De Romeinse elektriciteitscentrale aan de Via Ostiense werd in 1912 geopend en sloot in 1963 haar deuren. De centrale was vernoemd naar de econoom en socialistisch politicus Giovanni Montemartini (1867-1913), die sterk had gepleit voor het in handen van de gemeente brengen (municipalizzazione) van publieke voorzieningen. Na de sluiting in 1963 was het sterk de vraag wat er met het ongebruikte complex moest gebeuren. Sloop werd enige tijd overwogen, maar uiteindelijk werd gekozen voor restauratie en gebruik als expositieruimte. Al in 1995 waren in de Centrale Montemartini voorwerpen uit de Capitolijnse Musea te zien toen het Palazzo dei Conservatori werd verbouwd. Dat smaakte naar meer. Omdat de Capitolijnse Musea – zoals vrijwel alle musea ter wereld – veel meer werken bezitten dan ze tentoon konden stellen, werd besloten van de oude centrale een permanente dependance van deze musea te maken. In 1997 werd deze dependance geopend.
In 2022 bezocht ik de Centrale Montemartini voor het eerst. Het was coronatijd, er was geen kip en het museum stond in het teken van een speciale tentoonstelling over mozaïeken. Hoewel ik moet toegeven dat de allermooiste werken uit de collectie van de Capitolijnse Musea in het Palazzo dei Conservatori en het Palazzo Nuovo te zien zijn, kan ik ook voor de Centrale Montemartini moeiteloos een persoonlijke top-8 samenstellen.
1. Het hoofd van Fortuna Huiusce Diei
Dit enorme hoofd van Fortuna was meteen de voornaamste reden om het museum te bezoeken. Het maakte deel uit van een beeld van de godin dat ooit in een tempel op het Marsveld stond, in het gebied dat nu de Area Sacra di Largo Argentina wordt genoemd. De tempel van Fortuna Huiusce Diei – ‘Fortuin van deze Dag’ – was in 101 BCE beloofd door de proconsul Quintus Lutatius Catulus, aan de vooravond van de Slag bij Vercellae. De Romeinen stonden hier tegenover de Germaanse Cimbri, die al meer dan tien jaar een ernstige bedreiging voor Italië vormden en ook al verschillende Romeinse legers hadden verslagen. Bij Vercellae behaalden de Romeinen echter een verpletterende overwinning. Catulus kwam zijn belofte na en de tempel van Fortuna Huiusce Diei moet ergens in de vroege eerste eeuw BCE zijn gewijd.
Bij opgravingen op de Largo Argentina in de periode 1925-1928 werd het hoofd van Fortuna teruggevonden, samen met een arm en twee voeten. De bewaard gebleven onderdelen zijn nog steeds indrukwekkend, al was het maar vanwege hun omvang. Het beeld was overigens een akroliet, wat wil zeggen dat alleen de ontblote delen van marmer waren gemaakt en de overige delen – dus vooral de kleding – van minder dure materialen.[1] Het maken van beelden ging zo sneller en goedkoper.
2. Het monument van Bocchus
Tegelijk met de oorlog tegen de Cimbri en hun bondgenoten de Teutones waren de Romeinen verwikkeld in een conflict met Jugurtha, de koning van Numidië. De oorlog tegen Jugurtha liep vanwege een dodelijke combinatie van incompetentie en corruptie aan Romeinse kant aanvankelijk voor geen meter. In 109 BCE waren de Romeinen zelfs gedwongen een vernederend vredesverdrag te aanvaarden. Dat verdrag werd echter verworpen door de Senaat, die meteen een aanzienlijk geschiktere legeraanvoerder naar Afrika stuurde, de consul Quintus Caecilius Metellus. Metellus behaalde wel successen in de strijd, en dat gold vervolgens ook voor zijn opvolger Gaius Marius. Onder Marius diende een quaestor genaamd Lucius Cornelius Sulla. Die wist uiteindelijk Koning Bocchus van Mauretanië ervan te overtuigen om zijn schoonzoon Jugurtha te verraden. In 105 BCE werd Jugurtha geboeid aan de Romeinen uitgeleverd en naar Rome gestuurd. Voor deze arrestatie, die feitelijk het einde van de oorlog betekende, kreeg Sulla de meeste lof toegezwaaid, tot grote ergernis van Marius. Het zou nooit meer goed komen tussen de twee.
