Het leger van de Romeinse Republiek

Uitrusting van een krijgstribuun in de Republikeinse tijd.

De stad Rome begon als een verzameling dorpjes op verschillende heuvels nabij de rivier de Tiber. Het leven was er noch erg comfortabel, noch erg veilig. Oorlog lag altijd op de loer. Naburige stammen en volkeren waren jaloers op Rome vanwege haar gunstige ligging aan de Tiber, van waaruit ze de handel in zout in Midden-Italië kon beheersen. Maar ook Rome zelf was gebrand op uitbreiding van haar invloed. Vanaf haar vroegste tijd vocht ze oorlogen uit met andere volkeren en veroverde ze hun gebieden. In deze tijd werd Rome geregeerd door koningen, en volgens de overlevering waren het er zeven. Nadat de laatste koning, Tarquinius Superbus, was verdreven, werd een Republiek gesticht. De Romeinse Republiek had behoefte aan een goed leger. Dit leger bestond niet uit huurlingen, en oorspronkelijk ook niet uit beroepssoldaten. In dit leger dienden gewone burgers, Romeinse mannen die een boerderij bezaten en die tot legioensoldaten konden worden omgevormd om in de offensieve en defensieve oorlogen van Rome te vechten. De Romeinse legioenen werden – en dit mogen we nimmer vergeten – ondersteund door soldaten die de Romeinse bondgenoten aanleverden. Deze brachten ongeveer de helft van de infanterie in de Romeinse legers op de been en de meerderheid van de ruiterij. In dit essay wordt een reconstructie gemaakt van het Republikeinse leger. In een eerder essay werd reeds stilgestaan bij het leger in de Keizertijd.

De vroege dagen

Dankzij grafgiften kunnen we ons een beeld vormen van de vroegste Romeinse soldaten, de manschappen die voor de koningen van Rome vochten. Aan de hand van deze grafgiften heeft de Belgische archeoloog Bernard van Daele vastgesteld dat deze soldaten sterk beïnvloed waren door de Etruskische beschaving, en wellicht zelfs door de zogenaamde Villanovacultuur, de eerste IJzertijdcultuur in Italië die aan de Etrusken voorafging. Romeinse krijgers vochten met speren, werpspiesen, zwaarden, bijlen en dolken. Zwaarden waren meestal van het ‘antenne-type’, wat betekent dat ze een lang (ca. 70 cm), maar zeer smal lemmet hadden. De krijgers gebruikten houten schilden, zowel ronde als ovale, maar veel lichaamsbescherming lijken ze niet gedragen te hebben. Soldaten die wel een pantser droegen, hadden doorgaans een bronzen borstplaat die pectorale of cardiophylax (“hartbeschermer”) werd genoemd. De rijkste burgers konden zich daarnaast ronde of gepunte helmen veroorloven.

Het meeste gevonden materiaal lijkt van Etruskische origine te zijn. De namen van de drie Romeinse stammen (tribus) die in Livius 1.13 worden genoemd – de Ramnes, Tities en Luceres – zijn waarschijnlijk ook Etruskisch. Het centrum van de Etruskische beschaving bevond zich in het huidige Toscane, dat ook naar de Etrusken is genoemd (Etrurië). Van hieruit hadden ze hun gebied naar het noorden uitgebreid, naar de vruchtbare Po-vallei, waar ze botsten met Kelten en Liguriërs, en naar het zuiden, waar ze in conflict kwamen met Italische stammen en de Griekse kolonisten van Magna Graecia. Rome was op dat moment hoogstens een lokale macht. De stad was van de late zevende tot de late zesde eeuw onderworpen aan Etruskische koningen, die wellicht eerder ‘krijgsheren’ waren.

De uitrusting van een Etruskische krijger (links) en van een hopliet (rechts).

Het is niet duidelijk wanneer de hopliet en de daarbij behorende manier van oorlogsvoering hun intrede in het oude Rome hebben gedaan. De introductie van dit type soldaat en de falanx worden traditioneel vastgeknoopt aan de legerhervormingen van koning Servius Tullius (578-534 BCE), die vaak wordt gelijkgesteld met de Etruskische krijgsheer Mastarna. Deze koning zou vijf vermogensklassen van Romeinse burgers hebben ingesteld, en daarvan vocht alleen de eerste klasse – die van de rijkste burgers – als hopliet. De soldaten van deze klasse waren volledig uitgerust in Griekse stijl, met een lange stootlans, een zwaard, een bronzen of linnen borstkuras, bronzen scheenbeschermers, een helm en een groot, rond schild dat bekend stond als de clipeus. De hoplieten kregen ondersteuning van centuriën van licht bewapende speervechters, lichte infanterie, schermutselaars en slingeraars. Deze werden gerekruteerd uit de classes II tot en met V, terwijl de Romeinse elite de ruiterij (equites) leverde.

