De Romeinse oorsprong van Fano is bewaard gebleven in de naam van het stadje. Ooit heette Fano namelijk Fanum Fortunae. Fanum is het Latijnse woord voor heiligdom, en dit heiligdom was gewijd aan Fortuna, de godin van het lot en van geluk en ongeluk. Het gebied rondom Fano werd al sinds de prehistorie bewoond. Voor de komst van de Romeinen woonden er Piceni, later ook Keltische Senones. In 284 of 283 BCE versloeg de Romeinse veldheer Manius Curius Dentatus deze Senones, die eerder de Etruskische stad Arretium (Arezzo) hadden bedreigd. De inval van Curius Dentatus in wat toen de Ager Gallicus werd genoemd leidde tot de stichting van de eerste Romeinse kolonie op Gallisch grondgebied, de stad Sena Gallica aan de Adriatische Zee, thans bekend als Senigallia. In de jaren die volgden breidden de Romeinen hun invloed in de Ager Gallicus uit. Hun dominantie werd bekroond met de stichting van de grote Latijnse kolonie Ariminum (Rimini) in 268 BCE.
Fanum Fortunae
Tussen Sena Gallica en Ariminum lag Fanum Fortunae, aanvankelijk vermoedelijk slechts een kleine nederzetting. Het gebied ten zuiden van Ariminum was verdeeld onder armere Romeinse burgers als gevolg van een wet die de volkstribuun Gaius Flaminius de Romeinse volksvergadering in 232 BCE had laten aannemen. Diezelfde Gaius Flaminius was twaalf jaar later als censor verantwoordelijk voor de aanleg van een belangrijke Romeinse weg, de Via Flaminia. Deze weg verbond Rome met Ariminum. Hij liep door Latium, Umbria en Picenum, en bereikte precies bij Fanum Fortunae de Adriatische zee. Daar boog de Via Flaminia af naar links om de Adriatische kust te volgen en via Pisaurum (Pesaro) bij Ariminum te eindigen. Hoewel reizen langs Romeinse wegen relatief veilig was, zullen veel reizigers toch even het heiligdom van Fortuna hebben bezocht om potentieel onheil af te wenden.
Het is mogelijk dat de stichting van Fanum Fortunae verband houdt met de Romeinse overwinning op de Carthager Hasdrubal in de slag bij de Metaurus in 207 BCE. Hasdrubal had het jaar ervoor in Spanje al een nederlaag geleden tegen de Romeinen, maar was er niettemin in geslaagd het Iberisch schiereiland te verlaten in een poging zich bij zijn broer Hannibal in Italië te voegen. In recordtempo bereikte hij Noord-Italië, destijds Gallia Cisalpina genoemd, waar hij tevergeefs de Latijnse kolonie Placentia (Piacenza) belegerde. Vervolgens trok hij zuidwaarts, in de hoop zijn broer in Umbria te treffen en hun twee legers te verenigen. Maar de Romeinen waren voorbereid en hadden een omvangrijke strijdmacht verzameld, geleid door twee consuls en een praetor. Op 22 juni vond een grote veldslag plaats bij de rivier de Metaurus (thans de Metauro). De precieze locatie is niet bekend, maar omdat Hasdrubal evident de Via Flaminia had gevolgd moet het dicht bij de kust zijn geweest. De vlakte bij Montemaggiore al Metauro en San Liberio, net ten zuiden van Fano, is een zeer goede kandidaat.
