Het is simpelweg onmogelijk om Venetië te bezoeken en het Palazzo Ducale over te slaan. De Britse populair historicus John Julius Norwich, een autoriteit op het gebied van de geschiedenis van de Serenissima, noemde het dogepaleis terecht “the greatest secular Gothic building in the world”.[1] De gotische puntbogen van Istrische steen, de sierlijke colonnades en het zachtroze Veronamarmer van de gevel nodigen allemaal uit tot een bezoek. Eenmaal binnen wordt bezoekers getrakteerd op prachtige zalen met werken van grootheden als Titiaan, Tintoretto en Veronese. Het uitzicht door de ramen op de Venetiaanse lagune en het eiland met de kerk van San Giorgio Maggiore is eveneens schitterend. Venetië heeft bijna zo lang als er doges waren een dogepaleis gehad. De geschiedenis van het Palazzo Ducale gaat dan ook terug tot het begin van de negende eeuw. Het is een bewogen geschiedenis, waarbij hoogtepunten en rampen elkaar afwisselden. Het is zaak daar gedetailleerd bij stil te staan.
Vroege geschiedenis
De eerste algemeen erkende doge van Venetië is een zekere Orso of Ursus, die in 726 aantrad. De naam betekent ‘beer’, en deze Orso was afkomstig uit Heraclea op het vasteland (thans Eraclea Mare). Dit was immers de tijd dat de inwoners van Venetië nog verspreid over de lagune woonden (zie Torcello: Santa Maria Assunta). Pas in de vroege negende eeuw zouden ze in de Rialto-archipel neerstrijken, waar we nu het hart van Venetië vinden. Orso kreeg het ambt van dux toegewezen, wat in het Latijn ‘aanvoerder’ betekent en ook aan de basis ligt van het Engelse woord duke. In het Venetiaanse dialect werd de dux al snel de doge. Na Orso zouden er nog 117 doges volgen, totdat in 1797 de allerlaatste doge, Ludovico Manin, onder druk van Napoleon Bonaparte zijn ambt neerlegde en er een einde kwam aan de Venetiaanse Republiek. Venetië was overigens niet de enige stad met een doge: ook haar aartsrivaal Genua werd door dogen geregeerd.
Het eerste dogepaleis op de huidige plek kwam tot stand tijdens de regering van Agnello Participazio, die tussen 811 en 827 de corno ducale van de doge droeg. Dit eerste dogepaleis was eigenlijk geen paleis. Het was eerder een goed verdedigbaar fort, met torens en ophaalbruggen. Dit fort kwam goed van pas toen in 976 een opstand uitbrak tegen de impopulaire doge Pietro IV Candiano. Een woedende menigte bestormde het dogepaleis, maar de aanval werd door de troepen van de doge afgeslagen. Daarop stak de meute de omringende gebouwen in brand. Daarvan gingen er zo’n 300 verloren, maar ook het dogepaleis zelf en de eerste versie van de basiliek van San Marco werden in de as gelegd. Pietro Candiano probeerde nog te vluchten, maar werd gegrepen en vermoord. Onder zijn opvolger Pietro I Orseolo werden de stad en het dogepaleis herbouwd. De nieuwe doge verdiende daarvoor veel lof, maar besloot in 978 af te treden en monnik te worden. In 1731 werd hij zelfs heilig verklaard, als enige doge in de geschiedenis van Venetië.
Het dogepaleis werd in de twaalfde eeuw, tijdens de regering van doge Sebastiano Ziani (1172-1178), verbouwd, mogelijk nog in Byzantijnse stijl. Ziani is vooral bekend geworden vanwege het laten plaveien van de Piazza San Marco en de creatie van de Piazzetta aan de westkant van het Palazzo Ducale. Tijdens zijn regering was tevens de Maggior Consiglio of Grote Raad ingesteld, waarop hieronder nog nader in zal worden gegaan. Ook deze Raad had zijn vertrekken in het dogepaleis, maar dat bleek ruim een eeuw later te klein te zijn geworden. Wat volgde was een uitbreiding aan de oost- en zuidoostzijde.
