De Derde Punische Oorlog: Het Jaar 150 BCE

Baal Hammon.

Samenvatting

  • De consul Lucius Licinius Lucullus en de praetor Servius Sulpicius Galba richten een bloedbad aan onder de Lusitaniërs;
  • De Numidiërs hakken een Carthaags leger onder leiding van Hasdrubal de Boetharch in de pan;
  • De Romeinen beweren dat het Carthaagse offensief in strijd was met het verdrag uit 201 BCE en beginnen met de voorbereidingen voor een nieuwe oorlog met Carthago;
  • De Senaat besluit de Achaeïsche gijzelaars die nog in leven zijn vrij te laten;
  • Alexander Balas wordt de nieuwe heerser van het Seleucidenrijk.

De vijf jaren die in deze serie worden besproken kenmerken zich door Romeins imperialisme in haar wreedste, meest gewelddadige vorm. Romeinse expansie op drie verschillende fronten leidde niet alleen tot massamoord in Spanje en de verwoesting van aloude steden in Noord-Afrika en Griekenland, maar ook tot de toevoeging van twee nieuwe provincies aan – de term mag reeds gebruikt worden – het Romeinse Rijk. Het ging om de provincies Africa en Macedonia, waarbij van de laatste tevens Thessalië, Epirus, Achaea en delen van Illyrië, Paeonië en Thracië deel uitmaakten. Tegelijkertijd drongen de Romeinen steeds dieper het Iberische schiereiland binnen. De bloedbaden die Romeinse bevelhebbers daar aanrichtten, leidden uiteindelijk tot een nieuwe oorlog met de Lusitaniërs en de Keltiberiërs. Die oorlog zou zo’n vijftien jaar duren, en bij tijd en wijle leek het erop dat de Romeinen de strijd niet zouden gaan winnen.

Spanje

De overwinningen van de consul Marcus Claudius Marcellus op de Arevaci, de Belli en de Titti in 152 en 151 BCE hadden een einde gemaakt aan de Keltiberische Oorlog. In de provincie Hispania Citerior was het daardoor weer vrede. Aangezien zijn stompzinnige en niet te rechtvaardigen oorlog tegen de Vaccaei van het jaar ervoor vrijwel niets had opgeleverd, was de consul Lucius Licinius Lucullus naarstig op zoek naar een nieuw doelwit. Hij wilde tenslotte wel naar Rome terugkeren met een overwinning op zak. Verder naar het zuiden bedreigden de Lusitaniërs nog altijd de provincie Hispania Ulterior. Lucullus overwinterde in Turdetania, dicht bij Lusitanisch gebied. Omdat de stammen wederom raids uitvoerden in gebieden die onder Romeins gezag stonden en Rome de plicht had haar Spaanse bondgenoten te beschermen, besloot de consul dat er voldoende reden was om hen aan te vallen. Hij stuurde zijn legaten op pad, die de groepjes plunderaars onderschepten en zo’n 4.000 Lusitaniërs doodden. Lucullus zelf doodde er nog eens 1.500 terwijl ze probeerden bij Gades de Straat van Gibraltar over te steken. De overlevenden vluchtten naar een heuvel, waar Lucullus ze omsingelde met schanswerken. De Lusitaniërs zagen daarop geen uitweg meer en besloten zich over te geven. De Romeinse troepen namen hen en masse gevangen en voerden hen weg naar de slavenmarkten.

Replica van een Romeinse gladius (links).