In de Centrale Montemartini vinden we overblijfselen waarvan gedacht wordt dat ze behoorden tot een monument dat Bocchus in Rome oprichtte ter ere van de Romeinse overwinning op zijn schoonzoon. Dit lijkt het monument te zijn dat Plutarchus noemt in zijn biografie van Sulla. Daar spreekt hij namelijk van “de eerzucht van Bocchus, die om het volk in Rome te eren en Sulla een plezier te doen beelden op het Capitool wijdde die trofeeën droegen en daarnaast een vergulde Jugurtha, zoals die door hem aan Sulla werd uitgeleverd”.[2] De overblijfselen die we in het museum vinden, moeten dan het platform zijn geweest waarop de beelden stonden. Ze zijn gemaakt van grijze kalksteen uit Afrika. Het monument moet aan de zuidzijde van het Capitool hebben gestaan. In 1938 werden de brokstukken ervan gevonden in de buurt van de kerk van Sant’Omobono, waar men ook een Area Sacra vindt.
Op een stuk van het monument zien we drie trofeeën en een schild met het hoofd van Minerva. Een ander restant heeft een schild met daarop de Romeinse adelaar met een bliksemschicht in de klauwen, afgebeeld tussen twee gevleugelde Victoria’s. Op een derde onderdeel zijn een scheenplaat, een borstkuras, een schild met een ruiter en de hoofdbescherming van een paard afgebeeld. De ruiter op het schild is waarschijnlijk Castor of Pollux. Met het monument wilde Bocchus – die rond 80 BCE overleed – ongetwijfeld de banden met de Romeinen aanhalen, en vooral met Sulla. Afgaande op de tekst van Plutarchus werd het monument voor het jaar 91 BCE opgericht, namelijk voor de uitbraak van de Bondgenotenoorlog in dat jaar.
3. Friezen van de tempel van Apollo Sosianus
Even ten noorden van de genoemde kerk van Sant’Omobono en achter het Theater van Marcellus stond de tempel van Apollo Sosianus.[3] Tegenwoordig staan daarvan nog maar drie zuilen met een stukje architraaf overeind. Hoewel dat al beter is dan het lot van zijn buurman – de tempel van oorlogsgodin Bellona, waarvan alleen de contouren nog zichtbaar zijn – maakt de tempel een tamelijk zielige indruk. Dit wordt enigszins gecompenseerd door het feit dat enkele friezen uit de cella van de tempel bewaard zijn gebleven en in de Centrale Montemartini worden tentoongesteld. We zien mannen met een ferculum (draagbaar) waarop broden liggen en een processie met drie stieren, een trofee en twee gevangenen. Er wordt wel een verband gelegd met de eerste van drie triomftochten die de latere keizer Augustus in 29 BCE hield. Met de eerste vierde hij zijn overwinning op onder meer de Pannoniërs en Dalmatiërs. De tweede dag stond in het teken van de overwinning op Marcus Antonius bij Actium, de derde betrof de onderwerping van Egypte.[4]
De geschiedenis van de tempel van Apollo gaat terug tot de vijfde eeuw BCE. Hij werd tussen 433 en 431 BCE gebouwd als de tempel van Apollo Medicus na een epidemie die vele slachtoffers had gemaakt. In 207 BCE was de Carthaagse generaal Hasdrubal Barcas Noord-Italië binnengevallen in een poging zijn leger te laten samensmelten met dat van zijn broer Hannibal. Dit zorgde voor paniek in Rome. Er werd een processie gehouden die begon bij de tempel van Apollo. Het was ook in deze tempel dat Apollo een adellijke Romeinse dame genaamd Atia zou hebben bezwangerd. In september 63 BCE werd haar zoon Gaius Octavius geboren, de latere keizer Augustus. Het verhaal is natuurlijk onzin, maar de speciale band tussen Augustus en Apollo was echt. In de jaren 30 en 20 BCE werd de tempel gerestaureerd door Gaius Sosius, de consul van 32. Hij was een bondgenoot van Marcus Antonius die amnestie van Augustus had gekregen na de nederlaag van de eerstgenoemde bij Actium. Naar Sosius werd de tempel voortaan de tempel van Apollo Sosianus genoemd.