Latere geschiedenis
In 1341 begon de herbouw van het Palazzo Ducale in gotische stijl. De eerste architect was een zekere Pietro Baseggio (gestorven ca. 1354). Hij was allang overleden toen de bouwactiviteiten ruim tachtig jaar later eindelijk werden afgerond. De nieuwe vergaderzaal voor de Maggior Consiglio was met fresco’s gedecoreerd door de schilder Guariento di Arpo (1310-1370). Op de muren hadden hij en zijn assistenten tussen 1365 en 1367 voorstellingen over de Kroning van de Maagd in de Hemel geschilderd. Toch duurde het nog tot 1423 voordat de Maggior Consiglio in de nieuwe zaal zijn intrek nam. Dit was nadat in 1404 de werkzaamheden aan de zuidzijde van het dogepaleis, tegenover de Molo en de Riva degli Schiavoni, waren afgerond (inclusief het balkon dat over de lagune uitkijkt), en in 1423 die aan de westzijde, tegenover de reeds genoemde Piazzetta San Marco.[2] In 1425 was de door Pietro Baseggio geïnitieerde herbouw van het Palazzo Ducale eindelijk gereed.
De decennia die volgden, stonden vooral in het teken van de verfraaiing van het paleis. Tijdens de regering van Francesco Foscari (1423-1457) verrees bijvoorbeeld de prachtige toegangspoort die de Porta della Carta wordt genoemd. Bartolomeo Bon (gestorven na 1464) en anderen[3] waren verantwoordelijk voor de kundig gebeeldhouwde decoraties, waaronder het reliëf waarop de doge zelf is afgebeeld. Francesco Foscari – die als langstzittende doge uit de geschiedenis een mooie graftombe in de kerk van de Frari kreeg – is knielend afgebeeld met de corno ducale op het hoofd en een scepter in zijn handen. Tegenover hem staat de gevleugelde leeuw van Sint Marcus, het symbool van Venetië. Het dier heeft een voorpoot op een opengeslagen boek met de beroemde woorden PAX TIBI MARCE EVANGELISTA MEUS – “Vrede zij met u, Marcus, mijn evangelist”. Helaas is van het originele reliëf uit 1438-1442 alleen het hoofd van de doge bewaard gebleven. Franse troepen die in 1797 Venetië bezetten, sloegen het origineel in een vlaag van barbarij aan diggelen. Wat we vandaag de dag zien, is een kopie uit de late negentiende eeuw.
Het gotische dogepaleis werd op 14 september 1483 getroffen door een ramp. Een grote brand verwoestte toen een groot deel van de oostelijke flank (aan de Rio del Palazzo). Als architect voor de restauratie werd Antonio Rizzo (1430-1499) aangesteld, die ook de monumentale trap op de binnenplaats van het Palazzo Ducale liet bouwen. Deze Scala dei Giganti werd voortaan gebruikt bij de installatie van nieuwe doges, die in de colonnade bovenin hun corno ontvingen. Dit gebeurde voor het eerst in 1485 met doge Marco Barbarigo (1485-1486). Later, in 1567, voegde Jacopo Sansovino (1486-1570) de beelden van Mars en Neptunus aan de trap toe, symbool voor de maritieme macht van de Venetianen. Deze Sansovino was eveneens verantwoordelijk voor de trap in het dogepaleis zelf, de Scala d’Oro of Gouden Trap uit 1538-1559.[4] Voor Antonio Rizzo eindigde zijn werk aan het Dogepaleis helaas in mineur, want in 1498 werd hij beschuldigd van verduistering van overheidsgelden. Of de beschuldigingen nu hout sneden of niet, de architect moest vluchten. Zijn opvolger Pietro Lombardo (ca. 1435-1515) voltooide het restauratiewerk.
