Met de term Magna Graecia worden die gebieden in Zuid-Italië en op Sicilië bedoeld die vanaf de achtste eeuw voor onze jaartelling werden gekoloniseerd door Griekse landverhuizers. Deze migranten troffen natuurlijk geen lege gebieden aan. Overal woonden al andere volkeren, waarmee de Grieken oorlogen voerden, bondgenootschappen aangingen en handel dreven. Door de contacten met de Griekse taal en cultuur ontstond een proces van hellenisering, waarbij de inheemse volkeren elementen uit de Griekse cultuur overnamen. Omgekeerd namen de Grieken zelf ook elementen uit andere culturen over. Het archeologisch museum van Napels heeft een aparte afdeling op de tweede verdieping die aan Magna Graecia is gewijd. Napels zelf – Neapolis of ‘nieuwe stad’ in het Grieks – en haar voorganger Parthenope waren natuurlijk ook onderdeel van dit gebied. We vinden op deze afdeling belangrijke vondsten die vanaf de negentiende eeuw zijn gedaan. Bijzonder is dat bezoekers de afdeling alleen mogen betreden als ze plastic hoesjes over hun schoenen doen. Zo hoopt het museum kennelijk de vloeren van de zalen te beschermen.
Ruvo
Juist vanwege de culturele beïnvloeding die over en weer plaatsvond, zijn de voorwerpen op de afdeling over Magna Graecia zeker niet louter cultureel Grieks. Typisch Grieks zijn natuurlijk wel de grote kraters of mengvaten. De exemplaren in het museum zijn prachtig beschilderd met mythologische voorstellingen. Een van de kraters komt uit Ruvo in het huidige Puglia. Daar is ook een graftombe gevonden, de zogenaamde ‘Tombe van de Danseressen’, die zeker niet typisch Grieks is. De muurschilderingen van dansende vrouwen dateren van de late vijfde of vroege vierde eeuw BCE en lijken eerder door de schilderkunst van de Etrusken te zijn beïnvloed. De vrouwen omringden de overledene (een hooggeplaatste krijger) aan vier kanten. In de processie zijn ook drie mannen opgenomen. Ruvo was een nederzetting van de Peuceti, die zelf weer tot de Iapyges behoorden. Hun nederzetting moet in de oudheid welvarend zijn geweest en onderdeel hebben uitgemaakt van een handelsnetwerk dat liep van het Baltisch gebied tot het oostelijke Middellandse Zeegebied.
Egnatia
Egnatia was een nederzetting van de Messapii, die eveneens tot de Iapyges behoorden. Zij werden in 267-266 BCE door de Romeinen onderworpen. Een muurschildering van een man met een paard, eveneens afkomstig uit een graftombe, is de moeite waard. Linksboven staat een – onleesbare – tekst in het Grieks, een aanwijzing dat de Messapii het Griekse alfabet overnamen. De man draagt een korte rode tuniek en een gele mantel. Hij heeft een zweep in de linkerhand en houdt de teugels van het paard met zijn rechterhand vast. Op een andere schildering is een zwaard te zien, dat zeer gedetailleerd is afgebeeld. Het is opgehangen aan een spijker in de muur. Het zwaard lijkt een Griekse kopis te zijn. Let vooral op de pommel (zwaardknop) van het handvat, die de vorm van een dierenhoofd (een paard?) heeft.
Paestum
Belangrijk zijn de fresco’s afkomstig uit graftomben die in de buurt van Paestum zijn gevonden. Paestum werd in 273 BCE door de Romeinen gesticht op de plek van Poseidonia, een van oorsprong Griekse stad die door de inheemse Lucani was ingenomen. De stad is wereldberoemd vanwege haar bewaard gebleven tempels uit de zesde en vijfde eeuw BCE, twee voor Hera en een voor Pallas Athene. Maar de stad is ook beroemd vanwege de muurschilderingen die er zijn gevonden waarop tweegevechten zijn afgebeeld. Begeleid door muzikanten gaan mannen elkaar te lijf met hun vuisten of vechten ze duels uit met speren en schilden.
De muurschilderingen vormen het sterkste bewijs dat de gladiatorengevechten van de Romeinen gebaseerd zijn op de begrafenisspelen van de Lucani en niet – zoals lang werd gedacht, ook door de Romeinen zelf – van de Etrusken waren overgenomen. Ook bij de Romeinen waren gladiatorengevechten aanvankelijk onderdeel van begrafenisspelen. Pas veel later werden ze een vorm van volksvermaak. Toen in 264 BCE de voormalige consul Decimus Junius Brutus als eerste Romein gladiatorenspelen in Rome organiseerde bij gelegenheid van de dood van zijn vader, waren de afbeeldingen in de graftombes van Paestum al geschilderd. De schilderingen in het museum dateren van de tweede helft van de vierde eeuw BCE.
