Het papier- en watermerkmuseum van Fabriano is gevestigd in het voormalige klooster naast de veertiende-eeuwse kerk van Santa Lucia (of San Domenico) in de stad. Die kerk hadden we graag bezocht, want onze reisgids beloofde schitterende fresco’s van de lokale schilder Allegretto Nuzi (ca. 1315-1373). Daarbij werd wel vermeld dat de kerk zelden open is. Volgens een medewerkster van het papiermuseum is de kerk zelfs permanent gesloten vanwege aardbevingsschade. Helaas is dat ook in de Marche geen zeldzaamheid. Diezelfde medewerkster maakte onze dag vervolgens weer helemaal goed door een werkelijk fantastische rondleiding te geven. Hoogtepunt was een demonstratie van de verschillende machines die vroeger werden gebruikt om pulp uit lompen te maken. Een papiermaker demonstreerde vervolgens hoe met de aldus verkregen vezels op een raamwerk papier werd gemaakt, compleet met watermerk. Er was ook nog een workshop zelf papier maken, maar die hebben we uiteindelijk overgeslagen en ingeruild voor een uitstekende lunch om de hoek bij L’Angoletto Bistrot.
Papyrus en perkament
De geschiedenis van het papier gaat ver terug. In de Oudheid was het papier in Europa nog niet bekend. Grieken en Romeinen schreven op allerhande materiaal, variërend van boomschors tot houten latjes en wastafeltjes. Ook werden inscripties achtergelaten op marmer en in metaal. Het populairste materiaal was echter papyrus, een materiaal dat – ondanks dat het zijn naam eraan gaf – toch heel anders is dan papier zoals wij dat kennen. Papyrus is gemaakt van een rietplant die in Egypte groeit in het Nijlgebied. Het riet wordt na het oogsten in smalle strookjes gesneden die nat worden gemaakt en dan horizontaal en verticaal over elkaar heen worden gelegd. Het water werkt als een soort natuurlijke lijm. Het aldus gecreëerde vel papyrus wordt geperst en daarna eventueel nog glad gemaakt. Vervolgens kan het beschreven worden. Hoewel het relatief goedkoop was, had papyrus enkele nadelen. Zo was het niet erg duurzaam. In een vochtig klimaat zoals dat van Romeins Brittannië of de Germaanse provincies verging het snel, terwijl het in het hete, droge Egypte juist goed bewaard bleef. Bovendien kon papyrus alleen in de vorm van een boekrol vastgemaakt aan twee stokken worden gebruikt. Die rol kon wel tien meter lang zijn, dus je kon er niet gemakkelijk doorheen bladeren.
Een alternatief materiaal om op te schrijven was perkament. De naam daarvan is afgeleid van de stad Pergamum in het huidige Turkije, waar het materiaal volgens de traditie zou zijn uitgevonden. Perkament is simpelweg dierenhuid. Er kon worden geschreven op de huid van schapen, geiten of ezels, maar de beste huid was toch kalfshuid. Perkament was goed houdbaar, stevig en aan twee kanten te beschrijven. Het kon bovendien gemakkelijk hergebruikt worden door de tekst ervan af te schrapen en nieuwe tekst toe te voegen. Dankzij moderne technieken zijn de oude teksten op een zogenaamde palimpsest terug te halen, en zo zijn bepaalde teksten uit de Oudheid teruggevonden. De voornaamste reden dat perkament rond de vierde eeuw papyrus ging verdringen, lijkt echter te zijn dat van de pagina’s met tekst op perkament gemakkelijk een boek kon worden gemaakt, of zoals dat toen genoemd werd: een codex. Heen en weer bladeren werd zo een stuk eenvoudiger, wat niet onbelangrijk was als het ging om christelijke teksten waarin naar eerdere passages verwezen werd. De opkomst van het perkament is dan ook nadrukkelijk in verband gebracht met de opkomst van het christendom in het Romeinse Rijk vanaf de tijd van keizer Constantijn (306-337).
Echt papier
Naar algemeen wordt aangenomen is het papier uitgevonden in het China van de Han-dynastie (202 BCE-220 CE). Het museum hanteert in dit verband het jaar 105, maar dat is natuurlijk een schatting. Van boomschors, rotan, visnetten, zeewier en bamboe werd een pulp gemaakt die kon worden gebruikt voor de productie van vellen papier. Vanuit China verspreidde de techniek zich naar Korea (ca. 500) en Japan (ca. 610), maar ook westwaarts richting Nepal (ca. 650) en India (ca. 850). In de zevende eeuw was op het Arabisch schiereiland een nieuwe religie ontstaan, de islam, waarvan de aanhangers in ongeveer anderhalve eeuw enorme gebieden veroverden en koloniseerden. De Arabieren zouden het maken van papier hebben geleerd van de Chinezen, nadat ze hen in 751 in een veldslag bij de rivier de Talas (ergens in het grensgebied tussen Kirgizië en Kazachstan) hadden verslagen. Volgens de overlevering werd de kennis overgebracht door Chinese krijgsgevangenen. Het is een vreemd verhaal, want het is niet erg aannemelijk dat veel soldaten in het Chinese leger een bijbaantje als papiermaker hadden. Misschien kunnen we er beter van uitgaan dat na de militaire confrontatie een uitwisseling van ideeën en technologieën plaatsvond in het grensgebied tussen de islamitische en de Chinese wereld.
