Tijdens ons eerste bezoek aan Venetië, in 2017, troffen we naast het centraal station van de stad een groot gebouw verpakt in doeken aan. Het gebouw was open, maar we schonken er geen aandacht aan, want erg aantrekkelijk zag het er niet uit. Snel staken we de brug over het Canal Grande over en volgden we kronkelende straatjes richting de Piazza San Marco. Pas veel later kwamen we erachter dat zich achter de doeken een interessante kerk bevond, die van Santa Maria di Nazareth, beter bekend als de Scalzi. De kerk heeft naar verluidt (en naar bevestigd wordt door een van mijn reisgidsen) de enige gevel van Carrara-marmer in heel Venetië. Deze marmersoort gedijt kennelijk niet zo goed in de zilte zeelucht van de stad, en dat zal de reden zijn geweest dat de buitenzijde van de kerk in 2017 aan een restauratiebeurt werd onderworpen. Naast de bijzondere gevel is de Scalzi nog om een andere reden bekend. Hier vond de laatste doge van de Venetiaanse Republiek, Ludovico Manin (1789-1797), zijn laatste rustplaats.
Geschiedenis en kunst
Santa Maria di Nazareth werd gebouwd als kerk voor de Ongeschoeide Karmelieten, vandaar de bijnaam Scalzi. De orde van de Karmelieten was begin dertiende eeuw ontstaan in het Heilige Land en vernoemd naar de Karmelberg in de buurt van Haifa. Als gevolg van de ineenstorting van de Kruisvaardersstaten werden de Karmelieten gedwongen naar Europa te vertrekken. In het laatste kwart van de zestiende eeuw scheidden de strengere Ongeschoeide Karmelieten zich van de hoofdorde af. Vanuit Spanje verspreidde de nieuwe orde zich vervolgens over Europa. Zo kwamen enkele decennia later hun eerste vertegenwoordigers in Venetië aan. Ze hadden behoefte aan een kerk en huurden voor de bouw daarvan de architect Baldassare Longhena (1598-1682) in. Vanaf 1673 werd de bouw geleid door een leken-Karmeliet, een zekere Giuseppe Pozzo (1645-1721). Hij was de broer van de bekendere Andrea Pozzo (1642-1709), die naast architect en schilder ook lekenbroeder bij de Jezuïeten was. In 1689 was de Santa Maria di Nazareth klaar en in 1705 werd de kerk gewijd. De reeds genoemde gevel van het gebouw is een werk van de Venetiaanse architect Giuseppe Sardi (1624-1699). Links van de kerk verrees een kloostercomplex, dat na de eenwording van Italië werd afgebroken om plaats te maken voor het station van Venezia Santa Lucia.
De kerk is een schoolvoorbeeld van barokke architectuur in Venetië. Dat geldt voor haar exterieur met de gevel van Sardi en misschien nog wel meer voor haar extravagante interieur. Helaas bleek tijdens de Eerste Wereldoorlog de nabijheid van het treinstation eerder een vloek dan een zegen te zijn. Op 24 oktober 1915 bombardeerden de Oostenrijkers met hun primitieve luchtmacht het station, maar raakten ze de kerk. De enorme plafondschildering van Giambattista Tiepolo (1696-1770), voorstellende de verplaatsing van het Huis van Loreto, werd hierbij ernstig beschadigd. Wat resteerde van het fresco werd later naar de Accademia verplaatst. De huidige plafondschildering is een werk van Ettore Tito (1859-1941). Vanuit artistiek oogpunt is de Cappella Ruzzini aan de rechterzijde waarschijnlijk het interessantst. Hier vinden we een plafondfresco van Tiepolo met de apotheose van Theresia van Ávila en een reliëf van Theresia van de Duitse beeldhouwer Heinrich Meyring (ca. 1638-1723; zie Valsanzibio: Villa Barbarigo). De mystica Theresia van Ávila (1515-1582) was een van de stichters van de Ongeschoeide Karmelieten. Uiteraard geniet ze ook bekendheid vanwege een gewaagd beeld van haar van de hand van Bernini in Rome. Vergeleken met Bernini’s creatie is Meyrings werk tamelijk braaf.
