De Annalist: Voorspel

Carthaginian pendant.

De Eerste Punische Oorlog tussen Rome en Carthago was, op het moment dat hij woedde, het grootste conflict dat de Klassieke Wereld ooit had meegemaakt. De oorlog duurde 23 jaar, wat vrijwel zonder precedent was. Enkele van de grootste zeeslagen in de geschiedenis vonden plaats tijdens dit conflict en het verlies aan mensenlevens was verschrikkelijk, vooral op zee en voornamelijk vanwege gebrek aan ervaring bij de Romeinen in nautische zaken. Voorafgaand aan de Eerste Punische Oorlog was Carthago “undisputedly the greatest power in the western Mediterranean”, zoals militair historicus Adrian Goldsworthy het formuleert in zijn uitstekende The Fall of Carthage. Was het ook maar enigszins mogelijk dat de Romeinse Republiek, slechts een regionale machtsfactor, de Carthaagse positie zou kunnen betwisten? Het antwoord was natuurlijk “ja”. Hoewel haar verliezen afschuwelijk waren, won Rome het conflict en dwong haar tegenstander tot een hardvochtig vredesverdrag waarmee, in zekere zin, de kiem werd gelegd voor de Tweede Punische Oorlog die zo’n twintig jaar later uitbrak, een conflict dat nog veel meer mensenlevens zou eisen en verwoesting met zich mee zou brengen.

De twee tegenstanders: Rome

Toen in 264 BCE de oorlog met Carthago uitbrak, was de Romeinse Republiek nog geen supermacht. Wel was Rome in de voorafgaande decennia de dominante macht op het Italiaanse schiereiland geworden. Het Romeinse beleid om van verslagen vijanden loyale bondgenoten te maken werkte uitstekend. De bondgenoten (socii) leverden troepen voor de Romeinse legers om Romes oorlogen te voeren. Om van hun trouw verzekerd te zijn, annexeerden de Romeinen doorgaans een deel van het grondgebied van verslagen tegenstanders en stichtten daar kolonies voor Romeinse en Latijnse burgers. Zulke kolonies waren de ogen en oren van Rome en haar eerste verdedigingslinie.

Rome had altijd al een speciale relatie met de steden van Latium. Hoewel de Latijnse Bond, die overigens reeds door Rome werd gedomineerd, na een conflict in 340-338 BCE was ontbonden, hield Rome met de meeste van deze steden de nauwe banden in stand. De Romeinse Republiek sloot afzonderlijke verdragen met al haar Latijnse bondgenoten, opdat deze Rome zouden blijven voorzien van soldaten in oorlogstijd. Sommige Latijnse gemeenschappen kregen volledig Romeins burgerrecht, andere werd burgerschap zonder stemrecht verleend (civitas sine suffragio). Gemeenschappen die slechts Latijnse status hadden, profiteerden toch van hun bondgenootschappen met Rome, want deze status garandeerde dat zij het recht hadden met Romeinse burgers te trouwen en handel te drijven.

Stervende Galliër (Capitolijnse Musea, Rome).

Later werden het Romeinse burgerrecht en Latijnse status ook toegekend aan gemeenschappen buiten Latium. De Romeinen kenden bijvoorbeeld het burgerschap zonder stemrecht toe aan diverse leden van de adel (equites) van Campanië. Overal in Italië werden Romeinse en Latijnse kolonies gesticht. Uiteraard ging dit niet zonder strijd. In de late vierde en vroege derde eeuw was Rome verwikkeld in oorlogen met verschillende Keltische stammen (de Romeinen noemden hen Galli of Galliërs), met de krijgshaftige Samnieten en met de Etrusken, een volk dat een losse confederatie vormde en in vroeger tijden Rome zelf had overheerst. Hoewel de Romeinen ook nederlagen leden, kregen ze uiteindelijk de overhand en versloegen ze hun tegenstanders.

