Het praalgraf van Willem Maurits van Nassau-Ouwerkerk

Praalgraf van Willem Maurits van Nassau-Ouwerkerk.

Willem Maurits van Nassau-Ouwerkerk (1679-1753) was een afstammeling van prins Maurits van Oranje-Nassau. De prins trouwde nooit, maar had wel kinderen uit meerdere buitenechtelijke relaties. Bij Margaretha van Mechelen verwekte hij Willem van Nassau-Lalecq (1601-1627) en diens broer Lodewijk (1602-1665). Willem was een tamelijk incompetente generaal en admiraal. Op 18 augustus 1627 sneuvelde hij bij het beleg van Groenlo (Grol). Zijn jongere broer werd daarmee de nieuwe Heer van de Lek, wat verfranst werd tot LaLecq omdat het chiquer klonk. Willem Maurits was de kleinzoon van deze Lodewijk van Nassau-Lalecq. Hij diende als veldmaarschalk in het leger van de Republiek en als gouverneur van Staats-Vlaanderen. Bij zijn dood liet hij een vermogen na van 1.231.000 gulden. Historicus Kees Zandvliet gaf hem de 53e plek onder de 250 rijksten van de achttiende eeuw.[1]

Grafkelders en praalgraf

Willem Maurits werd begraven in de Dorpskerk van Ouderkerk aan den IJssel. Deze kerk heeft twee aan de familie verbonden grafkelders. De eerste, kleinere grafkelder bevindt zich direct achter de kansel. De geschiedenis ervan gaat terug tot de genoemde Lodewijk van Nassau-Lalecq, dus tot de zeventiende eeuw. Deze grafkelder moet op enig moment overvol zijn geraakt. Willem Maurits gaf daarom in 1753 opdracht voor de bouw van een tweede grafkelder achter de eerste. Deze werd voorzien van een bovengronds praalgraf, een coproductie van de beeldhouwers Anthony Wapperom (1729-1781), zijn broer Johannes Wapperom en hun collega Johannes Franciscus Maes (1707-1759). In 1757 waren de grafkelder en het praalgraf klaar. Helaas te laat voor Willem Maurits, want hij was al vier jaar eerder overleden. Hij maakte zelfs niet meer mee hoe de eerste steen van het praalgraf werd gelegd, maar over het resultaat zal hij beslist zeer tevreden zijn geweest.

Koor van de Dorpskerk met het praalgraf.

De grafkelders zijn – uiteraard – niet voor het publiek toegankelijk. De tweede grafkelder had oorspronkelijk een externe toegang, maar die is al lang geleden dichtgemetseld. In deze grafkelder staat de loden sarcofaag van Willem Maurits, met daarop een eveneens loden gisant (liggende gestalte) van de dode in volle wapenrusting. Bij onderzoeken aan het begin van deze eeuw zijn diverse grafplaatjes met namen van overledenen gevonden en enkele bijzondere voorwerpen, zoals een tinnen hart (met daarin waarschijnlijk een echt hart). Bezoekers van de kerk zien hiervan niets, maar ze kunnen wel het bovengrondse praalgraf bewonderen. Dat heeft vele marmeren versieringen die vol symboliek zitten. Willem Maurits van Nassau-Ouwerkerk was als gezegd veldmaarschalk, dus militaire elementen ontbreken niet. We zien vaandels, harnassen, kanonnen, handwapens en militaire muziekinstrumenten. Het familiewapen – zonder de bastaardbalk! – wordt ondersteund door een leeuw, een adelaar en putti. Verwijzingen naar leven en dood zijn er ook: een doodhoofd, zeisen, een slang die zijn eigen staart opeet als symbool van oneindigheid en de pijnappel als symbool voor onsterfelijkheid. Aan de voet van het praalgraf zien we nog een draak met opvallende pijlstaart.

Huguetan

In de grafkelder liggen meer dan dertig mensen begraven. Een van hen is Adriana Margaretha Huguetan (1701-1752). Zij stamde uit een geslacht van Franse hugenoten, protestanten die door Koning Lodewijk de Veertiende werden vervolgd. Velen van hen weken uit naar landen waar de regeringen de protestanten beter gezind waren. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was zo’n plek. Adriana’s vader Pierre Huguetan (1674-1740) was een gefortuneerde uitgever, koopman en bankier. Na de vlucht uit Frankrijk zette hij zijn uitgeverij voort in Amsterdam, aanvankelijk samen met zijn broers en later alleen. Binnen de Republiek behoorde hij al snel tot de hoogste klasse. Het leverde hem een huwelijk op met Maria de Vicq, en samen kregen ze in 1701 een dochter, die ze Adriana Margaretha noemden. Helaas kwam Maria nog hetzelfde jaar te overlijden. Vader Pierre hertrouwde en kreeg met zijn nieuwe vrouw nog twee kinderen, zodat Adriana uiteindelijk een halfzus en een halfbroer had.

