geweest en omstreeks het jaar 100 zijn gestorven. Hoe dit ook zij, Justina werd al snel een populaire heilige in de Veneto. Ze fungeerde als beschermheilige van Padova totdat de Portugees Fernando Martins (beter bekend als Antonius van Padova) die rol in de dertiende eeuw overnam. Ook elders in de Veneto vinden we aan haar gewijde godshuizen.

Vroege geschiedenis

De geschiedenis van de kerk gaat terug tot het einde van de vijfde of het begin van de zesde eeuw. Een zekere Venantius Opilius, consul in 524, liet over het graf van de heilige een kleine, aan haar gewijde basiliek bouwen. Onderdeel van de basiliek was een kapel of oratorium gewijd aan de al genoemde Prosdocimus. Deze kruisvormige kapel bestaat nog steeds en is gelijk een van de interessantste onderdelen van de huidige kerk. We vinden er de zestiende-eeuwse sarcofaag van de bisschop, met daarboven een reliëf waarop in een zogenaamde clipeus (‘schild’) zijn gezicht te zien is. Het contrast met het reliëf op de sarcofaag is groot. Daar zien we een oudere man met een baard in het gewaad van een bisschop, terwijl de clipeus ons een baardeloze jongeman toont die eerder is gekleed als een Romeinse senator. Prosdocimus wordt op het laatstgenoemde reliëf EP[ISCOPV]S ET CONFESS[OR] genoemd, bisschop en belijder. Het reliëf dateert van de vijfde of zesde eeuw.

Sint Prosdocimus.

Een ander interessant element in de kapel is de pergula, dat wil zeggen de afscheiding tussen het koor met het altaar en de rest van de kapel. Kennelijk is dit ook een origineel vroegchristelijk element, gemaakt van Grieks marmer. Volgens een informatiebord bij de kapel is het zelfs rarissima, ‘zeer zeldzaam’. De Latijnse tekst op de pergula luidt:

Oratorium van Sint Prosdocimus.

IN NOMINE DEI IN HOC LOCO CONLOCATAE SVNT RELIQVIAE SANCTORVM APOSTOLORVM ET PLVRIMORVM MARTYRVM QVI PRO CONDITORE OMNIQUE FIDELIVM PLEBE ORARE DIGNENTVR

(“In de naam van God. Op deze plek zijn de relikwieën verzameld van de heilige apostelen en van vele martelaren die zich zouden verwaardigen te bidden voor de Schepper en het gehele volk van gelovigen”)

Even buiten de kapel vinden we dan nog een driehoekig fronton, afkomstig van de hoofdingang van de vroegchristelijke basiliek, met een Latijnse tekst waarin Opilius wordt genoemd en geroemd. Hij was volgens de inscriptie een VC, een vir clarissimus, dus een lid van de senatorenstand. Bovendien was hij een praefectus praetorio, praetoriaans prefect, en een patricius, een patriciër. Het fronton is verder gedecoreerd met twee Latijnse kruisen. Aan ieder kruis hangen nog eens twee andere kruisen en de Griekse letters alfa en omega (zie Openbaring 22:13).

Fronton met inscriptie Opilius.

De huidige kerk

Naar Venantius Opilius wordt de eerste kerk wel de Basilica Opilionea genoemd. Naast deze kerk werd in de achtste eeuw een Benedictijns klooster gesticht, waarvoor de Longobardische koning Liutprand (712-744) en zijn neef en medeheerser Hildeprand (737-744) de financiële middelen zouden hebben verstrekt. In 1117 werd Noord-Italië getroffen door een zware aardbeving, als gevolg waarvan de Basilica Opilionea instortte. Verschillende restauratieprojecten volgden, maar in 1501 begon onder leiding van de monnik Girolamo da Brescia de bouw van een geheel nieuwe en veel grotere kerk. Deze verrees iets ten noorden van de oude, op moerassig terrein. Girolamo da Brescia werd later vervangen door Sebastiano da Lugano (gestorven 1528), die op zijn beurt werd vervangen door Andrea Briosco (1470-1532). Toen Briosco in 1532 stierf, kwamen achtereenvolgens Andrea Moroni (1500-1560) en Andrea della Valle (gestorven 1578) aan het roer te staan. Al met al duurde de bouw van de nieuwe Santa Giustina ruim een eeuw. Pas op 14 maart 1606 werd de nieuwe kerk gewijd.

