De Annalist: Het Jaar 264 BCE

Samenvatting

  • Rome en Carthago interveniëren beide op Sicilië ten behoeve van de Mamertijnen van Messana;
  • Het Carthaagse garnizoen wordt uit Messana verdreven;
  • Carthago en Syracuse sluiten een bondgenootschap, maar beide worden verslagen door de consul Appius Claudius Caudex;
  • De consul Marcus Fulvius Flaccus neemt de Etruskische stad Volsinii in en maakt deze met de grond gelijk;
  • Eerste gladiatorenspelen in Rome.

Terwijl hun stad werd bedreigd door Hiero en het leger van Syracuse, stuurden de Mamertijnen van Messana gezanten naar zowel de Carthagers als de Romeinen met een verzoek om militaire bijstand. Het lijkt erop dat de Carthagers als eerste reageerden. Hoewel de Mamertijnen weinig meer dan bandieten waren, waren ze in elk geval vijanden van Syracuse, en Syracuse was weer een traditionele vijand van Carthago op Sicilië. In dit licht beschouwd lijkt de Carthaagse beslissing om een garnizoen onder aanvoering van ene Hanno naar de citadel van Messana te sturen tamelijk logisch.

Het Romeinse antwoord

De Romeinen verkeerden nu in een lastig parket. Als ze de Mamertijnen te hulp zouden schieten, dan zou dit de eerste Romeinse interventie buiten Italië zijn. Het was tevens duidelijk dat dit een zeer opportunistische stap zou zijn. Zoals Adrian Goldsworthy scherp heeft opgemerkt, gold dat “the similarity between the actions of the Mamertines at Messana and Decius’ troops at Rhegium must have been obvious and the hypocrisy of punishing the latter and making an alliance with the former blatant”. De relatie tussen Rome en Carthago was altijd vrij goed geweest. Een conflict met deze machtige stad hield voor de Romeinen grote risico’s in, zowel op militair als op economisch gebied.

De zaak werd besproken in de Senaat, maar de senatoren slaagden er niet in een besluit te nemen. De magistraten, waarschijnlijk de consul Appius Claudius Caudex, brachten de kwestie vervolgens ter sprake in de volksvergadering. Dit was vermoedelijk de comitia centuriata, de vergadering die de hoogste magistraten koos en besliste over kwesties van oorlog en vrede. Zij werd gedomineerd door de rijkere Romeinen, en deze stemden uiteindelijk vóór het helpen van de Mamertijnen. Hun motieven waren mogelijk een combinatie van bezorgdheid over verdere Carthaagse expansie – Messana bevond zich erg dicht bij Italië en vooral bij de delen van Magna Graecia die nog maar pas onder Romeins gezag waren gebracht -, de zucht naar een buitenlands avontuur en de wens in de komende oorlog buit en slaven te verwerven.

Uitrusting van een krijgstribuun uit de tijd van de Republiek.

De Straat over

Maar de Romeinen moesten eerst nog een weg vinden om überhaupt op Sicilië te komen. Ze hadden geen vloot van enige betekenis en waren daarom afhankelijk van de transportschepen die hun bondgenoten hun konden leveren. Dit waren de Griekse steden Tarentum, Locris, Elea en Neapolis. De Romeinen hadden al een groepje soldaten vooruitgestuurd onder leiding van ene Gaius Claudius, een krijgstribuun. Deze had grote moeite de Straat van Messina over te steken en aantal van zijn schepen en manschappen viel zelfs in handen van de Carthagers, die met hun superieure marine de nauwe zeestraat bewaakten.

Het lukte Claudius niet om Messana te bereiken en hij werd gedwongen om naar Rhegium terug te keren. Kennelijk was de Carthaagse bevelhebber Hanno zo edelmoedig om de schepen en gevangenen terug te geven, met het advies aan zijn Romeinse tegenstander om de zee voortaan links te laten liggen. Claudius wilde echter niet luisteren, waarop Hanno zou hebben opgemerkt dat hij de Romeinen nooit zou toestaan ook maar hun handen in de zee te wassen. Dit verhaal wordt vermeld bij Cassius Dio en Zonaras, die beiden honderden jaren later leefden. Het is daarom onmogelijk om na te gaan of het waar is of niet.

In elk geval was de tweede Romeinse poging om de Straat over te steken wel een succes. Nadat hij in Messana was aangekomen, overtuigde Claudius de Mamertijnen er waarschijnlijk van om het Carthaagse garnizoen te verdrijven. Hanno en zijn manschappen werden daarop de stad uit geschopt. Als straf voor deze mislukking sloegen de Carthagers Hanno vervolgens aan het kruis. De Romeinse acties op Sicilië leidden tot een kortstondig bondgenootschap tussen de twee natuurlijke rivalen Carthago en Syracuse. Zij sloten een monsterverbond en lieten hun legers oprukken richting Messana.