Adriana Margaretha Huguetan was bepaald niet onbemiddeld. Haar vermogen in 1733 bedroeg 431.000 gulden.[2] Toen haar vader in 1740 overleed, erfde ze ook nog eens grosso modo een derde van zijn vermogen van 800.000 gulden. Adriana had dus meer dan genoeg geld om de bekende architect Daniël Marot (o.a. architect van de Trêveszaal) in te huren om een stadspaleis voor haar te bouwen. Dit werd het Huis Huguetan aan het Lange Voorhout in Den Haag, thans onderdeel van de tijdelijke huisvesting van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Hierbij moet wel worden aangetekend dat het oorspronkelijke Huis Huguetan een stuk kleiner was. Na Adriana’s dood in 1752 werd haar woonhuis namelijk gekocht door haar buurman, de baron van Tuyll van Serooskerken. Die liet drie panden aan het Lange Voorhout samenvoegen en van een nieuwe gevel voorzien door de architect Pieter de Swart (ca. 1709-1772). Zo ontstond het Huis Huguetan zoals we het vandaag de dag nog kennen. Aan de linkerzijde bleef een klein stukje van het huis onbedekt door de gevel. Het wordt ten onrechte wel eens het smalste huis van Den Haag genoemd, maar is dus helemaal geen zelfstandig pand.

Schedel met zeis.

Opmerkelijk is dat Adriana pas in 1739 in het huwelijk trad. Ze was toen al 38, voor de achttiende eeuw uitzonderlijk oud. Haar huwelijkspartner was de nog oudere Hendrik Carel van Nassau-Lalecq (1696-1781), een neefje van Willem Maurits van Nassau-Ouwerkerk. Hendrik Carel van Nassau-Lalecq had wel titels, maar geen geld; hij had vooral schulden. Gelukkig kwam Adriana Margaretha Huguetan op zijn pad: zij had geen titels, maar wel geld. Er was dus een goede match tussen de twee ‘oudjes’, en hun verstandshuwelijk werd op 15 september 1739 gesloten. Het echtpaar ging uiteraard wonen in Huis Huguetan. Ze beschikten er over tien dienstboden, maar kregen geen kinderen. Bij hun huwelijk was bepaald dat hun vermogens strikt gescheiden zouden blijven. Vandaar dat na Adriana’s overlijden in 1752 de eigendom van haar huis niet naar Hendrik Carel ging, maar hij slechts het vruchtgebruik ervan kreeg. Het belette hem niet het huis alsnog, feitelijk onrechtmatig, aan de buurman te verkopen voor 92.500 gulden. Een brave Hendrik was Hendrik Carel dus bepaald niet.

Militaire decoraties.

In de dorpskerk van Ouderkerk is er, behalve een papieren lijst met alle bijzettingen, niets wat aan Adriana Margaretha Huguetan herinnert. Bij haar begrafenis zal er ook niet veel ceremonieel zijn geweest. Toen Lodewijk van Nassau-Lalecq in 1665 stierf, werden drie uur per dag de klokken geluid, en dat zes weken lang (wat, los van alle geluidsoverlast, een fortuin gekost moet hebben). Maar Adriana Margaretha Huguetan was een relatief buitenbeentje. Ze was ‘slechts’ in de familie Van Nassau-Lalecq ingetrouwd en had die familie ook niet met kinderen kunnen verblijden. Dat gold opmerkelijk genoeg wél voor haar weduwnaar Hendrik Carel. Hij rouwde niet al te lang om het verlies van Adriana en hertrouwde met Johanna Gevaerts, die hem nog twee kinderen schonk voordat de echtelieden gescheiden gingen wonen. Uiteindelijk overleefde Hendrik Carel ook zijn tweede vrouw en zijn zoontje Paulus, waarna hij in 1781 op de gezegende leeftijd van 84 jaar kwam te overlijden.

Dit is deel 21 in de serie ‘Grafmonumenten’.

Noten

[1] Kees Zandvliet, De 500 Rijksten van de Republiek, p. 309.

[2] Idem.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.