Het grootste gedeelte van deze militaire uitrusting was van oorsprong Grieks, maar sommige gevonden zwaarden uit deze periode zijn Italisch-Etruskische ontwerpen. Daarnaast zijn er helmen gevonden die eerder Etruskisch dan Grieks zijn. Hoewel het niet verstandig is geschreven bronnen als Livius – die de introductie van de census en de legerhervormingen van Servius Tullius in Boek 1.42-1.43 bespreekt – kritiekloos over te nemen, kunnen we veilig stellen dat de Romeinen de falanx en de strijdmethoden van de hoplieten in de zesde eeuw BCE invoerden en bleven gebruiken tot de vroege vierde eeuw BCE.

Een deel van de uitrusting van een triarius. Zijn stootlans (hasta) ontbreekt. Hij zou in de strijd het grote schild op de achtergrond hebben gebruikt, niet het kleine ronde schild. Zijn zwaard hangt aan de verkeerde kant: het werd rechts gedragen.

Het manipulaire leger

De strijdmethode van de hoplieten bleek niet zo succesvol tegen de zeer mobiele legers van de Kelten (“Galliërs”) en de Samnieten. Het is heel goed mogelijk dat de Romeinen besloten hun strijdmacht te hervormen na de smadelijke Romeinse nederlaag bij de Allia in 390 of 387 BCE. Er werd steeds minder in falanxformatie gevochten en het is bepaald niet onmogelijk dat het Romeinse leger van de vierde eeuw BCE sterk leek op het leger dat Livius in het achtste boek van zijn Ab urbe condita beschrijft. Volgens Livius hadden de Romeinen de falanxformatie met één slaglinie ingewisseld voor een ‘manipulair’ systeem met drie linies (acies triplex). In zijn verhaal is sprake van vijf typen soldaten: hastati, principes, triarii, rorarii en accensi.

De hastati waren de jongste en minst ervaren soldaten. Volgens Livius droegen ze lange stootlansen (hastae, vandaar hun naam) of kortere werpspiesen. Het is niet onmogelijk dat sommigen van hen reeds de beroemde pilum droegen. Kennelijk had niet iedere soldaat een schild en een aantal hastati vocht misschien alleen als schermutselaar (leves). De principes waren de oudere, betrouwbaardere soldaten die de tweede linie vormden. Livius vertelt ons dat deze betere wapens hadden en dat ze allemaal schilden droegen. Ronde schilden lijken inmiddels compleet verdwenen te zijn. In plaats daarvan treffen we het scutum aan, het grote ovalen schild dat misschien van de Samnieten is gekopieerd. De triarii vormden de derde en laatste linie. Zij waren de veteranen en werden ondersteund door de rorarii en accensi. We weten niet welke rol de twee laatstgenoemde eenheden speelden, maar de rorarii waren mogelijk schermutselaars. Beide soorten troepen werden mogelijk gerekruteerd uit de minst ervaren burgersoldaten en alleen ingezet als het echt niet anders kon.

Hastatus (bron: Europa Barbarorum).

Princeps (bron: Europa Barbarorum).

De rorarii en accensi zijn geruisloos uit de legioenen verdwenen. De Griekse geschiedschrijver Polybius (203-120 BCE) heeft ons een gedetailleerde beschrijving nagelaten van de Romeinse legioenen van omstreeks 150 BCE. In deze beschrijving worden de rorarii, accensi en leves niet meer genoemd. De hastati, principes en triarii zijn nog wel van de partij en zij vechten ook nog steeds in de slagorde van de acies triplex. Een legioen bestaat uit 1.200 hastati, 1.200 principes en 600 triarii. Zij worden ondersteund door de velites (schermutselaars), van wie er zo’n 1.200 zijn.

De hastati, principes en triarii werden elk afzonderlijk in tien manipels onderverdeeld, dus er waren in totaal dertig manipels in een legioen (het Latijnse woord manipulus betekent letterlijk ‘een handjevol’). Elk manipel bestond uit twee centuriën van ongeveer 60 soldaten (30 voor de triarii). De velites werd niet in manipels verdeeld, maar verspreid over de manipels van de hastati, principes en triarii. De bewapening van de velites bestond uit een bundel lichte werpspiesen (verruta) die ze achter hun ronde schild (parma) konden vasthouden. Daarnaast droegen ze een tweede wapen, hetzij een lange dolk, hetzij een kort zwaard. Veel van hen drapeerden de huid van een wolf over hun hoofd (zie de afbeelding hieronder). Daarmee zagen ze er angstaanjagender uit en vielen ze meer op in de strijd. Velites droegen echter geen harnas, dus voor gevechten in de slaglinie waren ze minder geschikt.

