De Annalist: Het Jaar 263 BCE

Samenvatting

  • De veldtochten van de consuls Manius Otacilius Crassus en Manius Valerius Maximus Messalla op Sicilië zijn een succes;
  • Rome en Koning Hiero van Syracuse sluiten een bondgenootschap.

Nu ze de orde in Volsinii hersteld hadden, konden de Romeinen beide nieuwgekozen consuls naar Sicilië sturen. Hun namen waren Manius Otacilius Crassus en Manius Valerius Maximus Messalla. Beiden voerden het bevel over een consulair leger van zo’n 20.000 man. Polybius stelt dat een Romeins legioen in deze tijd bestond uit 4.000 infanteristen en 300 ruiters. Elk van de twee consuls voerde twee van de vier door Polybius genoemde legioenen aan, wat betekent dat de rest van de twee Romeinse legers bestond uit soldaten die werden geleverd door de Italische bondgenoten. Anders gezegd, deze bondgenoten leverden de meerderheid, misschien wel tot zestig procent, van de soldaten die voor Rome op Sicilië vochten. We moeten hier nogmaals benadrukken hoe afhankelijk Rome was van haar bondgenoten. Tegelijkertijd geldt dat de meeste van deze bondgenoten grosso modo dezelfde uitrusting hadden en op dezelfde manier vochten als de Romeinse legioensoldaten. Verreweg de meeste bondgenoten zullen ook Latijn hebben gesproken.

De militaire situatie

In het jaar 263 BCE boekten de Romeinen grote successen. Polybius beweert dat na de komst van de twee consuls met hun troepen de meeste steden zich afkeerden van de Carthagers en de Syracusanen en zich aansloten bij de Romeinen. Diodorus Siculus voegt daaraan toe dat in totaal 67 steden bogen voor de Romeinse militaire overmacht. De houding van deze steden was puur pragmatisch. Historicus Adrian Goldsworthy merkt op dat “there is little sign of much affection for any of the sides in the conflict”. Steden die de kant van Rome hadden gekozen konden het volgende jaar gemakkelijk weer overlopen naar Carthago en vice versa. Het is mogelijk dat Manius Valerius Maximus zijn bijnaam Messalla verwierf voor zijn acties in de buurt van Messana dit jaar. Voor zijn overwinningen kreeg de consul bij terugkeer in Rome een triomftocht toegekend.

De belangrijkste Romeinse prestatie van dit jaar was echter het sluiten van een bondgenootschap met Koning Hiero van Syracuse. De koning had spijt gekregen van zijn verbond met Carthago, dat hem niets had opgeleverd. Toen de consuls oprukten naar Syracuse besloot Hiero het verdrag met de Carthagers te verbreken en zijn geld op Rome te zetten. De Romeinen waren op hun beurt uitermate content dat ze vrede konden sluiten met de koning en van hem een vriend en bondgenoot konden maken. Syracuse was de grootste, rijkste en machtigste stad op het eiland en de Romeinen kampten wederom met grote logistieke problemen tijdens hun operaties. Het was erg gevaarlijk om helemaal vanuit Italië voorraden te sturen, want Carthago beheerste nog steeds de zee. De Romeinen hadden daarom behoefte aan een lokale bondgenoot die hun legers van graan en paardenvoeder kon voorzien. Syracuse was precies de bondgenoot die ze nodig hadden.

Het moderne Syracuse. Het eiland Ortygia is zichtbaar in het zuiden (foto: cc-by-2.0).

De Romeinen hadden een sterke positie aan de onderhandelingstafel en klaarblijkelijk was Hiero erg gretig om vrede te sluiten, wellicht omdat zijn positie in Syracuse nog niet helemaal veilig was. De Romeinen waren bereid een vredesverdrag te sluiten op voorwaarde dat de koning een bedrag van 100 zilveren talenten zou betalen en alle Romeinse krijgsgevangenen zonder losgeld vrij zou laten. Deze manschappen waren waarschijnlijk het vorige jaar bij een schermutseling nabij Messana gevangen genomen of tijdens Romeinse raids in het gebied van Syracuse. De tekst van het vredesverdrag werd naar Rome gestuurd en aan de volksvergadering voorgelegd. Omdat sprake was van een zeer voordelige overeenkomst, keurde de comitia centuriata het verdrag goed. Rome had er een waardevolle bondgenoot bij: Koning Hiero zou de Romeinen trouw blijven tot aan zijn dood in 215 BCE.

Bronnen

Primair

– Cassius Dio, Roman History, Fragments of Book XI;
– Diodorus Siculus, Library of History, Fragments of Book XXIII;
– Livius, Periochae, Book 16;
– Polybius, The Histories, Book 1.16-17;

Secundair

– Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 74-75;
– Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 174.

One Comment:

  1. Pingback: De Annalist: De Jaren 262-261 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.