In elk geval werd Samarkand (in het huidige Oezbekistan) al snel een centrum van de papierindustrie. Er was in de stad sprake van een overvloed aan water (zeer belangrijk bij de productie van papier), terwijl op de velden rondom Samarkand vlas en hennep werd verbouwd, twee belangrijke grondstoffen voor het materiaal (als het Museo della Carta e della Filigrana ons één ding heeft geleerd, dan is het wel dat je eigenlijk van iedere plant wel papier kunt maken). Vanuit Oezbekistan werd het papier verspreid naar Bagdad (ca. 793), Damascus (ca. 850) en Cairo (ca. 880). Via Noord-Afrika – dat geheel onder islamitisch gezag stond – bereikte het papier het Iberisch schiereiland, waar opkomende christelijke koninkrijken bezig waren de islam terug richting het zuiden te duwen. En passant namen ze ook het papier over. Papier was daarnaast bekend op Sicilië. Het eiland was sinds de negende eeuw een islamitisch emiraat geweest, maar tussen 1061 en 1091 was het veroverd door de Normandiërs. Noch Koning Rogier II van Sicilië (1130-1154), noch diens kleinzoon Frederik II van Hohenstaufen waren erg onder de indruk van het papier. Ze waren bang dat het snel zou vergaan en gaven de voorkeur aan perkament.
Fabriano en de papierindustrie
De opmars van het papier in Europa was echter niet te stuiten door dit soort koudwatervrees. Al in de jaren 1260 was er een hydraulische (i.e. door water aangedreven) papiermolen in bedrijf in Fabriano en twintig jaar later waren er al acht papiermakers in de stad actief. Het museum hanteert 1284 als het geboortejaar van de plaatselijke papierindustrie. In 1326 volgde de oprichting van de Pia Università dei Cartai, het gilde van de papiermakers. Het is het enige middeleeuwse gilde dat nog steeds bestaat in Fabriano. In de veertiende eeuw was Fabriano in staat een miljoen vellen papier per jaar te produceren. Papier ging nu vaak de andere kant op: de kwaliteit van het product uit Fabriano was dusdanig goed dat het gretig aftrek vond in de islamitische wereld. Minder blij was men daar met de watermerkjes die aan het papier waren toegevoegd (zie hierna), en die vaak uit christelijke symbolen bestonden. Het leidde in 1409 zelfs tot een fatwa over het gebruik van Europees papier.
Het is niet gemakkelijk te verklaren waarom Fabriano het centrum van de papierindustrie in Italië werd, en evenmin is het helemaal duidelijk hoe de technologie hier precies terechtkwam. Het museum toont een kaart waarop een pijl de steden Damascus en Fabriano verbindt, maar het proces van papier maken kan evengoed via Spanje naar Italië verspreid zijn, of via Constantinopel en het Oost-Romeinse Rijk naar de havenstad Ancona in de Marche en vervolgens naar Fabriano in het binnenland. Zeker is dat Fabriano kon beschikken over de twee meest essentiële voorwaarden voor het maken van papier: snelstromend water (van de rivier de Giano) en voldoende grondstoffen. Lompen vormden in deze tijd de belangrijkste grondstof. Kleding was vaak gemaakt van plantaardig materiaal, zoals vlas en hennep. Een door water aangedreven molen dreef op zijn beurt weer meerdere hamers aan, die de lompen tot pulp sloegen en terugbrachten tot de oorspronkelijke vezels. Van die vezels werden vervolgens de vellen papier gemaakt. De pulp werd daartoe op een raamwerk geschept, geschud, geperst en ten slotte gedroogd.
De machine met meerdere hamers behoort volgens het Museo della Carta e della Filigrana tot de drie Italiaanse uitvindingen die het papier van Fabriano zo goed maakten. De tweede uitvinding is de lijm op basis van dierlijke gelatine die op het geproduceerde papier werd gesmeerd. Hierdoor werd papier van vloeipapier – dat inkt opzuigt en willekeurig verspreidt – veranderd in echt schrijfpapier. Ten slotte werd in Fabriano het watermerk uitgevonden. Naar verluidt gebeurde dat per ongeluk – een oneffenheid in het raamwerk – maar het resultaat was heel nuttig om de identiteit van de maker van het papier vast te leggen. Via Fabriano en Italië verspreidde het papier zich richting Noord-Europa en vervolgens naar Noord-Amerika. Sinds 1428 is het papier ook in Nederland bekend. Onze gids verraste ons met een Nederlandse uitvinding die in het museum te bewonderen was: een Hollander, zijnde een in de zeventiende eeuw uitgevonden machine die lompen niet tot pulp slaat met hamers, maar in stukjes snijdt met messen in een trommel. De Hollander leverde een fijnere vezel en daarmee een betere kwaliteit papier op.
Tegenwoordig wordt papier nauwelijks nog gemaakt van lompen. De belangrijkste grondstof is nu houtpulp. De uitvinding van het proces om papier te maken van houtpulp wordt toegeschreven aan de Duitser Friedrich Gottlob Keller (1816-1895) en de Canadees Charles Fenerty (1821-1892). Het lijkt me geen toeval dat beiden uit landen kwamen met uitgestrekte bossen. In Fabriano is het maken van papier tegenwoordig geen ambacht meer, maar een echte industrie. De fabrieken bevinden zich ver buiten het stadscentrum. Verreweg de meeste Europeanen zullen zich niet realiseren dat ze dagelijks stukjes Fabriano in hun portemonnee stoppen, want de Euro-bankbiljetten worden allemaal gedrukt op papier uit dit charmante stadje in de Marche.
Bronnen: voor de geschiedenis van het papier heb ik gebruikgemaakt van de informatieborden in het museum en van Ross King, The Bookseller of Florence (2021), p. 26-31, p. 99 en p. 152-155.







Pingback:Fabriano: Santa Maria Maddalena – – Corvinus –