Triarius (bron: Europa Barbarorum).

Veles (bron: Europa Barbarorum)

De Griekse historicus Dionysios van Halikarnassos, die in de eerste eeuw BCE over de oorlogen met Pyrrhus (280-275 BCE) schreef, beweert dat de principes nog steeds met speren vochten. Waarschijnlijk werden in de periode daarna de hastati en principes steeds vaker met de pilum uitgerust, de beroemde Romeinse werpspeer. De triarii bleven echter nog enige tijd doorvechten met hun steeklansen (hastae), voordat ook zij deze uiteindelijk inruilden voor pila. Dit zal ergens na 150 BCE hebben plaatsgevonden, want Polybius schrijft nog dat “οι τριάριοι δόρατα φορουσιν”, i.e. dat de triarii lansen dragen.

Naar een beroepsleger

Rond de tijd dat ook de triarii hun lansen aan de wilgen hingen, was het Romeinse leger waarschijnlijk al in hoge mate gestandaardiseerd. De meeste soldaten waren uitgerust met pila, een kort Spaans zwaard (gladius hispaniensis), een scutum en een maliënkolder (lorica hamata; het beroemde pantser van stroken staal – lorica segmentata – bestond nog niet). De standaardisering werd nog verder doorgevoerd na de hervormingen van Marius van 107 BCE, die een semiprofessioneel leger schiepen dat goeddeels werd gerekruteerd uit de armste lagen van de bevolking, de proletarii. De hervormingen van Marius kwamen zeker niet uit de lucht vallen en kunnen ook niet worden gezien als een ware revolutie. Bij de omvorming van het leger van de Romeinse Republiek van een burgermilitie naar een leger van dienstplichtigen en ten slotte een semiprofessionele strijdmacht was altijd sprake van een geleidelijk proces.

Legioensoldaten, late 2e eeuw BCE (foto: Jastrow).

Rond 150 BCE beheersten de Romeinen al enorme gebieden op drie continenten. Hoewel er nog geen keizer was, was er wel reeds sprake van een Romeins Rijk (zie daarover elders meer). De Romeinse expansie noodzaakte tot het sturen van legers vanuit Italië naar de provincies om daar garnizoenstaken te verrichten en opstanden neer te slaan wanneer deze uitbraken. De Romeinse legioensoldaten waren echter nog steeds deeltijdsoldaten. Oorspronkelijk dienden ze van maart tot en met oktober – het traditionele oorlogsseizoen – en keerden dan terug naar hun boerderijen voor de oogst. Het langere tijd dienen in verafgelegen provincies, waar men moest vechten tegen woeste stammen die guerrillatactieken gebruikten en overvallen uitvoerden, werd steeds minder populair. Bevelhebbers hadden daarom steeds meer moeite om voldoende nieuwe rekruten voor de legioenen te werven en jongemannen hadden steeds minder trek in het vervullen van hun militaire dienstplicht. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat Romeinse legers in deze periode soms bar slecht presteerden en ernstige nederlagen leden, bijvoorbeeld tijdens de oorlogen in Spanje (151-133 BCE).

Romeinse legioensoldaat, 1e eeuw BCE (bron: Europa Barbarorum).

Eén oplossing voor het gebrek aan mankracht was het verlagen van de bezitsvereisten, zodat ook mannen uit de lagere klassen dienst konden nemen in de legioenen. Weer een andere oplossing was het afstappen van de praktijk dat soldaten hun eigen wapens en harnassen moesten meenemen als ze in dienst traden. Legermateriaal werd voortaan verstrekt door de Romeinse staat en massaal geproduceerd in werkplaatsen van de autoriteiten (fabricae). Weer een andere oplossing was het herverdelen van Romeins staatsland (ager publicus) onder de arme Romeinse bevolking. Arme Romeinen werden hierdoor weer onderdeel van de klassen met eigen bezit en konden daarmee dienst nemen in de legioenen. Dit was waarschijnlijk ook een van de voornaamste redenen achter het omvangrijke landhervormingsprogramma dat Tiberius Sempronius Gracchus in 133 BCE lanceerde. Er was echter wel een probleem: dit staatsland was al in bezit genomen door rijke en aanzienlijke grootgrondbezitters, zowel Romeinen als Italiërs, en deze waren geenszins van plan te vertrekken. Het landhervormingsprogramma van Gracchus was erg impopulair en het was een van de redenen waarom hij uiteindelijk vermoord werd.