Santa Giustina met de koepels zichtbaar.

Het had even geduurd, maar dan had Padova ook wat. Het is duidelijk dat de kerk van Sant’Antonio di Padova (Il Santo) elders in Padova als bron van inspiratie voor de architecten heeft gediend. Kijk alleen al naar de vier grote en vier kleine koepels op het gebouw. Het belang van de Benedictijnse abdij naast de kerk kan worden afgelezen aan het grote aantal kruisgangen. Ik telde er maar liefst vijf. Toch kende het complex ook donkere jaren. In 1810 werden de monniken uit hun klooster gezet. Al eerder werd een groot deel van hun kunstwerken in beslag genomen, naar Frankrijk overgebracht of verkocht. Dit verklaart waarom we een beroemd altaarstuk van de schilder Andrea Mantegna (ca. 1431-1506) tegenwoordig in de Pinacoteca di Brera in Milaan vinden in plaats van in Padova, waar het een aan de evangelist Lucas gewijde kapel in het linker dwarsschip sierde. Op het altaarstuk zien we naast de evangelist ook Prosdocimus en Justina. Meer over de band tussen de basiliek en de evangelist vindt u hieronder.

Interieur van de kerk.

In 1812 werd de Santa Giustina omgevormd tot parochiekerk. Het naastgelegen klooster werd gebruikt door het Oostenrijkse leger, eerst als ziekenhuis en vervolgens als kazerne. Ongeveer een eeuw later was het tij echter gekeerd. Paus Pius X (1903-1914) kende de Santa Giustina in 1909 de status van basilica minor toe en in 1923 kregen Benedictijnse monniken toestemming van de staat om het klooster weer in gebruik te nemen. Ze zitten er nog steeds, al is de Italiaanse staat formeel de eigenaar van het complex.

Bezienswaardigheden

De gevel van de kerk komt nogal grof over en is klaarblijkelijk nooit voltooid. We moeten het nu doen met massa baksteen, waartussen hier en daar een stukje versiering waar te nemen is. De versieringen bestaan uit moderne beeldhouwwerken van de symbolen van de vier evangelisten en eveneens moderne deuren. Origineel middeleeuws – en helaas zo onopvallend dat ik ze alleen op foto’s heb teruggezien – zijn de twee griffioenen aan weerszijden van de trap die naar de kerk leidt. Ze dateren van de veertiende eeuw, zijn afkomstig van een loggia van de eerdere kerk en zijn gemaakt van Veronamarmer. Op de grote centrale koepel, bijna 70 meter hoog, staat een enorm beeld van Sint Justina. Ook de vier kleinere koepels rondom de centrale zijn voorzien van beelden. Ze stellen achtereenvolgens voor Prosdocimus, Benedictus van Nursia, Daniel van Padova en Arnaldo da Limena (ca. 1185-1255), die abt van de Santa Giustina was in de dertiende eeuw.

Fresco’s van Sebastiano Ricci.

Het interieur van de kerk is imponerend. De Santa Giustina heeft een mooie vloer, gelegd tussen 1608 en 1615, en enorme pilaren die de gewelven moeten dragen. Het gebouw voelt wel wat leeg aan. Natuurlijk is het niet gemakkelijk om een kerk van deze omvang te verfraaien met fresco’s, schilderijen, mozaïeken en beeldhouwwerken, en de Franse plunderingen in de tijd van Napoleon zullen ook niet hebben geholpen. Niettemin is het opvallend dat we alleen in de kapel van het Allerheiligste Sacrament plafondfresco’s vinden, gemaakt door Sebastiano Ricci (1659-1734). Ze stellen God de Vader omringd door engelen en de Verering van het Sacrament door de apostelen voor, en dateren van 1700. De Santa Giustina heeft nog een groot aantal andere kapellen in de zijbeuken, in het dwarsschip en aan weerszijden van het koor. We vinden er werken van schilders als Luca Giordano (1634-1705) en Palma il Giovane (ca. 1548-1632), maar persoonlijk vond ik de altaren met versieringen van ingelegd marmer veel interessanter.