Romeinse legers boekten een belangrijke overwinning op de Etrusken bij het Meer van Vadimo in 310 BCE, versloegen vervolgens een coalitie van Kelten en Samnieten in de Slag bij Sentinum in 295 BCE en hakten ten slotte in 283 BCE een Etruskisch-Keltische strijdmacht in de pan, wederom bij het Meer van Vadimo. De Slag bij Sentinum was in zekere zin het hoogtepunt van een groter conflict, waarin de legers van Rome en haar Latijnse en Campaanse bondgenoten vochten tegen een coalitie van Etruskische steden, Keltische stammen als de Boii en de Senones, en Umbriërs. Tijdens het conflict met de Samnieten – doorgaans de Derde Samnitische Oorlog genoemd (298-290 BCE) – schoten de Romeinen de Lucani te hulp, een volk in Zuid-Italië. De gebieden van de Lucani grensden weer aan de regio waar in de voorafgaande eeuwen een grootschalig proces van Griekse kolonisatie had plaatsgevonden. We kennen die regio dan ook als Magna Graecia.

Pyrrhos van Epirus (foto: Catalaon).

De Griekse stadstaten in Zuid-Italië en op Sicilië waren onderling sterk verdeeld, maar veel van deze stadstaten vreesden de Romeinse expansie richting het zuiden. Toen de Griekse stad Tarentum (Taras in het Grieks, een Spartaanse kolonie) in 282 BCE in conflict kwam met Rome, vroeg ze hulp aan Koning Pyrrhos van Epirus, een van de grootste generaals uit de Oudheid. Pyrrhos en zijn leger versloegen de Romeinen en hun bondgenoten tweemaal, maar leden daarbij zelf zulke zware verliezen (“Pyrrhusoverwinningen”) dat ze gedwongen waren zich uit Italië terug te trekken na een tactische nederlaag in 275 BCE. De Romeinen namen vervolgens Tarentum in en voegden geheel Zuid-Italië toe aan hun invloedssfeer. Het feit dat de Romeinen niet waren ingestort na twee zware nederlagen tegen Pyrrhos en zelfs geweigerd hadden onderhandelingen over vrede te openen bezorgde hun een formidabele reputatie. Er was wijd en zijd respect voor hun onverzettelijkheid en hun veerkracht, twee karaktertrekken die de Romeinen goed van pas zouden komen tijdens het aanstaande conflict met Carthago.

De twee tegenstanders: Carthago

Carthago was een Fenicische kolonie in Noord-Afrika, in wat nu Tunesië is. Volgens de overlevering was de stad in 814 BCE gesticht. Al snel overtrof ze alle steden in het Fenicische thuisland en alle andere Fenicische kolonies in Noord-Afrika, op Sicilië en in Spanje qua omvang en rijkdom. De Carthagers hadden de Libische stammen in de regio onderworpen en ze beheersten de meeste vruchtbare gebieden in het huidige Tunesië. Hiermee verschaften ze zichzelf een solide agrarische basis voor verdere gebiedsuitbreiding. Carthago onderhield diplomatieke betrekkingen met de Numidiërs verder naar het westen en er lijken nauwe banden te zijn geweest tussen de Carthaagse aristocratie en de koningshuizen van de Numidische koninkrijken. Conflicten en oorlogen waren er echter ook.

Hoewel Carthago de dominante machtsfactor in dit deel van Noord-Afrika was, was ze allereerst een grootmacht op het gebied van de handel. Carthago beheerste alle grote handelsroutes over zee in het westelijke Middellandse Zeegebied. De stad bevond zich in het centrum van een uitgebreid handelsnetwerk dat was gebouwd op Fenicische nederzettingen in Spanje en op Sardinië en Sicilië. Vooral de vestiging van nederzettingen op Sicilië leidde tot langdurige conflicten met de Griekse wereld.

Baal Hammon, een van de belangrijkste goden in Carthago.