Na een einde te hebben gemaakt aan de Lusitanische invallen, lanceerde Lucullus zijn eigen offensief in Lusitanisch gebied. Met behulp van een reeks rationele massamoorden ontvolkte hij geleidelijk de streken waar hij met zijn leger doorheen trok. Het doel van al dit bloedvergieten was waarschijnlijk om een stuk niemandsland te creëren tussen de Romeinse provincie en de gebieden die nog in Lusitanische handen waren. Zo zou wellicht een einde kunnen worden gemaakt aan de eeuwige raids van de stammen. De methoden van Lucullus waren wreed, maar ze waren niets vergeleken bij die van zijn collega Servius Sulpicius Galba. Galba’s gouverneurschap van Hispania Ulterior was ontsierd door een ernstige nederlaag tegen de Lusitaniërs, waarbij de praetor meer dan de helft van zijn leger had verloren. Nu had Galba zijn leger weer aangevuld en was hij uit op wraak. Enthousiast nam hij deel aan de nieuwe veldtocht tegen de Lusitaniërs. Een aantal van hen realiseerde zich dat hun situatie hopeloos was en bood de Romeinen aan te onderhandelen. Ze verwezen daarbij naar het verdrag dat met Galba’s voorganger Marcus Atilius Serranus was gesloten (zie 152 BCE) en beweerden dat ze bereid waren dit opnieuw te tekenen.

Aanvankelijk leek het erop dat Galba medelijden had met zijn tegenstanders. Hij stemde in met een wapenstilstand en beweerde dat hij heel goed begreep dat ze als gevolg van schrale grond en andere moeilijke omstandigheden tot struikroverij, oorlog en verdragsbreuk waren overgegaan. Galba bood ze zelfs land aan in vruchtbaardere delen van Spanje, maar eiste wel dat ze zich dan op een door hem uit te kiezen plaats zouden verzamelen. Toen de Lusitaniërs zich daar volkomen te goeder trouw meldden, verdeelde hij ze in drie groepen – wellicht gebaseerd op clanverbanden – en stuurde iedere groep naar een andere locatie. Daar moesten ze verdere instructies afwachten. Maar in plaats van dat hij ze land schonk, liet hij elk van de drie groepen ontwapenen en omsingelen door zijn soldaten. Zijn manschappen slachtten vervolgens hun hulpeloze slachtoffers af. Suetonius beweert dat er 30.000 Lusitaniërs werden gedood[1], maar veel van de vrouwen en kinderen zullen gevangen zijn genomen en zijn verkocht als slaven. Galba confisqueerde de bezittingen van zijn slachtoffers en hield – althans volgens Appianus – de meeste buit voor zichzelf.

Onder de Romeinse en Italiaanse soldaten die bij de slachtpartijen betrokken waren, moeten de nodige overlevenden van Galba’s desastreuze veldtocht van het jaar daarvoor zijn geweest. Hun bloeddorstigheid is dus nog wel enigszins te begrijpen. Galba’s rationale bloedbad zorgde er in elk geval voor dat ze het volgende oorlogsseizoen niet wéér tegen deze mensen hoefden te vechten. In een oorlog, zeker tegen een notoir lastige tegenstander, was veel geoorloofd, maar de door Galba aan de dag gelegde wreedheid ging zelfs de Romeinen te ver. Een jaar later zou de voormalige praetor een proces aan zijn broek krijgen, al werd hij uiteindelijk niet veroordeeld. Een van de overlevenden van het bloedbad was een herder genaamd Viriathus. Zo’n drie jaar later zou hij het tot leider van de Lusitaniërs schoppen en in die hoedanigheid zou hij zijn volk naar vele zeges op een hele reeks Romeinse bevelhebbers leiden.

Carthago

Masker van Demeter of Medusa, 3e of 2e eeuw BCE (Musée national de Carthage).

