Het archeologisch museum van Cremona is gevestigd in de voormalige kerk van San Lorenzo. De geschiedenis van die kerk gaat terug tot de tiende eeuw, maar de kerk werd gebouwd op een begraafplaats die nog veel ouder is en zelfs nog voor de christelijke tijd in gebruik werd genomen. In Cremona zelf vinden we weinig sporen van het Romeinse verleden van de stad. Die sporen zijn er wel, maar ze bevinden zich onder de gebouwen van latere eeuwen, en die schuif je natuurlijk niet zomaar even aan de kant om opgravingen te doen. Op momenten dat zulke opgravingen wel worden uitgevoerd, komen er interessante vondsten aan het licht. Tegen betaling van slechts drie euro kunnen bezoekers deze vondsten in het archeologisch museum bewonderen.
Geschiedenis van Cremona
De stichting van Cremona is nauw verbonden met de veldtochten die de Romeinen in de derde eeuw voor onze jaartelling ondernamen tegen de Boii en Insubres, Keltische stammen die zich in de Povlakte hadden gevestigd. Tussen 224 en 222 BCE behaalden Romeinse legers belangrijke overwinningen, waarbij in het laatstgenoemde jaar ook de hoofdstad van de Insubres (Mediolanum, het huidige Milaan) werd ingenomen. Om hun controle over de Povlakte te versterken, stichtten de Romeinen in 218 BCE twee nieuwe Latijnse kolonies aan weerszijden van de rivier de Po. Ten zuiden van de rivier verrees de stad Placentia (Piacenza) en ten noorden ervan en zo’n 25 kilometer naar het oosten de stad Cremona. Beide kolonies lagen diep in vijandelijk gebied, gebied waarover de Romeinen alleen in naam het gezag hadden. Vanaf de twee steden was het nog ruim 200 kilometer naar de dichtstbijzijnde andere Latijnse kolonie, de stad Ariminum (Rimini). Al in hun stichtingsjaar werden Placentia en Cremona door Keltische legers aangevallen, waarop duizenden kolonisten vluchtten naar de Romeinsgezinde stad Mutina (Modena). Tot overmaat van ramp viel in het najaar van 218 BCE ook nog eens de Carthager Hannibal Italië binnen.
Tijdens de oorlog met Hannibal – de befaamde Tweede Punische oorlog – wisten Placentia en Cremona te overleven. Sterker nog, toen in 209 BCE twaalf van de dertig Latijnse kolonies in Italië de consuls van dat jaar lieten weten dat ze geen soldaten of geld meer beschikbaar konden stellen, behoorden Placentia en Cremona juist tot de kolonies die hun verplichtingen jegens Rome herbevestigden. Drie jaar later stuurden de consuls vluchtelingen die zich in Rome hadden gevestigd terug naar het noorden. Het was duidelijk dat de Romeinen niet van plan waren hun twee voorposten in Keltisch gebied op te geven. Dat bleek eens te meer toen na afloop van de oorlog met Carthago de beide kolonies opnieuw met zware aanvallen te maken kregen. In 200 BCE legde een groot leger van Kelten en Liguriërs Placentia in de as. Cremona kon nog net op tijd de poorten sluiten en werd later dat jaar gered door de praetor Lucius Furius Purpureo, die de vijandelijke strijdmacht in de pan hakte. Gevangenen uit Placentia werden bevrijd en teruggestuurd naar hun verwoeste stad. Gebrek aan daadkracht en veerkracht kon men de Romeinen nooit verwijten.
In de jaren na de slag bij Cremona richtten de Romeinen zich op het herstel en de versterking van de twee noordelijke koloniën. In 190 BCE werden er bijvoorbeeld 6.000 gezinnen gerekruteerd en naar Placentia en Cremona gestuurd. De druk op de twee steden werd vervolgens sterk verminderd door de aanleg van de Via Aemilia tussen Ariminum en Placentia (vanaf 187 BCE) en de stichting van nieuwe Latijnse en Romeinse kolonies, zoals Bononia (Bologna, in 189 BCE) en Parma (in 183 BCE). De burgers van beide steden bleven ondertussen trouw troepen leveren voor het Romeinse leger. Zo wordt bij Livius melding gemaakt van de aanwezigheid van een cohort infanterie uit Cremona bij de slag bij Pydna in Macedonië in 168 BCE. Waar Placentia al via de Via Aemilia op het Romeinse wegennet was aangesloten, profiteerde Cremona vooral van de aanleg van de Via Postumia, die in 148 BCE begon. Deze weg verbond Genua in het westen met Aquileia in het oosten.
In de Keizertijd zou de Via Postumia Cremona juist veel onheil brengen. Toen bleek maar weer eens dat de Romeinse wegen in de eerste plaats aangelegd waren om snel legers te kunnen verplaatsen. Het jaar 69 staat in ons geheugen gegrift als het Vierkeizerjaar. Na de dood van het gehate Nero in het voorafgaande jaar zaten achtereenvolgens de keizers Galba, Otho, Vitellius en Vespasianus op de troon. Twee veldslagen werden in de buurt van Cremona uitgevochten. Ze staan bekend als de eerste en tweede slag van Bedriacum, maar werden in feite uitgevochten langs de Via Postumia tussen Cremona en Bedriacum, een gehucht dat ruim dertig kilometer ten oosten van Cremona ligt en thans Calvatone heet. Op 14 april 69 gingen de strijdkrachten van Otho de strijd aan met die van Vitellius. De laatstgenoemde behaalde de overwinning, waarna de eerstgenoemde zelfmoord pleegde.