Natuurlijk was de autochtone bevolking van Sicilië – volkeren als de Sicani, de Siculi en de Elymi – evenmin erg gelukkig met de Fenicische pogingen tot kolonisatie. Er lijken echter belangrijke verschillen te zijn geweest tussen Grieks en Fenicisch beleid op het gebied van kolonisatie. Griekse kolonies werden in vreemd gebied gesticht om daar mensen uit de overbevolkte moedersteden te vestigen. Dat ging vaak (maar niet altijd) gepaard met de verdrijving van de oorspronkelijke gemeenschappen. Het Carthaagse kolonisatiebeleid richtte zich eerst en vooral op het oprichten van handelsposten aan de kust. Deze waren meestal veel kleiner dan de Griekse kolonies en veel minder geneigd ook het achterland te annexeren. Het zou echter verkeerd zijn de Fenicische expansie als grotendeels vreedzaam te omschrijven. Richard Miles heeft bijvoorbeeld de Fenicische kolonisatie van Sardinië beschreven. Hij verhaalt hoe dit proces verre van gunstig was voor de inheemse Nuragi, die steeds meer het bergachtige binnenland van het eiland in werden gedreven.

De meeste historici die de Carthaagse activiteiten op Sicilië hebben beschreven, waren Grieken. We weten dan ook het meeste van de oorlogen tussen Carthago en de Griekse stadstaten op het eiland. De machtigste van deze stadstaten was zonder meer Syracuse (Syrakousai). Syracuse, gesticht door kolonisten uit Corinthe, was sterk genoeg om tussen 415 en 413 BCE een Atheense invasie – onderdeel van de Peloponnesische Oorlog – af te slaan. Maar al ver daarvoor had Gelo, de tiran van Syracuse, een bondgenootschap gesloten met Agrigentum (Akragas) en in 480 BCE een Carthaags leger vernietigd in de Slag bij Himera. Bij andere gelegenheden ging de zege naar de Carthagers. Viermaal heeft een Carthaagse strijdmacht Syracuse belegerd, maar nooit slaagde deze erin de stad in te nemen. De Syracusaanse tiran Agathokles voer op zijn beurt in 310 BCE naar Noord-Afrika en hakte een veel groter Carthaags leger in de pan. Zijn poging Carthago zelf in te nemen mislukte echter.

Waar steden als Tarentum de groeiende macht van Rome vreesden, waren het de Griekse steden op Sicilië die de hulp van Pyrrhos van Epirus inriepen tegen de oprukkende legers van Carthago. Pyrrhos stak, na zijn weinig bevredigende overwinningen op de Romeinen, in 278 BCE naar het eiland over. Zijn veldtocht was zeer succesvol. De koning dreef de Carthagers helemaal terug naar Lilybaeum (Lilibeo) in het westen van Sicilië. Door zijn despotische gedrag vervreemdde Pyrrhos echter al snel zijn eigen Griekse bondgenoten van zich. Uiteindelijk werd de koning gedwongen het eiland weer te verlaten en naar Italië terug te keren, waar hij wederom op de Romeinen stuitte en ten slotte gedwongen werd terug te keren naar Epirus.

Punisch harnas, gemaakt van brons (Bardo Museum).

Er waren grote verschillen tussen Carthaagse en Romeinse legers. Het Romeinse leger bestond uit dienstplichtige burgers, terwijl de Carthagers over het algemeen juist niet hun eigen burgers inzetten om hun oorlogen te voeren. De Carthaagse legers waren een mix van huurlingen, troepen die werden geleverd door de bondgenoten (zoals de Numidiërs) en soldaten die werden opgeëist van de onderworpen Libische stammen. Carthaagse burgers dienden als hoge officieren, maar vechten deden ze alleen als hun eigen stad werd bedreigd. Bovendien lijken de Carthagers, heel anders dan de Romeinen, nogal afkerig te zijn geweest van het toekennen van het burgerschap aan vreemdelingen. Overigens waren de Romeinen natuurlijk ook zeer afhankelijk van troepen die hun bondgenoten hun leverden: meer dan de helft van de infanterie en het grootste gedeelte van de ruiterij werd geleverd door de Latijnen en de andere socii. Niettemin, de Romeinse burgerij vormde voor het leger een belangrijke bron voor het rekruteren van soldaten. Voor de veel kleinere groep Carthaagse burgers gold dit niet.