Na enkele decennia van rust sloeg op 20 december 1577 opnieuw het noodlot toe. Wederom woedde er een grote brand in het dogepaleis, die de Sala del Maggior Consiglio en Sala dello Scrutinio (waar de Raad zijn stemmingen hield) verwoestten. Ook de fresco’s van Guariento gingen hierbij verloren, al zijn er in het huidige Palazzo Ducale nog steeds restanten van te zien. De Venetianen stonden nu op een kruispunt. Moesten ze het dogepaleis slopen en van de grond af aan opnieuw opbouwen in Renaissancestijl? Dit was in elk geval het standpunt van de beroemde architect Andrea Palladio (1518-1580). Maar Palladio kreeg niet zijn zin. In slechts acht maanden werden de Sala del Maggior Consiglio en Sala dello Scrutinio gerestaureerd. De ramen van de zalen werden bij deze restauratie iets hoger in de muren geplaatst, wat aan de buitenzijde van het Palazzo Ducale nog goed zichtbaar is. Wie ten zuiden van het dogepaleis staat en de gevel bewondert, ziet duidelijk dat de twee rechter ramen en het raam met het balkon lager zijn dan de ramen links ervan. Aan het eind van de jaren 1580 begon de toen al tamelijk bejaarde Jacopo Robusti (1518-1594), bijgenaamd Tintoretto, aan de decoratie van de zaal van de Grote Raad. Hij werkte hierbij samen met zijn zoon Domenico (1560-1635). Voor de achterwand van de zaal produceerden ze een enorm schilderij met daarop het Paradijs, dat 7,45 bij 24,65 meter groot is.
De Venetiaanse staatsinrichting
De doge was het staatshoofd van de Venetiaanse Republiek. Aangezien het ambt meer dan duizend jaar heeft bestaan en voortdurend aan verandering onderhevig was, is het niet eenvoudig te zeggen welke taken en bevoegdheden de doge precies bezat. De eerste doges waren in elk geval – getrouw aan de oorsprong van hun ambt als dux – aanvoerder van het leger en de vloot. Dat was niet zonder risico. In 887 sneuvelde de doge Pietro I Candiano bijvoorbeeld tijdens de strijd tegen de Dalmatische piraten. Doge Ordelafo Falier kwam in 1117 om het leven bij gevechten tegen de Hongaren bij Zara (tegenwoordig Zadar in Kroatië). Wat de overige taken en bevoegdheden betreft, was er de eerste eeuwen een risico dat de doge zich tot alleenheerser zou ontwikkelen, die zelf besliste over zijn opvolging. In feite had een doge alleen de volksvergadering of arengo tegenover zich. Vanaf 1032, tijdens de regering van Domenico Flabanico, werd er echter gewerkt aan een ingewikkeld systeem van checks and balances. Dit alles om machtsophoping bij één orgaan te voorkomen (en volgens critici om effectieve besluitvorming te torpederen). Het gevolg was dat de macht van de doge geleidelijk afnam en die van andere organen groeide. De doge bleef echter een gezaghebbend figuur, al was het maar omdat hij doorgaans kon bogen op een lange politieke carrière. Bovendien werd hij voor het leven gekozen, in tegenstelling tot de leden van de andere Venetiaanse staatsorganen.
De belangrijkste van deze organen was zonder twijfel de Maggior Consiglio. De achtergrond van de instelling van deze Grote Raad was de volgende. In 1171 was er een conflict ontstaan tussen Venetië en keizer Manuel I Komnenos (1143-1180) van het Oost-Romeinse of Byzantijnse Rijk. In de Byzantijnse hoofdstad Constantinopel waren duizenden Venetiaanse kooplieden actief, die zeer succesvol waren. Keizer Manuel liet hen echter arresteren en hun eigendommen in beslag nemen. De Serenissima zwoer wraak en lanceerde een strafexpeditie onder leiding van de doge Vitale II Michiel, maar deze mislukte faliekant toen op de Venetiaanse schepen de pest uitbrak. Bij thuiskomst in Venetië werd Vitale Michiel ook nog eens vermoord. Onder zijn opvolger Sebastiano Ziani werden vervolgens constitutionele hervormingen doorgevoerd. De arengo werd niet formeel afgeschaft, maar wel feitelijk vervangen door de Maggior Consiglio. Venetië was inmiddels verdeeld in zes wijken of sestieri, te weten Castello, Cannareggio, Dorsoduro, Santa Croce, San Polo en San Marco. Vertegenwoordigers van de sestieri kozen de leden van de Maggior Consiglio, die op hun beurt de vertegenwoordigers van de sestieri kozen. Zo ontstond een gesloten oligarchie. De toch al beperkte toegang tot de Grote Raad werd in de jaren 1293-1297 nog verder beperkt door de vereisten voor het lidmaatschap aan te scherpen. Men spreekt ook wel van de serrata (sluiting) van de Maggior Consiglio.
