Hoewel de Duomo van Monza vaak een kathedraal wordt genoemd, is dat strikt genomen niet juist. Monza valt onder het aartsbisdom Milaan en heeft dus geen eigen bisschop. De basiliek van San Giovanni Battista, zoals de Duomo officieel heet, heeft echter beslist de allure van een kathedraal. De gevel van het gebouw, met het grote roosvenster en de kenmerkende afwisselende banden van wit en zwart marmer, is schitterend. De bakstenen klokkentoren is niet echt mooi, maar door zijn hoogte wel indrukwekkend. Waar de gotische gevel nog herinnert aan de middeleeuwen, dateert het interieur van de Duomo vooral van de zeventiende en achttiende eeuw. De belangrijkste uitzondering hierop vormt de kapel links van de apsis met het hoogaltaar. Deze Cappella di Teodolinda dateert van de veertiende eeuw en heeft nog steeds de prachtige fresco’s die leden van de familie Zavattari in het midden van de vijftiende eeuw schilderden. De kapel staat geheel in het teken van koningin Teodelinda (ca. 570-628), die ook de stichtster van de basiliek was.
Geschiedenis
Koningin Teodelinda was ik al eens tijdens een bezoek aan Piemonte tegengekomen, dus ik was enigszins bekend met haar levensverhaal. Zij was een Beierse prinses die in de zesde en zevende eeuw was getrouwd met twee opeenvolgende Longobardische koningen, eerst met Authari (584-590) en vervolgens met Agilulf (590-616). De Longobarden waren doorgaans – als ze christelijk waren – Ariaanse christenen. Volgens hen was Jezus Christus ondergeschikt aan God de Vader. Teodelinda hing echter het katholieke geloof aan en werd door katholieken gezien als iemand die de Longobarden richting het katholicisme, en daarmee richting het ware geloof had gedirigeerd. Aan het einde van de zesde eeuw, tijdens haar huwelijk met Agilulf, gaf ze de opdracht voor de bouw van een paleiskerk gewijd aan Johannes de Doper. De bouw begon rond het jaar 595. Dit was de eerste versie van de basiliek van San Giovanni Battista. Na haar dood rond 628 werd Teodelinda in haar eigen creatie begraven.
Nadat zij in 1277 in Milaan de baas was geworden, probeerde de familie Visconti ook haar stempel op Monza te drukken. Het Heilige Jaar 1300, het eerste Jubeljaar in de geschiedenis, bood hiervoor een goede gelegenheid. Matteo Visconti nam het initiatief voor de herbouw van de kerk, die op 31 mei 1300 van start ging. Tijdens de herbouw werd in 1308 het lichaam van Teodelinda teruggevonden en in een stenen sarcofaag geplaatst, die nog steeds in de Duomo staat. De herbouw verliep in twee fasen. Tussen 1300 en 1346 werd een nieuwe kerk gebouwd in de vorm van een Latijns kruis, die tussen 1360 en 1396 werd vergroot met de toevoeging van diverse kapellen, waaronder die aan weerszijden van de apsis. Tijdens deze tweede fase werd de bouw geleid door Matteo da Campione (1335-1396). Hij behoorde tot de maestri campionesi, een groep beeldhouwers en architecten afkomstig uit Campione d’Italia bij de grens met Zwitserland. De schitterende gevel van de Duomo is ook grotendeels een ontwerp van Matteo da Campione, al ontwierp Stefano de’ Fedeli eind vijftiende eeuw het roosvenster.
Het interieur van de Duomo werd in de vijftiende eeuw verfraaid met fresco’s in de stijl van de Internationale Gotiek. Veel ervan werden uitgevoerd door leden van de Milanese familie Zavattari. Stamvader Cristoforo Zavattari had een zoon, Franceschino Zavattari, die samen met zijn zonen Gregorio en Giovanni in de kerk werkte. Helaas zijn alleen hun fresco’s in de kapel van Teodelinda bewaard gebleven. Het verdwijnen van de overige fresco’s houdt verband met een reeks verbouwingen die vanaf de zestiende eeuw werden uitgevoerd en waarvoor Carlo Borromeo – aartsbisschop van Milaan tussen 1564 en 1584 – het startschot gaf. Het dwarsschip van de kerk werd tussen 1558 en 1580 opnieuw beschilderd, gevolgd door het schip, de zijbeuken en de kapellen tussen 1648 en 1740. Ook al werd hieraan meegewerkt door tamelijk bekende schilders als Ercole Procaccini de Jongere (ca. 1605-1680) en Montalto (1612-1690), het barokke resultaat kan mij niet echt bekoren.
Ondertussen had Pellegrino Tibaldi (1527-1596) de basiliek van een nieuw koor en een nieuw hoogaltaar voorzien, terwijl de weinig bekende architect Ercole Turati in 1592 begon met de bouw van de huidige klokkentoren. Tibaldi’s hoogaltaar werd eind achttiende eeuw vervangen door een nieuw hoogaltaar van Andrea Appiani (1754-1817), terwijl de preekstoel van Matteo da Campione moest wijken voor een nieuw exemplaar van Carlo Amati (1776-1852). De Duomo van Monza dankt zijn huidige interieur en exterieur voornamelijk aan Luca Beltrami (1854-1933), die tussen 1890 en 1908 belangrijke restauratiewerkzaamheden uitvoerde.