4. Fresco met voorstelling uit de oorlogen met de Samnieten
In 1875 werd in een graftombe op de Esquilijn een fresco gevonden met daarop voorstellingen die verwijzen naar de Samnitische oorlogen.[5] De Romeinen vochten drie oorlogen uit met de Samnieten, een Oskisch sprekend volk dat in de heuvels en bergen van zuidelijk Centraal-Italië woonde. De eerste Samnitische oorlog vond plaats tussen 343 en 341 BCE, de tweede tussen 327 en 304 BCE en de derde tussen 298 en 290 BCE. Daarna vonden er formeel geen oorlogen meer plaats tussen beide volkeren, hetgeen allerminst wil zeggen dat het nu pais en vree was. Integendeel, Samnitische troepen vochten aan de kant van koning Pyrrhus van Epirus tegen de Romeinen en ook na diens vertrek in 275 BCE gingen de gevechten tussen Romeinse en Samnitische legers gewoon door, zij het minder intensief. Nog in 82 BCE voerde de Samnitische leider Pontius Telesinus een grote strijdmacht van tienduizenden Samnieten aan die het opnam tegen het leger van de Romeinse generaal Sulla. Sulla won het treffen op 1 november bij de Collijnse poort ternauwernood. Na afloop liet hij duizenden gevangengenomen Samnieten afslachten.
Het intrigerende fresco moet verwijzen naar de tweede of derde Samnitische oorlog. De twee belangrijkste figuren zijn – nauwelijks nog leesbaar – aangegeven als Quintus Fabius en Marcus Fannius. Misschien is de eerstgenoemde wel Quintus Fabius Maximus Rullianus, een telg uit de beroemde gens Fabia die in beide oorlogen zijn sporen verdiende en vijfmaal als consul zou dienen. Het kan ook gaan om zijn zoon Quintus Fabius Maximus Gurges, consul in 292 BCE. In elk geval is het helemaal niet zo gek om ervan uit te gaan dat de graftombe aan een lid van de gens Fabia toebehoorde. Wie Marcus Fannius was, is echter totaal onduidelijk. In 161 BCE diende een zekere Gaius Fannius Strabo als consul, als eerste van zijn geslacht. Een andere Gaius Fannius, waarschijnlijk een neefje, was consul in 122 BCE. Misschien had de gens Fannia wel Samnitische wortels, maar een nu vrijwel onleesbare naam op een fresco lijkt me onvoldoende om dat zomaar aan te nemen.
5. De Togato Barberini
Van de late eerste eeuw BCE dateert de zogenaamde Togato Barberini. Het beeld stelt een Romeinse man in een toga voor (een togatus) met in zijn handen de wassen dodenmaskers van zijn vader en grootvader. Voor Romeinse aristocraten was het gebruikelijk dergelijke maskers thuis aan de muur te hangen. Zo hielden ze contact met hun illustere voorvaders en konden ze indruk maken op bezoekers. De maskers werden ook gebruikt tijdens ceremonies. Wie de Togato Barberini precies is, weten we niet. Het lijkt ook niet zo zinvol om over zijn identiteit te speculeren, al was het maar omdat het hoofd van de man niet bij de rest van het beeld hoort. Het is enkele decennia ouder. Alle hoofden zijn overigens gemaakt in een tijd dat de Romeinen nog de voorkeur gaven aan realisme in hun beeldhouwwerken. Ook imperfecties werden daarbij meegenomen. Twee van de drie mannen hebben bijvoorbeeld duidelijk last van dunner wordend haar. Het beeld is afkomstig uit het Palazzo Barberini, vandaar de naam.
6. Het hoofd van Otacilia Severa
Niet dat het hoofd van Otacilia Severa nu zo’n meesterwerk is, maar het beeldhouwwerk geeft ons wel gelegenheid tot een nadere kennismaking met deze weinig bekende keizerin uit de derde eeuw. Otacilia was een telg uit een oeroud Romeins geslacht. Een van haar voorvaderen, Manius Otacilius Crassus, was in 263 BCE tijdens de eerste Punische oorlog de eerste van zijn familie die het tot consul wist te schoppen. Vijfhonderd jaar later trouwde een andere telg van de gens Otacilia, de hier besproken Otacilia Severa dus, met de toekomstige keizer Philippus Arabs. Deze was afkomstig uit het dorpje Thraconitis in het noorden van de Romeinse provincie Arabia Petraea. Samen met zijn broer Gaius Julius Priscus diende hij als praetoriaans prefect tijdens de veldtocht van keizer Gordianus III tegen de Perzen. Die oorlog liep op een fiasco uit. Gordianus III leed een nederlaag en kwam onder onduidelijke omstandigheden te overlijden.