Waarschijnlijk aan het begin van het oorlogsseizoen begon de Carthaagse generaal Hasdrubal – Appianus gebruikt voor hem de term βοήθαρχος[2] – met zijn leger van 25.000 infanteristen en 400 ruiters aan een offensief tegen de Numidische koning Masinissa. Aanvankelijk was er enig succes voor de Carthagers: twee Numidische aanvoerders die ruzie hadden met Masinissa’s zoons liepen met 6.000 ruiters naar Hasdrubal over. Die won vervolgens enkele schermutselingen, waarop Masinissa veinsde dat hij zich terugtrok. De twee legers bevonden zich nu op woestijnachtig terrein omgeven door heuvels. Terwijl Masinissa in het open veld verbleef, bezette Hasdrubal een van de heuvels en sloeg zijn kamp daar op. Hij leek hiermee een gunstige positie op het hoger gelegen terrein te hebben ingenomen, maar Masinissa was een sluwe oude vos die nog wel wat kaarten in zijn mouw had. Appianus beweert dat de koning al 88 jaar oud was, maar nog steeds in staat was een paard te bestijgen en zijn mannen in de strijd aan te voeren. Slechts twee jaar eerder had Masinissa nog een zoon verwekt, een van zijn vele wettige en buitenechtelijke kinderen. De koning had veel van de Romeinen geleerd op het gebied van belegeringen en logistiek, en die kennis zou hij nu gebruiken tegen de Carthagers.

Toen verscheen plotseling Publius Cornelius Scipio Aemilianus in het Numidische kamp. Hij diende op dat moment in het Romeinse leger in Spanje onder commando van de consul Lucius Licinius Lucullus (zie hierboven). Scipio was naar Afrika gestuurd om olifanten bij de Numidiërs op te halen. De volgende dag was hij vanaf een heuvel ooggetuige van de bloederige veldslag die de twee legers uitvochten. De strijd eindigde onbeslist. Scipio was op dat moment zo’n 35 jaar oud en stond bij beide kampen hoog aangeschreven. Hij was tenslotte de kleinzoon door adoptie van de grote Scipio Africanus. Scipio bood aan te bemiddelen, maar de onderhandelingen liepen op niets uit toen de Carthagers weigerden de Numidische deserteurs uit te leveren. Nadat hij zijn olifanten had gekregen, vertrok Scipio weer naar Spanje. De oorlog in Afrika werd voortgezet.

Munt met de beeltenis van Masinissa of diens zoon Micipsa (bron: Classical Numismatic Group, Inc., CC BY-SA 2.5 license).

Masinissa liet nu zien dat hij de Romeinse belegeringstactieken kende en beheerste. Hij omsingelde de Carthaagse positie op de heuvel met schanswerken. Aanvankelijk maakte Hasdrubal zich daar niet al te veel zorgen om. Hij veronderstelde dat de Numidiërs zich wel weer zouden verspreiden als hun voorraden uitgeput raakten. Dit was waarschijnlijk in het verleden al zo vaak gebeurd, maar in dit geval had Masinissa – vermoedelijk naar Romeins voorbeeld – een bevoorradingssysteem opgezet, waardoor zijn troepen het beleg konden volhouden. Al snel hadden de Carthagers te kampen met voedseltekorten, honger en ziekte. Uiteindelijk waren ze gedwongen een vernederende overeenkomst met Masinissa te sluiten. Ze moesten de deserteurs afstaan, de koning een boete betalen en toestaan dat diens aanhangers die uit Carthagers waren verdreven (zie 151 BCE) konden terugkeren. Toen de Carthaagse troepen echter zonder hun wapens en met slechts één kledingstuk hun kamp verlieten, werden ze plotseling aangevallen door Masinissa’s zoon Gulussa en een eenheid ruiters. Gulussa had duidelijk nog een appeltje te schillen met de Carthagers vanwege de manier waarop hij het voorafgaande jaar was behandeld, maar het is niet duidelijk of Masinissa van de aanval wist. In elk geval werden duizenden Carthaagse soldaten gedood. Hun veldtocht was rampzalig geëindigd.

Het Senaatsgebouw – de Curia – op het Forum Romanum.