De Maggior Consiglio telde aanvankelijk 480 leden, doorgaans afkomstig uit vooraanstaande Venetiaanse families. Dit aantal groeide in de loop der eeuwen tot ruim 1.200 eind dertiende eeuw, zeker 1.500 in de vijftiende eeuw en meer dan 2.000 in de laatste eeuwen van de Republiek.[5] De Grote Raad had de verkiezing van de doge overgenomen van de arengo, die weliswaar bleef bestaan, maar sinds 1413 niet meer door de doges bijeengeroepen mocht worden en derhalve alleen nog maar een theoretisch orgaan was. In 1268 was een extreem ingewikkelde procedure voor de verkiezing van een nieuwe doge vastgesteld, waarbij in vele ronden leden van de Maggior Consiglio andere leden kozen totdat er een nieuwe doge was. De Maggior Consiglio was eigenlijk te groot om veel andere taken dan verkiezingen te verrichten. Daarom was al in 1229 een Senaat of Consiglio dei Pregadi ingesteld, die uit 120 mannen bestond. Deze was alleen al vanwege zijn omvang veel geschikter voor de wetgevende taak. De doge werd verder bijgestaan door een Collegio, een soort raad van ministers bestaande uit Savii of ‘wijzen’, gekozen door de Maggior Consiglio. De doge werd ten slotte in de gaten gehouden door zes toezichthouders, de leden van de Signoria, ook wel Minor Consiglio genoemd.
Eén orgaan ontbreekt nog in deze opsomming, de machtige Consiglio dei Dieci of Raad van Tien. In 1310 had een zekere Bajamonte Tiepolo samen met Marco Querini geprobeerd een staatsgreep in Venetië te plegen. De staatsgreep was mislukt, en in reactie erop werd op 10 juli 1310 de Raad van Tien ingesteld. In 1334 werd de Raad permanent gemaakt. Enerzijds fungeerde hij als geheime dienst die moest waken over de veiligheid van de staat, maar anderzijds als een soort dagelijks bestuur, ter ontlasting van de Grote Raad. In de praktijk bestond de Raad van Tien overigens uit zeventien leden, want ook de doge en de zes leden van de Minor Consiglio maakten er deel van uit.
De leden van de Raad waren niet te beroerd om ook tegen doges op te treden. In 1355 mislukte een staatsgreep van de stokoude doge Marin Falier, die de tachtig al gepasseerd was. De Raad liet de doge en zijn aanhangers arresteren. Op 17 april 1355 werd Marin Falier onthoofd op de binnenplaats van het dogepaleis. Tien jaar later nam Guariento di Arpo niettemin het portret van deze doge op in de serie dogeportretten die hij schilderde op de wanden van de zaal van de Maggior Consiglio. In 1366 werd echter een decreet aangenomen dat het portret moest worden overgeschilderd met een zwarte doek met de Latijnse tekst HIC EST LOCVS MARINI FALETRO, DECAPITATI PRO CRIMINIBVS (“dit is de plek van Marin Falier, onthoofd vanwege zijn misdaden”). Na de brand van 1577 werden nieuwe dogeportretten op de muren geschilderd, waarbij Marin Falier wederom een zwarte doek kreeg. Een saillant detail dat ik de lezers niet wil onthouden is dat een van de medeplichtigen van de doge een zekere Filippo Calendario was. Hij was de toenmalige architect van het dogepaleis, een van de opvolgers van Pietro Baseggio. Uiteraard deelde hij in het lot van Marin Falier.