Ludovico Manin
In de Cappella Manin aan de linkerzijde vinden we dan de laatste rustplaats van Ludovico Manin. Hij was in 1726 geboren als telg van een familie die afkomstig was uit de Friuli. Dat maakte hem zeker geen buitenlander, want de Friuli behoorde al sinds de vroege vijftiende eeuw tot de Venetiaanse gebieden op het Italiaanse vasteland, haar terra firma. In de stad Udine vinden we dan ook een stadhuis dat veel weg heeft van het Palazzo Ducale of dogepaleis in Venetië zelf. Sinds 1651 maakte de familie Manin deel uit van het Venetiaanse patriciaat. Dat was overigens geen kwestie van verdienste: Ludovico’s voorvaderen hadden daarvoor de som van 100.000 dukaten op tafel gelegd.[1] In 1789 werd Ludovico Manin als eerste van zijn familie tot doge van Venetië gekozen. Een buitenlander was hij misschien niet, maar wel een relatieve buitenstaander.
Het waren moeilijke tijden voor de Republiek Venetië. In Frankrijk had de revolutie een einde gemaakt aan de monarchie, en het revolutionaire Frankrijk lag op ramkoers met Oostenrijk. Het was duidelijk dat de nieuwe oorlog in Noord-Italië zou worden uitgevochten. Toen de oorlog eind 1795 begon, probeerde Venetië wanhopig neutraal te blijven, want de Republiek had geen leger van betekenis meer. Toch was betrokkenheid bij het conflict onvermijdelijk, want noch de Fransen, noch de Oostenrijkers konden redelijkerwijs om de terra firma heen manoeuvreren. Het Franse leger in Italië werd geleid door de nog jonge Napoleon Bonaparte, die zege na zege op de Oostenrijkse troepen boekte en daarbij ook Venetiaans grondgebied binnenviel. Napoleon had persoonlijk een hekel aan de Republiek Venetië, al was zijn haat voor een deel op onwetendheid gebaseerd.
De Franse overwinningen leidden in 1797 tot de verdragen van Leoben (april) en Campo Formio (oktober), waarbij Oostenrijk Lombardije moest afstaan en in ruil daarvoor de Venetiaanse terra firma verkreeg. Wat Venetië daar zelf van vond, deed er niet toe. Sterker nog, tussen de twee verdragen in was de Venetiaanse Republiek al opgeheven. Met de Franse kanonnen op de stad gericht was de Maggior Consiglio of Grote Raad op 12 mei 1797 bijeengekomen in het dogepaleis. Met 512 stemmen vóór, 20 tegen en 5 onthoudingen had de Raad voor ontbinding van de Republiek gestemd. Dat met slechts 537 aanwezigen niet eens een quorum was gehaald, deed er kennelijk niet toe. Het besluit betekende ook het einde van Ludovico Manin als doge. De grote Britse populair historicus John Julius Norwich beschreef zijn aftreden als volgt:
“Ludovico Manin himself made no attempt to flee. Almost alone among his fellow-nobles, he had maintained a quiet calm amid the hubbub – a calm born, perhaps, of fatalism or even of despair, but a calm none the less that enabled him to keep his dignity, even while the last frail structure of the Republic crumbled about him. In the sudden stillness that followed the break-up of the meeting he slowly gathered up his papers and withdrew to his private apartments. There, having laid aside his ducal corno, he carefully untied the ribbons of the close-fitting cap of white linen worn beneath it, the cuffietta, and handed it to his valet, Bernardo Trevisan, with those sad words which, more than any others, seem to symbolize the fall of Venice: ‘Tolè, questa non la dopero più’ (‘Take it, I shall not be needing it again’).”[2]
Manin moest de regalia van de doge inleveren bij de nieuwe democratische autoriteiten van Venetië, die ze ritueel verbrandden. Afbeeldingen van eerdere doges, zoals die van Francesco Foscari en Andrea Gritti op het dogepaleis, werden vernield. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat toen Ludovico Manin in 1802 overleed, hij geen schitterend praalgraf kreeg. Zijn graf in de kerk van de Scalzi is niet meer dan een simpele grafsteen met zijn familienaam erop. Als er geen bordje bij had gestaan, hadden we het zeer waarschijnlijk gemist.
Bronnen: reisgidsen van Trotter en Dorling Kindersley, The Churches of Venice: Cannaregio en John Julius Norwich, ‘A History of Venice’.
Noten
[1] John Julius Norwich, ‘A History of Venice’ (2012), p. 605.
[2] ‘A History of Venice’ (2012), p. 631.