De consul Marcus Livius voerde het bevel over de linkervleugel van de Romeinen, zijn collega Gaius Claudius Nero over de rechtervleugel en de praetor Lucius Porcius Licinus over het centrum. Hasdrubals Spaanse veteranen raakten slaags met de troepen van Livius. Er werd fel gevochten en de Carthaagse olifanten – Hasdrubal had er zo’n vijftien – veroorzaakten de nodige paniek en brachten beide partijen verliezen toe. Nero stond ondertussen tegenover de Keltische troepen, maar het heuvelachtige terrein maakte een frontale aanval onmogelijk en de consul zag ook geen manier om een omtrekkende beweging te maken. Nero gaf toen blijk van zijn durf door een aantal manipels van de Romeinse rechterflank af te splitsen en die achter de Romeinse slaglinie langs naar de linkervleugel te laten oprukken. Daar overvleugelden ze Hasdrubals Spanjaarden en hakten deze in de pan. De Carthaagse rechterflank werd nu opgerold en de furieuze Romeinen vochten zich snel een weg richting de Kelten op het heuvelachtige terrein. Ook die hadden geen schijn van kans. Hasdrubals leger werd vernietigd, de generaal zelf sneuvelde.
Na de Romeinse overwinning gaf de Senaat opdracht voor een openbaar dankfeest van drie dagen. Het is heel goed mogelijk dat het deze overwinning was die tot de bouw van het heiligdom van Fortuna leidde. Direct bewijs is er niet, maar er zijn andere voorbeelden van Romeinse overwinningen op het slagveld die gevolgd werden door de stichting van tempels voor Fortuna. Zo liet de censor Quintus Fulvius Flaccus in het jaar 173 BCE een tempel wijden aan Fortuna Equestris ter ere van een overwinning die hij jaren eerder in Spanje had behaald. Die wijding haalde overigens hoofdzakelijk de annalen vanwege een berucht voorval. De censor had namelijk de helft van de marmeren dakpannen van de beroemde tempel van Juno Lacinia in Croton laten stelen om zijn eigen tempel te verfraaien. Het was een vorm van diefstal die door de Senaat scherp werd veroordeeld. Flaccus moest de dakpannen terugbrengen naar Croton.
Augustus en de keizertijd
In 49 BCE bezette Julius Caesar de steden Pisaurum, Fanum Fortunae en Ancona kort nadat hij de Rubicon was overgestoken. Dit is de eerste keer dat de stad in de geschreven bronnen opduikt.[1] Fanum Fortunae lijkt een tamelijk onbeduidend bestaan te hebben geleid totdat keizer Augustus (27 BCE-14 CE) er een Romeinse kolonie van maakte die hij Colonia Julia Fanestris noemde. In de tuinen (Giardini Roma) net ten zuiden van het historische stadscentrum vinden we het standbeeld van deze eerste Romeinse keizer (zie de eerste afbeelding in deze bijdrage). Het is een bronzen kopie van de Augustus van Prima Porta, die zich thans in de Vaticaanse Musea bevindt. In het jaar 2 BCE schonk Augustus de kolonie stadsmuren, met daarin onder meer een prachtige stadspoort van Travertijn. Deze Arco d’Augusto verrees op de plek waar de Via Flaminia de stad bereikte. De poort staat er nog steeds, met links ervan de restanten van een verdedigingstoren. Het opschrift van de poort is nog goed leesbaar. Augustus noemt zich Divi Filius, zoon van de vergoddelijkte (i.e. Julius Caesar), en draagt de titel pater patriae, vader des vaderlands. Hij is opperpriester (pontifex maximus), voor de dertiende maal consul, voor de tweeëndertigste keer bekleed met de bevoegdheden van volkstribuun (tribunicia potestas) en voor de zesentwintigste keer imperator, zegevierend generaal.