Een goed voorbeeld van zo’n altaar vinden we in de kapel van de al genoemde Arnaldo da Limena. Deze abt werd in 1246 gevangen genomen door Ezzelino III da Romano (1194-1259), een tiran die tussen 1237 en 1256 over Padova heerste. Arnaldo werd opgesloten in het stadje Asolo, waar hij acht jaar en drie maanden op water en brood leefde totdat hij in februari 1255 kwam te overlijden. Na een aanvankelijke begrafenis in een Franciscaanse kerk in Asolo werd zijn lichaam later naar Padova overgebracht. Arnaldo da Limena rust thans in een aan hem gewijde kapel die van 1562 dateert. Het altaar is echter ruim een eeuw jonger: het werd in 1681 voltooid. Een groot deel van het beeldhouwwerk is van de hand van Bernardo Falconi (ca. 1620-1696), die afkomstig was uit Bissone in het huidige Zwitserland. De beelden van Petrus (rechts) en Paulus (links) zijn echter van Orazio Marinali (1643-1720) en Michele Fabris (1644-1684). Die laatste werd ook wel l’Ongaro genoemd, ‘de Hongaar’. Hij was geboren in Bratislava, dat tegenwoordig in Slowakije ligt. Het hoogtepunt van het altaar is toch wel het ingelegde marmer, gemaakt door de familie Corbarelli uit Florence.

Kapel van de zalige Arnaldo da Limena.

Elders in de kerk vinden we nog veel meer werk van de familie Corbarelli. Zie bijvoorbeeld de altaren in de kapel van het Allerheiligste Sacrament, de kapel van de heilige Felicitas van Rome en de kapel van de heilige Maximus. Maximus was volgens de overlevering de tweede bisschop van Padova, en dus de opvolger van Prosdocimus. Zijn overblijfselen zouden in 1052 zijn teruggevonden door de toenmalige bisschop van de stad. De overblijfselen werden in 1562 bijgezet in de aan Maximus gewijde kapel, maar het altaar in de kapel dateert weer van 1681-1682. De meeste beelden, inclusief Jakobus de Meerdere aan de linkerkant, zijn van Michele Fabris. Bernardo Falconi vervaardigde echter het tamelijk lugubere beeld van Bartholomeus aan de rechterzijde. Het ingelegde marmer toont onder meer een mijter en een bisschopsstaf, en laat dus weinig twijfel over het beroep van de overledene.

Kapel van de heilige Maximus.

Als gezegd heeft de basiliek een bijzondere band met de evangelist Lucas. Sterker nog, zijn lichaam zou in de basiliek bewaard worden. Hoe het in Padova terecht is gekomen, is niet erg duidelijk. Volgens de overlevering stierf Lucas namelijk op 84-jarige in Boeotië in Griekenland en kwamen zijn overblijfselen in de vierde eeuw in Constantinopel terecht. Het is dan ook tamelijk opmerkelijk dat Paus Alexander III (1159-1181) een in 1177 naast de Santa Giustina opgegraven lichaam identificeerde als dat van de apostel. Er waren echter genoeg mensen die het verhaal wensten te geloven. In 1354 bracht Karel IV, koning van Bohemen en later keizer van het Heilige Roomse Rijk, een bezoek aan Padova en confisqueerde de schedel van de heilige, die zich thans in de kathedraal van Praag bevindt. In 1992 werd, op verzoek van de orthodoxe aartsbisschop van Thebe, een rib van Lucas naar Griekenland teruggestuurd. Het lichaam van de apostel rust nog steeds in het linker dwarsschip, in een fraaie sarcofaag uit de veertiende eeuw.