Lang kon Vitellius echter niet genieten van het keizerschap, want in het oosten van het Romeinse Rijk was Vespasianus tot keizer uitgeroepen. Zijn medestanders vielen met een leger Italië binnen en op 24 oktober 69 vond de tweede slag bij Bedriacum plaats. Vespasianus’ generaal Marcus Antonius Primus behaalde na zware gevechten de overwinning. Na de inname van het vijandelijke kamp bij Cremona richtten zijn troepen zich op de stad zelf. Vier dagen lang werd de stad geplunderd. Een groot deel van de gebouwen ging in vlammen op en vele burgers werden vermoord of tot slaaf gemaakt. Volgens Tacitus bleef alleen de tempel van Mefitis – een obscure godin van schadelijke dampen – in de geweldsorgie gespaard. Antonius Primus schaamde zich zo over het gebeuren dat hij verbood om burgers van Cremona tot slaaf te maken, met als gevolg dat zijn soldaten hun gevangenen begonnen af te maken. Gelukkig konden er nog velen door verwanten worden vrijgekocht.[1] Zij herbouwden Cremona en hun nazaten zullen er nog plezierig gewoond hebben, al speelde de stad in de Romeinse geschiedenis geen rol van betekenis meer.
Collectie
Een van de legioenen die in de tweede slag bij Bedriacum aan de kant van Vespasianus meevocht, was Legio VIII Augusta. Het was het legioen van een zekere Arruntius Maximus, die als standaarddrager diende. Het archeologisch museum bezit het reliëf van een graftombe waarop Arruntius te zien is samen met zijn moeder (een vrijgelatene) en twee zusters (afbeelding hieronder). Opvallend is dat de naam van het legioen als Legio IIX wordt weergegeven. Het reliëf dateert waarschijnlijk van de eerste helft van de eerste eeuw, dus de kans dat Arruntius heeft meegevochten in de veldslag is erg klein. Juist van latere datum is de replica van de Vittoria Alata van Calvatone (afbeelding hierboven). De originele gevleugelde Victoria, godin van de overwinning, werd gemaakt tijdens de gezamenlijke regering van de keizers Marcus Aurelius en Lucius Verus (161-169). Het voorwerp werd in 1836 gevonden en nog in de negentiende eeuw verkocht aan een museum in Berlijn. Na de Tweede Wereldoorlog was de Vittoria Alata lange tijd zoek. Enkele decennia later werd het bronzen beeld teruggevonden in de Hermitage in Sint Petersburg. Victoria was dus meegenomen door het Rode Leger nadat dit Berlijn had bezet. De kans dat de Russen bereid zijn het beeld terug te geven aan Duitsland of Italië lijkt me kleiner dan de kans dat Arruntius Maximus bij Bedriacum heeft gevochten.
Het museum bezit een mooie verzameling mozaïekvloeren. Vier van deze vloeren komen uit een huis uit de late Republiek of vroege Keizertijd, dus nog voor de verwoesting van Cremona in 69 (foto’s hierboven en hieronder). Op de fraaiste van de vier is een voorstelling uit de Griekse mythologie te zien. In het midden vecht de Atheense held Theseus met de Minotaurus. Dit monster was geboren uit de verdorven gemeenschap tussen Pasiphaë, de vrouw van koning Minos van Kreta, en een stier. De Minotaurus was opgesloten in een labyrint onder het paleis van Minos ontworpen door hofarchitect Daedalus, en ook dat labyrint is afgebeeld. Ariadne, de dochter van Minos die Theseus hielp bij het verslaan van het monster, ontbreekt. Van na de verwoesting van Cremona dateert een mozaïekvloer uit de late Oudheid waarop twee van de vier seizoenen te zien zijn. Volgens het museum zijn het winter en lente; zomer en herfst zijn verloren gegaan.
De huizen van de elite van Cremona hadden niet alleen mooie vloeren, maar ook prachtig beschilderde muren. Stukjes van de muurschilderingen zijn bewaard gebleven en in het museum tentoongesteld. Omdat het maar om kleine stukjes gaat, zijn de voorstellingen niet altijd even gemakkelijk te interpreteren. Zeer fraai is ten slotte het gereconstrueerde nymphaeum uit vroege eerste eeuw. Een nymphaeum is, kort gezegd, een fontein in de tuin van een Romeins domus. Het water van de fontein bood verkoeling op warme zomerdagen. Het nymphaeum van Cremona was geheel met mozaïekdecoraties, stukjes rots en schelpen bedekt. De mozaïeksteentjes (tesserae) werden van verschillende materialen gemaakt, waaronder Egyptisch blauw. Het gebruik van zo’n duur exotisch materiaal geeft wel aan hoe kosmopolitisch het Cremona van voor de slagen bij Bedriacum was.
Noot
[1] Tacitus, Historiën, Boek 3.33-34.