De Arco d’Augusto was oorspronkelijk hoger. Er stond nog een galerij bovenop, die helaas verloren is gegaan. Dit gebeurde tijdens een conflict tussen Paus Pius II (1458-1464) en Sigismondo Pandolfo Malatesta, die destijds over Fano heerste. De paus huurde de diensten in van Federico da Montefeltro (1422-1482), heer van Urbino en een van de bekendste condottieri uit de Italiaanse geschiedenis (al was het maar vanwege zijn fraaie portret door Piero della Francesca). Federico versloeg de troepen van Malatesta en sloeg het beleg op voor Fano. Zijn artillerie beschoot de stad en raakte daarbij ook de Arco d’Augusto, die zijn hoofd verloor. De brokstukken werden gebruikt voor de gevel van de kerk van San Michele, die tussen 1493 en 1504 naast de poort werd gebouwd op de plek waar voorheen een tweede verdedigingstoren stond. De gevel is een werk van Bernardino di Pietro da Carona. Zijn gebeeldhouwde portaal is prachtig, maar veel opvallender is het reliëf dat hij op de gevel achterliet. Dat toont ons de Arco d’Augusto zoals die er oorspronkelijk uitzag, met de tweede verdieping nog intact. De galerij was ook voorzien van een inscriptie die keizer Constantijn noemde (306-337). De poort werd in zijn naam, maar waarschijnlijk pas na zijn dood, gerestaureerd door ene Lucius Turcius Secundus Apronianus, van wie de naam nog steeds op de poort te lezen is. Onder de zonen van Constantijn werd de naam van de stad ook gewijzigd in Colonia Flavia Fanestris.
Fano lijkt in de Romeinse keizertijd een tamelijk welvarende stad te zijn geweest, maar alleen in het jaar 271 haalde ze nog de annalen. Na een veldtocht in Pannonië was keizer Aurelianus (270-275) halsoverkop teruggekeerd naar Italië, dat te kampen had met een inval van Germaanse stammen, waarschijnlijk Alemanni en Juthungi. Het leger van de keizer, doodmoe van alle geforceerde marsen, werd nabij Placentia in een hinderlaag gelokt. De Romeinen leden een nederlaag die waarschijnlijk eerder vernederend dan ernstig was, maar die nederlaag betekende niettemin dat de weg naar Rome wagenwijd open lag. Terwijl de Alemanni en Juthungi langs de Via Aemilia en Via Flaminia oprukten, slaagde keizer erin zijn troepen weer bij elkaar te krijgen en zette hij de achtervolging in. Bij Fano wist hij de indringers in te halen. Aurelianus bracht zijn tegenstanders daar een zware nederlaag toe en joeg hen terug naar het noorden. Bij Ticinum (Pavia) vond vervolgens nog een laatste confrontatie plaats, waarbij de overlevende Alemanni en Juthungi vernietigd werden. Italië, en vooral Rome, waren gered. Het was deze Germaanse inval die leidde tot de bouw van de zogenaamde Aureliaanse Muren in Rome. Colonia Flavia Fanestris werd verwoest tijdens de Gotische oorlog (535-554), wat het einde betekende van Romeins Fano.
Archeologie
Op het centrale plein van Fano, de Piazza XX Settembre, vinden we een fontein met een beeld van de godin Fortuna. Het moet aan het verleden van Fano als Fanum Fortunae herinneren, maar werd pas in de zestiende eeuw vervaardigd door de beeldhouwer Donnino Ambrosi.[2] Voor originele Romeinse voorwerpen moeten we het archeologisch museum bezoeken, dat zich in het Palazzo Malatestiano direct achter het plein bevindt. Het museum is klein, maar biedt een interessant overzicht van archeologische vondsten in het stadje. We vinden er de nodige beelden van leden van de keizerlijke familie, zoals een verondersteld hoofd van Octavia, zuster van keizer Augustus, uit ca. 40-30 BCE (afbeelding hierboven). Mooi is ook een tamelijk volledig standbeeld van keizer Claudius (41-54). Het mooiste voorwerp vond ik zelf een mozaïek van Neptunus in zijn wagen, getrokken door hippocampi, kruisingen tussen paarden en vissen. Het mozaïek dateert van de tweede helft van de tweede eeuw.