Madonna costantinopolitana.

De Griekse Syriër Lucas was van huis uit arts. Aan hem worden het evangelie volgens Lucas en de Handelingen van de Apostelen toegeschreven. Daarnaast zou hij een begenadigd schilder zijn geweest. De kerk bezit een icoon met de Madonna en het Kind dat door Lucas zou zijn vervaardigd, de zogenaamde Madonna costantinopolitana. Dit icoon is niet meer zichtbaar voor het publiek. In de kapel zien we nu een zestiende-eeuwse kopie die wordt toegeschreven aan Alessandro Bonvicino (ca. 1498-1554/64), bijgenaamd Il Moretto, een bekende schilder uit Brescia. Ook van de kopie is trouwens weinig te zien, want op de gezichten van de Madonna en het Kind na wordt die geheel bedekt door een laag verguld koper. Een laatste voorwerp dat verband houdt met Sint Lucas is een oude kist die in de Corridoio dei Martiri (Gang van de Martelaren) staat. Dit zal dan wel de kist zijn waarin de overblijfselen van de evangelist in 1177 werden aangetroffen.

De Santa Giustina bezit naar eigen zeggen ook een deel van de overblijfselen van Matthias, de dertiende apostel. Hij werd gekozen als vervanger van de verrader Judas, die zichzelf van kant had gemaakt (Mattheus 27:5) dan wel bij een val een grote buikwond had opgelopen, waardoor zijn ingewanden naar buiten kwamen (Handelingen 1:18). Over het leven en werk van Matthias is weinig met zekerheid bekend, maar doorgaans wordt keizerin Helena, de moeder van Constantijn de Grote, verantwoordelijk gehouden voor de aanwezigheid van zijn (beweerde) overblijfselen in Padova. Deze rusten in een sarcofaag in het rechter dwarsschip. De sarcofaag is een werk van Giovanni Francesco de Surdis uit de zestiende eeuw en duidelijk geïnspireerd door de sarcofaag van Lucas in het linker dwarsschip.

Kapel van Sint Matthias.

Corridoio dei Martiri.

Martelaarschap van Justina – Veronese.

Misschien wel het bekendste kunstwerk in de basiliek is het grote altaarstuk met de Marteldood van Sint Justina, door Veronese (1528-1588). Het schilderij werd gemaakt in de jaren 1570 en bestaat uit twee delen. Beneden zien we hoe Justina op het punt staat geëxecuteerd te worden. De executie vindt duidelijk plaats in Padova, want op de achtergrond is – tamelijk anachronistisch – de Santo-basiliek te zien. Een wolk van putti vormt de afscheiding tussen het onderste en het bovenste deel. Bovenin zijn Jezus Christus, de Maagd Maria en Johannes de Evangelist getuige van de wrede terechtstelling beneden. Het is erg druk in de hemel en veel van de afgebeelde engelen bespelen een muziekinstrument. Interessant is dat Veronese omstreeks dezelfde tijd nog een tweede schilderij maakte met de Marteldood van Sint Justina als thema. Dit schilderij bevindt zich thans in de Uffizi in Florence.

Een leuk weetje is ten slotte dat in de abdij van Santa Giustina de Venetiaanse Elena Cornaro Piscopia (1646-1684) werd bijgezet. Zij behaalde in 1678 als eerste vrouw een academische graad aan de Universiteit van Padova. Oorspronkelijk had ze daar theologie willen studeren, maar dat stond de toenmalige bisschop van de stad, Gregorio Barbarigo (zie Padova: De Duomo), haar niet toe. De theologie was immers het exclusieve domein van de man. Elena koos daarom voor de studie filosofie, wat voor de bisschop wel acceptabel was. De briljante Elena stierf helaas al op 38-jarige leeftijd. Haar prestaties zijn gelukkig niet vergeten.

Martelaarschap van Justina (detail) – Veronese.

Bronnen

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.