Philippus werd vervolgens door het leger tot keizer uitgeroepen en kreeg de ondankbare taak vrede te sluiten met de Perzische koning Shapur. Die bleek daartoe bereid tegen betaling van het astronomische bedrag van 500.000 goudstukken. Het keizerschap van Philippus wordt vooral herinnerd vanwege de viering van de duizendste verjaardag van Rome, die in april 248 plaatsvond. Otacilia had haar man een zoon geschonken, die Philippus eerst tot caesar (kroonprins of onderkeizer) en vervolgens tot augustus (medekeizer) liet benoemen. In het najaar van 249 werd de keizer bij Verona verslagen en gedood door Gaius Messius Quintus Decius. De praetorianen erkenden Decius als de nieuwe keizer en vermoordden de zoon van Philippus, die niet ouder dan twaalf kan zijn geweest. Het lot van Otacilia is onduidelijk.
7. Mozaïeken met jachtscènes
Ten zuiden van het centraal station van Rome vinden we aan de Via Giovanni Giolitti een aantal interessante bouwwerken. Een daarvan is de kerk van Santa Bibiana, een ander de zogenaamde ‘tempel van Minerva Medica’ (in werkelijkheid een nymphaeum of een eetzaal). In de oudheid lagen hier tuinen die sinds de Late Republiek of vroege Keizertijd toebehoorden aan de gens Licinia. Men spreekt dan ook doorgaans van de Horti Liciniani. Keizer Gallienus (253-268), die ook tot dit geslacht behoorde, kwam bijzonder graag in deze tuinen.
Het gebied van de voormalige Horti Liciniani heeft rijke archeologische vondsten opgeleverd. Bij de kerk van Santa Bibiana werd in 1904 een schitterende mozaïekvloer uit de vroege vierde eeuw gevonden. Op het mozaïek zijn jachttaferelen te zien die sterk doen denken aan die van een bekende Romeinse villa in Piazza Armerina op Sicilië. Volgens het bordje in het museum zien we op de mozaïekvloer twee soorten jachttaferelen: er wordt gejaagd op dieren voor de spelen in de arena en op everzwijnen. Hoe wreed het getoonde spel ook is, de details en kleuren zijn prachtig. Zo probeert een man een beer te vangen door hem met een opgehangen ham in een krat te lokken. De man staat op de krat en is klaar om het luik te sluiten zodra de beer in de val is gelopen.
8. De trein van Paus Pius IX
And now for something completely different. In sneltreinvaart reizen we van de oudheid naar de negentiende eeuw. Paus Pius IX – ook bekend als Pio Nono – is nog steeds de langstzittende paus in de geschiedenis. Hij besteeg de troon van Petrus in 1846 en hield die bezet tot aan zijn dood in 1878. Tijdens zijn bijna 32-jarige pontificaat ging zijn populariteit op en neer. In het revolutiejaar 1848 scandeerden burgers die verandering wilden zijn naam omdat ze in hem een liberaal en een bondgenoot zagen. Maar toen in 1881 zijn doodskist naar de kerk van San Lorenzo fuori le Mura werd overgebracht, werd die met stenen en modder bekogeld.
Zelfs zonder zijn hele leven te analyseren kunnen we wel stellen dat Pius IX een controversiële paus was.[6] Voor één project heeft Pius echter unaniem lof ontvangen: als eerste paus begon hij met de aanleg van spoorlijnen in de Pauselijke Staat. In 1856 kwam een verbinding tussen Rome en Frascati tot stand en in 1863 schonk hij Rome haar eerste treinstation. Dit was nog een tijdelijk station, dat al snel vervangen werd door een permanent station. In de Centrale Montemartini kunnen we de pauselijke trein bewonderen, voorzien van het wapen van Pius IX. Tegen het einde van zijn pontificaat kon Pius er een paar honderd kilometer mee reizen. Dat deed hij echter niet: nadat Italiaanse troepen op 20 september 1870 Rome hadden veroverd, sloot de paus zich op in het Vaticaan.
Noten
[1] The Atlas of Ancient Rome, part 2, Tab. 216B.
[2] Sulla 6 (vertaling: H.W.A. van Rooijen-Dijkman). Zie ook Marius 32 en deze website. Over het monument The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 164; The Atlas of Ancient Rome, part 2, Tab. 20E.
[3] Daarover The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 397, 506, 511; The Atlas of Ancient Rome, part 2, Tab. 209-210a.
[4] Cassius Dio, Boek 51.21-22.
[5] Zie ook deze bijdrage.
[6] Zie ook John Julius Norwich, De Pausen, hoofdstuk XXV.











Pingback:De 10 hoogtepunten van… de Capitolijnse Musea (Palazzo dei Conservatori) – – Corvinus –
Pingback:The 8 highlights of… the Centrale Montemartini – – Corvinus –