De Mamertijnen

Na het vertrek van Pyrrhos beheerste Carthago het grootste gedeelte van het westen en zuiden van Sicilië. De Griekse stadstaten beheersten op hun beurt het oostelijke gedeelte van het eiland. In 289 BCE was daar een derde machtsfactor bijgekomen. In dat jaar stierf Agathokles, de tiran van Syracuse die had geprobeerd Carthago in te nemen. Campaanse huurlingen in zijn leger hadden nu in een klap geen werkgever meer en drongen daarop de welvarende stad Messana in het noordoosten van Sicilië binnen. Een deel van de bevolking werd vermoord of verjaagd, en de huurlingen namen bezit van de vrouwen en kinderen in de stad. De huurlingen noemden zichzelf Mamertijnen, naar hun oorlogsgod Mamers, de Campaanse versie van Mars. Vanuit Messana begonnen ze de omliggende gebieden te plunderen. Verschillende gemeenschappen werden gedwongen schattingen te betalen.

Sicilië en Italië worden gescheiden door de nauwe Straat van Messina, die slechts enkele kilometers breed is. Messana beheerste de westkant van deze Straat, en aan de andere kant van het water lag de stad Rhegium (Rhegion). Hoewel dit een Griekse kolonie was, lijkt het erop dat de stad allerminst gerust was op de Italiaanse veldtocht van Pyrrhos. Rhegium was een Romeinse bondgenoot en vroeg de Romeinen om extra troepen om een eventuele Epirotische aanval af te kunnen slaan (en wellicht ook tegen aanvallen van de inheemse Bruttii). De Romeinen stuurden een contingent van 4.000 man onder aanvoering van ene Decius Vibellius. Deze soldaten waren Romeinse burgers zonder stemrecht, maar het waren ook Campaniërs en daarmee stamverwanten van de Mamertijnen aan de andere kant van de Straat. De soldaten van Decius besloten het voorbeeld van hun verwanten te volgen. Met wat hulp van de Mamertijnen namen ze op verraderlijke wijze de stad in die ze hadden moeten beschermen. Een deel van de bevolking werd uitgemoord.

Kaart van Sicilië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Zoals altijd was de Romeinse reactie vastberaden en genadeloos. Na het vertrek van Pyrrhos uit Italië en de onderwerping van Tarentum hadden de Romeinen hun handen weer vrij. Ze stuurden hun consul Lucius Genucius Clepsina naar het zuiden en sloegen het beleg voor Rhegium. In 271 of 270 BCE slaagden de Romeinen erin de stad in te nemen. De 300 Campaniërs die de gevechten hadden overleefd werden naar Rome gestuurd om bij wijze van waarschuwing op het Forum te worden gegeseld en onthoofd. Naar verluidt had een volkstribuun (tribunus plebis) nog geprobeerd de executies te verhinderen. De zaak van de Campaniërs, die tenslotte Romeinse burgers waren, was voor de volksvergadering gebracht. Het volk was echter uit op wraak en stemde voor de doodstraf, waarop de Campaniërs werden weggeleid en terechtgesteld.

In de tussentijd was de situatie voor de Mamertijnen in Messana in rap tempo verslechterd. Ze waren nu hun bondgenoten aan de andere kant van de Straat kwijt en leden enkele nederlagen tegen de legers van Syracuse. Daar was een nieuwe leider opgestaan. Zijn naam was Hiero, en hij was zowel een goed legeraanvoerder als een geslepen politicus. Hiero bracht de Mamertijnen ergens in de jaren 260 bij Mylae (het moderne Milazzo) een zware nederlaag toe. Hij nam enkele van hun leiders gevangen en sloot de overlevenden op achter de muren van Messana. Deze acties leverden Hiero een kroon op: hij werd tot Koning van Syracuse uitgeroepen. De Mamertijnen waren nu wanhopig op zoek naar nieuwe bondgenoten. Ze hadden eigenlijk maar twee opties: Carthago en Rome.

Bronnen

Primair

– Diodorus Siculus, Library of History, Fragments of Book XXIII;
– Dionysius of Halicarnassus, Roman Antiquities, Excerpts from Book XX;
– Livius, Periochae, Books 14 and 15;
– Plutarchus, Life of Pyrrhus;
– Polybius, The Histories, Book 1;

Secundair

– Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 25-67;
– Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 90-91, p. 113 en p. 149-154.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.