Escalatie

Romeinse hastatus (bron: Europa Barbarorum).

Romeinse ruiter (bron: Europa Barbarorum).

De Romeinse voorhoede was duidelijk veel te zwak om de gecombineerde legers van de Carthagers en de Syracusanen van Hiero het hoofd te kunnen bieden. Nu landde echter ook de consul Appius Claudius met zijn leger van zo’n 20.000 man op het eiland. De consul besloot eerst het gevecht met de Syracusanen aan te gaan. Hoewel zijn ruiterij werd verslagen won Claudius toch de veldslag dankzij zijn superieure infanterie. Na een fel gevecht werd Hiero gedwongen zijn leger terug te trekken en terug te keren naar Syracuse. De consul richtte vervolgens zijn aandacht op de Carthagers en wist hen eveneens te verslaan. Hiermee was de blokkade van Messana door haar vijanden opgeheven. De Romeinse interventie op het eiland was een doorslaand succes.

Appius Claudius gaf zijn troepen nu het bevel om raids uit te voeren in vijandelijk gebied. Het is moeilijk in te schatten hoe succesvol deze plundertochten waren, maar Diodorus Siculus beweert dat de consul bij het stadje Echetla tot staan werd gebracht en daar veel manschappen verloor. De Romeinse operaties vonden waarschijnlijk plaats op moeilijk terrein en de voorraden proviand raakten in rap tempo uitgeput. Cassius Dio beweert dat er ook een ziekte uitbrak in het leger. Uiteindelijk marcheerde de consul terug naar Messana. Hij liet er een garnizoen achter en keerde terug naar Italië. Het oorlogsseizoen eindigde in oktober, en het was de taak van de consuls van het volgende jaar om de oorlog op Sicilië voort te zetten.

De situatie in Italië

De Romeinen konden niet hun hele legermacht naar Sicilië sturen, want ze waren ook verwikkeld in een conflict met de Etruskische stad Volsinii (aan de oever van het Meer van Bolsena). De stad zelf lijkt een Romeinse bondgenoot te zijn geweest, nadat ze lang geleden in een oorlog was verslagen. Er waren echter interne strubbelingen tussen de inheemse burgers van Volsinii en voormalige slaven die het burgerschap hadden verworven en een nieuwe plebejische klasse vormden. De situatie ter plaatse noopte de Romeinen in deze machtsstrijd te interveniëren aan de kant van de autochtone bewoners van Volsinii. In 265 BCE stuurden ze een leger noordwaarts onder aanvoering van de consul Quintus Fabius Gurges.

Etruskische kandelaar uit Cortona (Curtun).

Gurges versloeg de voormalige slaven in een geregelde veldslag en dreef ze terug naar Volsinii, maar vervolgens ging alles gruwelijk mis toen hij de stad zelf probeerde aan te vallen. De consul had kennelijk geweigerd veilig in de achterste linies te blijven. Bij de bestorming van de stad werd hij dodelijk gewond en gaf enige tijd later de geest. De Romeinen moesten vervolgens de tweede consul van 264 BCE, Marcus Fulvius Flaccus, naar Volsinii sturen om de gesneuvelde bevelhebber te vervangen en het beleg voort te zetten. Flaccus hongerde de stad uit, waarop ze zich overgaf. Daarop maakte de consul Volsinii met de grond gelijk en verplaatste de inheemse bevolking en enkele van hun dienaren die trouw gebleven waren naar een nieuwe plaats waar een nieuwe stad werd gesticht.

En er was nog een belangrijke gebeurtenis in Italië dit jaar. De voormalige consul Decimus Junius Brutus organiseerde als eerste gladiatorenspelen in Rome bij gelegenheid van de dood van zijn vader. We moeten hierbij bedenken dat gladiatorengevechten oorspronkelijk niet bedoeld waren om het publiek te vermaken, maar om de mannelijke en krijgshaftige deugden van de overledene te vieren.

Bronnen

Primair

– Cassius Dio, Roman History, Fragments of Book X and of Book XI;
– Diodorus Siculus, Library of History, Fragments of Book XXIII;
– Livius, Periochae, Book 16;
– Polybius, The Histories, Book 1.10-12a; 1.15;

Secundair

– Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 65-75;
– Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 171-173.

One Comment:

  1. Pingback: De Annalist: Het Jaar 263 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.