Buste van Gaius Marius (Glyptothek, München; foto: Bibi Saint-Pol).

Er was dus reeds een ontwikkeling gaande waarbij de burgerstrijdmacht met soldaten uit de middenklassen werd omgevormd tot een beroepsleger voor arme burgers die hun uitrusting van de Staat ontvingen. Dit was echter niet voldoende. Er waren nog meer soldaten nodig om nieuwe gebieden te veroveren, kwetsbare grenzen te beschermen en nieuwe provincies te beveiligen en te pacificeren. De ultieme oplossing kwam van een ‘nieuwe man’ (homo novus) genaamd Gaius Marius. Voor het eerst in de Romeinse geschiedenis rekruteerde hij soldaten uit de armste lagen van de bevolking: de proletarii, oftewel ‘zij die alleen hun kinderen hebben’. En zo werd een nieuw leger geboren. De hervormingen van Marius zouden legendarisch worden. Ze veranderden het leger van dienstplichtigen met eigen bezit in een semiprofessionele en semipermanente strijdmacht waarvan de leden hoofdzakelijk werden geworven onder hen die sociaal en politiek niet meetelden, de capite censi. Augustus, de eerste echte keizer, vormde deze strijdmacht vervolgens om tot een volwaardig staand beroepsleger, hetgeen in een ander essay aan de orde komt.

Na Marius was de kleinste eenheid in een legioen een contubernium, die bestond uit acht soldaten die een tent deelden. Tien van deze eenheden vormden een centurie en zes centuriën vormden een cohort van 480 man. Het cohort verving vervolgens het manipel als de belangrijkste tactische eenheid van een legioen. Ieder legioen had tien cohorten, en in de Late Republiek werd het eerste cohort vergroot tot zo’n 800 man. De sterkte van een legioen was dus op papier 5120 man, en dat is waarschijnlijk exclusief onderofficieren (zoals optiones) en officieren (zoals centuriones, tribuni en legati).

Romeinse strijdformaties

De Romeinse formatie met drie linies stond bekend als de acies triplex. In het ‘Polybiaanse’ legioen werden de manipels soldaten – waarvan er tien in elke linie waren – van elkaar gescheiden door intervallen die weer werden gedekt door de manipels van de linie erachter. Zo werd een schaakbordpatroon gecreëerd (de quincunx, naar de vijf ogen op een dobbelsteen). Het voordeel van dit systeem was dat een Romeinse bevelhebber zijn verse troepen kon inzetten waar ze het meest nodig waren. Romeinse generaals wierpen niet direct al hun beschikbare infanterie in de strijd, maar hielden juist meer dan de helft van de soldaten in reserve. Het is duidelijk dat flexibiliteit het grote voordeel van de acies triplex-formatie was.

Bronzen Romeinse helm (type Montefortino; Allard Pierson Museum, Amsterdam).

Tijdens een veldslag waren er verschillende scenario’s denkbaar. In sommige gevallen zouden ze hastati van de eerste slaglinie erin slagen door de vijandelijke linie te breken en de vijand op de vlucht te jagen. In dat geval hoefden de principes en triarii helemaal niet ingezet te worden. Een waarschijnlijker scenario was echter dat de hastati de vijand wel tot staan konden brengen, maar niet konden terugdrijven. In dat geval kon de bevelhebber daar waar de hastati onder druk stonden en vermoeid waren versterkingen heen sturen. Verse principes konden dan de strijd in het voordeel van Rome beslechten. Als zelfs de principes niet voor een doorbraak konden zorgen, kon de bevelhebber zijn triarii in de strijd gooien. Deze veteranen zaten het grootste gedeelte van de veldslag op een knie achter hun grote schilden. Het was natuurlijk ook mogelijk dat de hastati zelf werden teruggedreven en dat de principes moesten worden ingezet om hen te redden. Als ook deze troepen het tij niet konden keren, moesten de overlevende hastati en principes zich achter de triarii verzamelen. Dan waren er twee mogelijkheden: een laatste aanval met de moed der wanhoop of een veilige aftocht achter de muur van speren van de triarii. Of, zoals Livius stelt:

“Na de principes en de hastati te hebben opgenomen in de openingen tussen hun afdelingen, gingen de triarii staan, sloten de gelederen en versperden als het ware de uitgangen. In één compacte massa – achter hen was niets waarop ze zich konden verlaten – stortten zij zich op de vijand.” (AUC 8.8; vertaling F.H. van Katwijk-Knapp)