Bezienswaardigheden
Voor de Duomo treffen bezoekers een merkwaardig monumentje aan. Het bestaat uit een voetstuk met twee zuilen en een stukje architraaf, en lijkt wel een gerestaureerd overblijfsel van een Romeinse tempel te zijn. Het bronzen kruis bovenop is echter een aanwijzing dat het monument niets met de heidense Romeinen van doen heeft. In werkelijkheid herinnert het aan de pestepidemie die in 1576-1577 in Monza huishield. Precies op deze plek werden tijdens de epidemie missen in de openlucht gehouden. Het monument werd in 1578 opgericht ter nagedachtenis hieraan.
Dat de gevel van Matteo da Campione er nog zo gaaf en fris uitziet, is voornamelijk de verdienste van Luca Beltrami, die allerhande beschadigingen professioneel herstelde. De portiek (protiro) is voorzien van bustes van Teodelinda (links) en Agilulf (rechts). Erop staat een beeld van Johannes de Doper, overigens een kopie. Erg mooi is het veertiende-eeuwse, nog deels beschilderde timpaan boven de ingang. We zien de Doop van Christus door Johannes, met uiterst links de apostel Petrus en uiterst rechts diens collega Paulus. Daarboven is een voorstelling gebeeldhouwd waarin Teodelinda een hoofdrol speelt. Ze schenkt diverse voorwerpen aan Johannes, waaronder (helemaal rechts) de beroemde Hen met zeven kuikens. Dit voorwerp bestaat echt: het heeft de eeuwen goed doorstaan en is thans te bewonderen in het museum van de kerk (Museo e Tesoro del Duomo di Monza). Een ander herkenbaar voorwerp aan de rechterzijde is het Kruis van Berengarius, dat zich tegenwoordig eveneens in het museum bevindt.
Wie, zoals uw schrijver, niet zo dol is op barokke interieurs, vindt in de basiliek nog wat laatmiddeleeuwse overblijfselen. Een voorbeeld is het gouden antependium (paliotto) van het hoogaltaar, in het midden van de veertiende eeuw gemaakt door Borgino dal Pozzo, een goudsmid uit Milaan. Op het antependium worden verhalen uit het leven van Johannes de Doper verteld, waarbij de Doop van Christus weer centraal staat. Van de preekstoel van Matteo da Campione is nog een fragment bewaard gebleven, namelijk een reliëf met daarop de kroning van Teodelinda (foto hieronder).
De Cappella di Teodolinda is zonder enige twijfel het hoogtepunt van de Duomo. Deze kapel kunt u echter niet zomaar bezoeken: aansluiten bij een rondleiding (beschikbaar in meerdere talen) is verplicht. Helaas is fotograferen in de kapel verboden, dus ter illustratie van deze bijdrage kan ik maar mondjesmaat gebruikmaken van mijn eigen fotocollectie. De familie Zavattari verfraaide de muren van de kapel tussen 1444 en 1446 met 45 voorstellingen over het leven van Teodelinda. De voorstellingen beslaan meer dan 500 vierkante meter en er zijn meer dan 800 individuen afgebeeld. Dankzij meerdere restauraties kunnen we nog steeds van de fresco’s genieten, waarbij vooral de recente restauraties van Anna Lucchini en haar team tussen 2008 en 2014 genoemd moeten worden. De Zavattari waren verantwoordelijk voor alle fresco’s, behalve die met de evangelisten op het gewelf. Dat lieten ze expliciet weten in een tekst die ze in de tweeëndertigste voorstelling opnamen.
In de kapel wordt ook de Corona Ferrea of IJzeren Kroon bewaard. Volgens de overlevering had Constantijns moeder Helena de kroon laten maken en daarin een nagel van het Ware Kruis verwerkt. Dat Kruis had ze volgens diezelfde overlevering immers teruggevonden tijdens haar pelgrimage naar het Heilige Land in 326-327. Vanwege die nagel kreeg de kroon de naam IJzeren Kroon, maar in werkelijkheid is het voorwerp van goud, terwijl de band waarin de nagel zou zijn verwerkt van zilver bleek te zijn. Eigenlijk is er niet eens sprake van een kroon, want daarvoor is het voorwerp veel te klein. De Corona Ferrea werd niettemin gebruikt bij de kroning van de koningen van Italië, al gebeurde dat niet in Monza, maar in de oude Longobardische hoofdstad Pavia (en overigens ook niet altijd in Pavia).
Hoe en wanneer de IJzeren Kroon precies in Monza terechtgekomen is, is voer voor discussie. De traditie dat Paus Gregorius de Grote (590-604) de kroon aan Teodelinda schonk, is niet erg betrouwbaar, al was het maar omdat delen van het voorwerp zeer waarschijnlijk niet ouder zijn dan de achtste eeuw. Dat betekent dus dat de Corona Ferrea van na Teodelinda’s tijd dateert en misschien pas na de val van het Longobardische Koninkrijk (568-774) werd gesmeed. Een extra aanwijzing daarvoor is dat geen Longobardische koning er ooit mee gekroond is. Tegenwoordig wordt de IJzeren Kroon bewaard in het altaar dat Luca Beltrami in 1889 maakte. De gids zal het deurtje in het altaar openmaken en de kroon aan de bezoekers tonen.
Bronnen: informatieborden in het museum van de Duomo, folder Theodolinda’s Chapel (Fondazione Gaiani) en folder Monza ‘Experience the Beauty’.








Pingback:Monza: Museo e Tesoro del Duomo – – Corvinus –