Op 25-jarige leeftijd onder helse pijnen sterven en tóch de Canon van Nederland halen. Dat is Maria van Bourgondië (1457-1482) overkomen, de vrouw die eind vijftiende eeuw over de verschillende gewesten van de Lage Landen heerste. Maria was het enige kind van de Bourgondische hertog Karel de Stoute, die in 1477 sneuvelde op het slagveld bij Nancy en daar ter aarde werd besteld. Dankzij een speling van het lot werd Karel later naast zijn dochter begraven en bevindt zijn praalgraf zich naast dat van haar in de prachtige Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge. Hoewel de monumenten veel op elkaar lijken, is dat van de later gestorven Maria (voltooid in 1502) zestig jaar ouder dan dat van de eerder gestorven Karel (voltooid in 1562).
De ondergang van Bourgondië
Een maand voor haar twintigste verjaardag moest Maria vernemen dat haar vader in de strijd gebleven was. Karels nederlaag en dood hadden rampzalige gevolgen, zowel voor Maria zelf als voor het Bourgondische Rijk. De Franse koning Lodewijk XI, aartsrivaal van Karel, viel onmiddellijk Bourgondië en de aangrenzende Franche-Comté binnen. Bourgondië, ooit een Franse apanage, viel terug aan de Franse kroon, een situatie die in 1529 werd geformaliseerd. Maria van Bourgondië zou dus nooit hertogin van Bourgondië worden. Wel kon ze als hertogin of gravin blijven heersen over de verschillende gewesten van de Lage Landen die tot het Bourgondische Rijk hadden behoord. De Staten-Generaal accepteerden haar in die hoedanigheid, maar eisten daar wel wat voor terug. Op 11 februari 1477 tekende Maria het Groot Privilege. Steden en gewesten in de Lage Landen kregen in hoge mate autonomie, aan het Bourgondische centralistische streven kwam een einde. Vooral Vlaanderen, Holland en Brabant hadden hun best gedaan het onderste uit de kan te halen. Toen later de Habsburgers Karel V en Filips II – kleinzoon en achterkleinzoon van Maria – opnieuw een centraal bestuur in de Nederlanden probeerden te vestigen, kregen zij het Groot Privilege tegengeworpen.
Al met al was Maria er na de dood van haar vader tamelijk genadig vanaf gekomen. Bourgondië was ze kwijt, net als Gelre en Luik, maar voor het overige stond ze er niet slecht voor. Met de lijfspreuk En vous me fye (“op U vertrouw ik”) begon ze haar regering en kon ze trouwen. Een huwelijk met de Franse kroonprins, de zoon van koning Lodewijk XI, sloeg ze af. Op 18 augustus 1477 trad ze, volledig in overeenstemming met de wens van haar overleden vader, in het huwelijk met de twee jaar jongere Maximiliaan van Oostenrijk (1459-1519). Hij was de zoon van de Duitse keizer Frederik III, een telg uit het Habsburgse huis. Door Maria’s keuze werden de Lage Landen Habsburgs in plaats van Frans.
Op 22 juni van het volgende jaar werd haar zoon Filips geboren, op 10 januari 1480 gevolgd door een dochter, Margaretha. Een tweede zoontje stierf jong in 1481, en in 1482 sloeg het noodlot nogmaals toe. Tijdens een jachtpartij op 13 maart kwam Maria met haar paard zwaar ten val. Ze brak enkele ribben, waardoor haar long werd geperforeerd. Nog twee weken lang leed de arme Maria ondraaglijke pijnen voordat ze op 27 maart in Brugge kwam te overlijden. Haar man Maximiliaan werd regent voor nog geen vierjarige Filips, die om zijn knappe voorkomen al snel Filips de Schone zou worden genoemd. In 1496 trad hij in het huwelijk met Johanna van Castilië, het derde kind van Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië. Zijn zus Margaretha trouwde met de Spaanse troonopvolger Johan van Aragón. Die kwam weliswaar al snel te overlijden, maar de link tussen de Habsburgers en Spanje was gelegd. Margaretha zou later nog een mooie carrière hebben als landvoogdes van de Nederlanden.
Het praalgraf
Terug naar Maria van Bourgondië. Zij werd op eigen verzoek begraven in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge. Omstreeks 1490 werd in opdracht van Maximiliaan, die veel van zijn vrouw gehouden had, begonnen met de bouw van een praalgraf. Het monument werd een coproductie van de houtsnijder Jan Borreman, de kopergieter Renier van Thienen en de goudsmid Pierre de Beckere. In 1502 was het klaar. Maximiliaan van Oostenrijk kan het nog hebben bewonderd, want hij leefde tot 1519. En er valt veel te bewonderen, want het praalgraf is prachtig. Maria’s gisant heeft de handen vroom gevouwen en kijkt hemelwaarts, met een kroon op het hoofd. Dat hoofd wordt ondersteund door een bijna levensecht kussen. Op de rand van het monument zien we de wapens van de verschillende gewesten waarover Maria heerste en op de zijkant van het monument is haar familiestamboom afgebeeld. Aan Maria’s voeten waken twee hondjes, symbolen van trouw. Haar kleed is deels over de beestjes heen gedrapeerd.
Maria werd pas halverwege de zestiende eeuw met haar vader Karel de Stoute verenigd. Verantwoordelijk daarvoor was Karel V, de zoon van Filips de Schone en dus haar kleinzoon. Hij slaagde erin de overblijfselen van Karel – zijn overgrootvader – uit Nancy weg te krijgen, waarbij hij het geluk had dat Lotharingen op dat moment door een nichtje werd geregeerd dat de Habsburgers goedgezind was. Ook Karel de Stoute zou uiteindelijk een praalgraf krijgen, waarmee bijna alle Bourgondische hertogen en hertoginnen nu over zo’n monument beschikken (Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Karel de Stoute en Maria). De grote uitzondering betreft de allergrootste van hen, hertog Filips de Goede (1419-1467). Na zijn dood op 15 juni 1467 werd hij begraven in de Sint Donaaskerk te Brugge, maar Karel de Stoute liet zijn overblijfselen in 1474 naar het klooster van Champmol bij Dijon overbrengen. Karel had het veel te druk met de oorlogvoering om voor zijn vader een praalgraf te bestellen. Na zijn dood was Bourgondië weer onderdeel van Frankrijk en de Franse koning ging zeker geen monument voor de hertog oprichten. Karel V lijkt geen poging te hebben gewaagd de resten van Filips de Goede terug naar Brugge te krijgen. Men vraagt zich af wat er zou zijn gebeurd als Karel de Stoute ze daar gewoon had laten liggen.

Detail van het Passiedrieluik in het koor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk – Barend van Orley en Marcus Gerards.
Dit is deel 20 in de serie ‘Grafmonumenten’.