Religieuze voorwerpen zijn er ook genoeg in het museum. Belangrijk is een standbeeld zonder hoofd van Fortuna (afbeelding hierboven). Het dateert van de eerste of tweede eeuw, maar welke rol het precies speelde in Colonia Julia Fanestris is onduidelijk. Fraai is ook een hoofd van Hercules met de huid van de Nemeïsche leeuw (tweede eeuw) en een fascinerend fragment van een sarcofaag (begin derde eeuw). Op het fragment zien we hoe een haan wordt geofferd. Een priesteres houdt het dier bij de poten vast en laat het zakken in het vuur. Het Latijnse woord voor een haan was gallus, en dat was ook het woord dat de Romeinen gebruikten voor Kelten (Galliërs) én voor priesters van de oosterse godin Cybele. Uit de aanwezigheid van een hoofd van deze Cybele blijkt dat ook zij in Romeins Fano werd vereerd, net als Mithras, Isis en Serapis.
Een beeld dat niet in het museum staat, maar daar volgens vrijwel iedereen in Fano wel zou moeten staan, is de zogenaamde Atleet van Fano, ook bekend als de Zegevierende Jongeling of de Lysippos van Fano. Het bronzen beeld, toegeschreven aan de Griekse beeldhouwer Lysippos (vierde eeuw BCE) of – steeds vaker – een navolger, werd in 1964 door Italiaanse vissers uit de Adriatische zee gevist. Het beeld uit ca. 300-100 BCE was bedekt met een dikke korst, het resultaat van een chemische reactie tussen het zoute water en het gebruikte brons. Voeten en delen van de onderbenen ontbraken, wat een sterke aanwijzing is dat het gaat om een beeld dat de Romeinen uit Griekenland roofden tijdens hun oorlogen daar in de tweede en eerste eeuw BCE.[3] Dergelijke beelden werden letterlijk bij de enkels afgezaagd of afgebroken. Het Romeinse schip dat het beeld naar Italië bracht zou vervolgens zijn vergaan, waarna meer dan tweeduizend jaar later de kostbare lading weer boven water werd gebracht. De Italiaanse vissers waren verplicht de vondst bij de Italiaanse autoriteiten te melden, maar lieten dat na. Ze verkochten het op de zwarte markt, waarna het via de Duitse kunsthandelaar Herman Heinz in 1977 werd verkocht aan het J. Paul Getty Museum in Los Angeles. Daar bevindt het zich nog steeds.
Het museum heeft de Italiaanse claim op de Atleet van Fano steeds afgewezen. Als argument voerde het onder meer aan dat het beeld feitelijk geen band met Italië heeft. Het is immers door een niet-Italiaanse beeldhouwer gemaakt, vermoedelijk in Griekenland geroofd en teruggevonden in internationale wateren (dat laatste is onduidelijk, want de precieze locatie is onbekend). Van illegale export zou geen sprake zijn, want de betrokken vissers en Italiaanse kopers zijn nooit strafrechtelijk veroordeeld. Tot nu toe heeft Italië echter steeds aan het langste eind getrokken in rechtszaken over het eigenaarschap. In 2018 kreeg het land gelijk van de hoogste Italiaanse rechter, het Corte Suprema di Cassazione. Het museum spande vervolgens een zaak aan bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en stelde daar dat het Italiaanse bevel tot inbeslagname een schending van zijn eigendomsrecht was. Het Hof wees de klacht op 2 mei 2024 unaniem van de hand, maar tot een teruggave van de Atleet van Fano heeft dit alles niet geleid. Op de pier van Fano staat thans een kopie. Het geslachtsdeel van de atleet heeft een nogal afwijkende kleur vergeleken met de rest van het beeld. Alsof er flink overheen gewreven is om geluk af te dwingen.
Noten
[1] Bellum Civile, boek 1.11.
[2] Het beeld is een kopie. Het origineel staat in het Museo Civico. In 2025 werd de beslissing genomen het te restaureren.
[3] Zie ook Bradt travel guide Umbria & the Marche (2021), p. 281.







Pingback:Fano: De Duomo – – Corvinus –
Pingback:Fano: Museo Civico en Pinacoteca – – Corvinus –