Zalen en kunst in het Palazzo Ducale
Bezoekers van het dogepaleis wandelen door de vertrekken van de doge en de zalen die gebruikt werden door het Collegio, de Senaat, de Raad van Tien en de Maggior Consiglio. In de laatstgenoemde zaal vinden we aan de wanden 76 dogeportretten, het zwarte doek van Marin Falier meegerekend. In de aangrenzende Sala dello Scrutinio zijn de overige 42 dogen geschilderd. Beide zalen vallen verder op door de grote schilderijen aan de muren met daarop belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van Venetië. Dat zijn vooral zeeslagen en belegeringen. We zien bijvoorbeeld de fictieve zeeslag bij Punta Salvore (in 1177; zie deze bijdrage), het beleg van Zara (in 1202, tijdens de Vierde Kruistocht) en de slag bij Lepanto (in 1571, tegen de Turken). De betrokken schilders waren onder meer Tintoretto, zijn zoon Domenico en Andrea Vicentino (ca. 1542-1618). Een bijzonder object in de Sala dello Scrutinio is verder de triomfboog opgericht ter ere van Francesco Morosini. Hij was doge van Venetië tussen 1688 en 1694, maar daarvoor had hij als commandant van een Venetiaanse vloot grote successen tegen de Turken in de Morea in Griekenland geboekt. Een behoorlijke smet daarbij was overigens dat tijdens het beleg van Athene, op 26 september 1687, per ongeluk het Parthenon werd opgeblazen. De Turken hadden in het gebouw buskruit opgeslagen, en dat kwam tot ontploffing toen het Parthenon werd geraakt door een Venetiaanse mortiergranaat.
De portretten van de dogen in de Sala del Maggior Consiglio en Sala dello Scrutinio zijn vanuit artistiek perspectief tamelijk middelmatig. Veel interessanter zijn de portretten van de verschillende dogen die we op andere werken tegenkomen. In het Atrio Quadrato, tussen de zalen van de Senaat en Raad van Tien in, vinden we bijvoorbeeld een mooi werk van Tintoretto, waarop Girolamo Priuli te zien is, doge tussen 1559 en 1567. De doge krijgt van Vrouwe Justitia een zwaard en weegschaal aangereikt. Een vrouw die Venetië personifieert en de evangelist Marcus zijn hiervan getuige. Voor de naastgelegen Sala delle Quattro Porte schilderde de grote Venetiaanse meester Titiaan (ca. 1488-1576) de doge Antonio Grimani, die tussen 1521 en 1523 de corno ducale droeg. De doge knielt voor de personificatie van Geloof, terwijl wederom de heilige Marcus toekijkt. Het schilderij werd pas in 1555 bij Titiaan besteld, ruim dertig jaar na de dood van Grimani. Het schilderij bevond zich bij Titiaans dood in 1576 nog in diens atelier, zodat het de grote brand van 1577 overleefde. Een bijzonderheid is verder dat eraan werd meegewerkt door Titiaans neef Marco Vecellio (1545-1611).
Het dogepaleis kende ook cellen waarin gevangenen werden opgesloten. Dat waren er kennelijk zoveel dat tussen 1556 en 1595 de Nieuwe Cellen (Prigioni Nuove) aan de andere kant van de Rio del Palazzo werden gebouwd. Deze werden met het Palazzo Ducale verbonden door middel van de Ponte dei Sospiri, de beroemde Brug der Zuchten. Deze werd ontworpen door de architect Antonio Contin (1566-1600) en is een van de weinige barokke elementen van het dogepaleis. Volgens de overlevering is de naam van de brug afgeleid van het gezucht van de gevangenen die naar de cellen of richting hun terechtstelling werden geleid en door de kijkgaten van de brug nog een laatste blik op het prachtige Venetië konden werpen. Ik kon me er niet heel veel bij voorstellen. Zelf zag ik vooral de hordes toeristen op de Ponte della Paglia.
Een onmisbare bron voor deze bijdrage was John Julius Norwich, ‘A History of Venice’. Aanvullende informatie kwam uit drie reisgidsen, van respectievelijk Trotter, Dorling Kindersley en de ANWB.
Noten
[1] A History of Venice (2012), p. 281.
[2] Het balkon aan deze zijde dateert overigens van 1536. De doge met de leeuw erboven is Andrea Gritti, doge tussen 1523 en 1538.
[3] Onder wie waarschijnlijk Giorgio di Matteo, ook bekend als Giorgio Orsini da Sebenico (ca. 1410-1475). Hij was ook actief in Ancona.
[4] Alessandro Vittoria (1525-1608) was verantwoordelijk voor het vergulde stucwerk van de trap, waaraan deze zijn naam ontleent.
[5] Het was de Maggior Consiglio die in 1797 de Venetiaanse Republiek afschafte.