De legers vanaf de tijd van Marius bestonden hoofdzakelijk uit zware infanterie, met soldaten die allemaal dezelfde uitrusting droegen. Nog steeds werden de legioenen meestal in de acies triplex-formatie opgesteld, maar een opstelling in vier of twee linies was eveneens mogelijk als de situatie dat vereiste. Waar de hastati, principes en triarii een vaste positie op het slagveld innamen, kon een legioensoldaat vanaf de tijd van Marius in elk van de beschikbare linies worden opgesteld. De Romeinse strijdformatie was daarmee in zekere zin alleen maar flexibeler geworden. In de nieuwe legioenen was wel sprake van veranderingen ten aanzien van de lichte troepen en de ruiterij. Legioenen vóór Marius hadden nog een flinke hoeveelheid schermutselaars of lichte infanterie, te weten de velites die hierboven reeds besproken zijn. In de legioenen ná Marius namen troepen van de bondgenoten of huurlingen de rol van schermutselaars over. Denk hierbij aan slingeraars van de Balearen of Rhodos en boogschutters van Kreta of uit Syrië. Oorspronkelijk leverde de Romeinse elite de ruiterij voor de legioenen (de equites), maar rond het jaar 100 BCE was die rol al helemaal overgenomen door bondgenoten en huurlingen. Tijdens de veldtochten van Julius Caesar in Gallië bestond de ‘Romeinse’ cavalerie vrijwel geheel uit Galliërs en Germanen.

Samnitische krijger. Rome vocht drie oorlogen met de Samnieten uit. Deze werden uiteindelijk verslagen en tot bondgenoten gemaakt.

Troepen van de bondgenoten

En daarmee komen we bij een wezenlijk punt: zowel vóór als ná de hervormingen van Marius werden de Romeinse legioenen ondersteund door grote aantallen hulptroepen. Vóór de tijd van Marius kreeg een consulair leger van twee legioenen doorgaans ondersteuning van twee alae (vleugels) troepen van de bondgenoten (socii). In de meeste gevallen ging het hierbij om de Italische bondgenoten van de Romeinen. We weten niet veel over de manier waarop deze troepen georganiseerd waren, maar we mogen aannemen dat hun wapens en uitrusting niet veel verschilden van die van de Romeinse soldaten. De socii werden eveneens in drie linies opgesteld. Ze waren opgedeeld in cohorten en stonden onder bevel van hun eigen officieren, hoewel het opperbevel berustte bij Romeinse prefecten (de zogenaamde praefecti sociorum).

Uitrusting van een soldaat uit Picenum. De Piceni waren Romeinse bondgenoten en dienden in de Romeinse legers. De beroemde generaal en staatsman Gnaeus Pompeius kwam uit Picenum.

Het aantal soldaten in een ala was grosso modo gelijk aan dat in een legioen, maar de bondgenoten leverden aanzienlijk meer ruiterij voor het leger. De beste infanteristen en ruiters (de extraordinarii) werden altijd uit de bondgenoten geselecteerd. Na Marius bleven de hulptroepen een belangrijke rol spelen, maar omdat rond die tijd de meeste Italische bondgenoten het Romeinse burgerrecht kregen en dus in de legioenen konden dienen, werden de nieuwe hulptroepen doorgaans in de provincies aangeworven. Vanaf de vroege Keizertijd staan ze bekend als de auxilia.

De Romeinen waren er meestal erg op gebrand verslagen tegenstanders in hun eigen legers op te nemen, waarbij de vijanden van vandaag de soldaten van morgen werden. Juist omdat ze altijd op de flanken werden opgesteld, is het nogal aannemelijk dat de eenheden van de bondgenoten veel grotere verliezen leden dan de legioenen met de Romeinse burgers. We moeten daarom altijd in ons achterhoofd houden dat de mannen die het Romeinse Rijk tot stand brachten niet noodzakelijkerwijs zelf Romeinen waren.

Bronnen

  • Bernard van Daele, Het Romeinse leger;
  • Adrian Goldsworthy, The Complete Roman Army;
  • Adrian Goldsworthy, In the Name of Rome.

7 Comments:

  1. Pingback: Romeinse cavalerie – – Corvinus –

  2. Pingback: Fiesole: Convento di San Francesco – – Corvinus –

  3. Pingback: De Annalist: De Jaren 230-228 BCE – – Corvinus –

  4. Pingback: De Annalist: De Jaren 238-231 BCE – – Corvinus –

  5. Pingback: De Annalist: Het Jaar 211 BCE – – Corvinus –

  6. Pingback: De Annalist: Het Jaar 214 BCE – – Corvinus –

  7. Pingback: De Annalist: Het Jaar 216 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.