Nola
En dan Nola. Deze stad in Campania werd door zeer veel culturen beïnvloed, in het bijzonder door het Griekse Cumae en het Etruskische Capua. De Campaniërs hadden in de late vijfde eeuw BCE zelfs Cumae veroverd op de oorspronkelijke Griekse bewoners, maar korte tijd later werden ze zelf aangevallen en onderworpen door de Samnieten. De Samnieten waren een Oskisch sprekend volk dat in de heuvels en bergen van zuidelijk Centraal-Italië woonde. Zij namen in 423 BCE ook Capua in. In al deze gevallen gold dat de veroveraars al snel geassimileerd werden door de bevolkingen van de veroverde steden. Zo ontstond een bijzonder rijke mengcultuur met inheemse, Griekse, Etruskische en Samnitische elementen. Hierdoor kon het voorkomen dat de geassimileerde Samnieten van Capua tegenover niet-geassimileerde Samnieten van buiten deze stad kwamen te staan. In feite was zo’n gebeurtenis de aanleiding voor de Romeinse interventie in Campania die uitliep op de eerste Samnitische oorlog (343-341 BCE).
Nola stond aanvankelijk vooral onder Etruskische invloed, later vooral onder Samnitische. Dat blijkt uit de muurschilderingen in twee graftomben die bij Nola zijn gevonden. De muurschilderingen dateren van ca. 330-320 BCE en ca. 340-330 BCE. De stijl is Etruskisch, maar de bewapening van de voetsoldaten en ruiters lijkt toch vooral Samnitisch. We zien borstkurassen, schilden, werpspiesen en helmen. De infanterist met het kleurrijke vaandel krijgt van een vrouw iets te drinken aangeboden. We zijn dus getuige van soldaten die na een oorlog thuiskomen. Op één muurschildering zien we een ruiter met een wel heel opvallende helm met enorme horens. De inwoners van Nola vochten in de tijd dat de muurschilderingen gemaakt werden aanvankelijk tegen de Romeinen. Zo verdedigden 2.000 manschappen uit Nola de stad Parthenope toen de Romeinen die in 326 BCE belegerden. Hun hulp was tevergeefs. Dertien jaar later namen de Romeinen Nola zelf in. De stad speelde een belangrijke rol tijdens de tweede Punische oorlog (218-201 BCE). Zowel in 216 BCE als in 215 BCE en 214 BCE probeerde de Carthaagse veldheer Hannibal de stad in te nemen. In alle drie de gevallen wist de Romeinse generaal Marcus Claudius Marcellus dat te voorkomen.
Cales en Velitrae
De Aurunci (of Ausones) woonden in het grensgebied van Latium en Campania. Al kort na de stichting van de Republiek hadden de Romeinen tegen de Aurunci gestreden, en wel in 503-502 BCE en 495 BCE. In beide gevallen hadden de Romeinen de aanvallen af weten te slaan en daarna verdwijnen de Aurunci voor 150 jaar uit de bronnen. In 345 BCE kwam het tot een nieuw conflict, en dat had alles te maken met de Romeinse expansie richting het oosten. De Aurunci plunderden Romeins gebied, waarna de Romeinen hard terugsloegen en hun tegenstanders in de pan hakten. Het was het begin van het einde voor de Aurunci. Tien jaar later nam een Romeins leger de stad Cales in, waar in 334 BCE een Latijnse kolonie werd gesticht. Nog weer twintig jaar later veroverden de Romeinen de steden Ausona, Minturnae en Vescia en gingen daar zo woest tekeer dat de Aurunci nagenoeg uitgemoord werden. Met de stichting van de Latijnse kolonie Suessa Aurunca in 313 BCE hielden de Aurunci feitelijk als zelfstandige natie op te bestaan. Het archeologisch museum van Napels heeft een mooi terracotta beeld van een jongeman in toga in de collectie. Het werd gemaakt na de Romeinse verovering, in de eerste helft van de derde eeuw BCE.
Ten slotte Velitrae (Velletri), in het land van de Volsci. De Romeinen stichtten hier in 494 BCE een kolonie, maar dat betekent natuurlijk niet dat er voor die tijd geen mensen woonden. Integendeel, in het museum vinden we overblijfselen van de versieringen van een tempel die rond 530 BCE in Velitrae werd gebouwd. Tot deze versieringen behoort een reliëf van ruiters met grote ronde schilden. De stijl wordt als Italisch-Etruskisch aangeduid. De Romeinen hadden uiteindelijk meer last dan profijt van hun kolonie. In de vierde eeuw BCE stonden ze regelmatig tegenover troepen uit Velitrae op het slagveld. Nadat de inwoners van de stad ook tijdens de Latijnse oorlog (340-338 BCE) tegen Rome hadden gevochten, besloten de Romeinen Velitrae zwaar te straffen met de deportatie van haar senatoren en het zenden van nieuwe kolonisten. Daarna lijkt de rust te zijn teruggekeerd. De familie van de latere keizer Augustus, de gens Octavia, was uit Velitrae afkomstig.
Bronnen: website MANN Napoli|Museo Archeologico di Napoli, Capitool reisgids voor Napels (editie 2018), p. 90-93 en reader uit mijn middelbareschooltijd!












Pingback:Napels: Museo Archeologico Nazionale (deel 1) – – Corvinus –