Een van de Carthagers die het bloedbad had overleefd was Hasdrubal de Boetharch. In Carthago kreeg hij de schuld van de nederlaag en werd hij samen met verschillende anderen ter dood veroordeeld. Het heeft er alle schijn van dat Hasdrubal niet naar de stad terugkeerde, en in elk geval werd de straf nooit uitgevoerd. Het volgende jaar kreeg Hasdrubal namelijk gratie en mocht hij weer een Carthaags leger aanvoeren. Dat alles nam niet weg dat de Carthagers in ernstige moeilijkheden verkeerden. Hun veldtocht tegen Masinissa was op morele gronden gerechtvaardigd geweest, maar technisch gesproken was deze wel in strijd met het in 201 BCE met Rome gesloten verdrag.[3] De Romeinen hadden immers geen toestemming voor de oorlog gegeven. De Carthagers stuurden daarom gezanten naar Italië om over Masinissa te klagen en te proberen een nieuwe oorlog met Rome te voorkomen. Hun missie was echter hopeloos, want de Romeinen waren rond deze tijd al begonnen met de voorbereidingen voor een gewapend conflict. Anders dan bij de oorlog in Spanje het geval was geweest, waren er ditmaal meer dan voldoende vrijwilligers voor het leger. Toen de gezanten de Senaat vroegen hoe ze de Carthaagse schending van het verdrag goed konden maken, kregen ze de cryptische boodschap dat ze “het Romeinse volk tevreden moesten stellen”. Een tweede gezantschap, dat naar Rome was gestuurd om een toelichting op deze boodschap te vragen, kreeg te horen dat de Carthagers prima begrepen wat er van hen werd verlangd. De Derde Punische Oorlog was nu onvermijdelijk.

Rome

Eveneens dit jaar besloot de Senaat eindelijk de Achaeïsche gijzelaars vrij te laten die al sinds 167 BCE in Italië geïnterneerd waren. Oorspronkelijk waren het er 1.000 geweest, maar volgens Pausanias waren er zeventien jaar later nog maar hooguit 300 in leven.[4] Hun zaak was bepleit door Scipio Aemilianus en zijn leraar Polybius (nu begin vijftig en formeel een van de gijzelaars), die op hun beurt een beroep hadden gedaan op Cato de Censor. Toen de kwestie in de Senaat werd besproken en enkele senatoren zich tegen vrijlating bleven verzetten, zou Cato hebben gezegd:

“Alsof we niets anders te doen hebben, zitten we hier de hele dag te discussiëren over een paar oude Griekjes, of ze nu door onze doodgravers of door die in Achaia zullen worden begraven.”[5]

Nadat de Senaat vóór vrijlating van de gijzelaars had gestemd, zou Polybius naar het Senaatsgebouw zijn teruggekeerd met het verzoek ervoor te zorgen dat de mannen hun oude functies in Achaea terug zouden krijgen. Bij die gelegenheid zou Cato hem hebben vergeleken met Odysseus die teruggaat naar de grot van de Cycloop om zijn vergeten muts en riem op te halen. Het moge duidelijk zijn dat hij nul op het rekest kreeg.

Syrië

Munt van Alexander Balas (bron: Classical Numismatic Group Inc.)

Ook in het Seleucidenrijk waren er dit jaar belangrijke ontwikkelingen. Twee jaar eerder had de Senaat ene Alexander Balas, die beweerde een zoon te zijn van wijlen Koning Antiochos IV, toestemming gegeven om naar Syrië terug te keren. Alexander had steun gekregen van de leider van de Makkabeeën, Jonatan Apphus, en was een oorlog begonnen tegen de zittende heerser over het Seleucidenrijk, Demetrios I Soter. Dit jaar slaagde hij erin zijn tegenstander te verslaan. Demetrios sneuvelde in de strijd en Alexander installeerde zich in Antiocheia als de nieuwe Koning van Syrië. Onmiddellijk sloot hij een bondgenootschap met Koning Ptolemaios VI van Egypte en vroeg hij om de hand van diens dochter Cleopatra Thea. Ptolemaios stemde daar graag mee in, en nog datzelfde jaar trouwden Alexander en Cleopatra in Ptolemais (het huidige Akko). Jonatan Apphus, die door Alexander als de Joodse Hogepriester was aangesteld, was als eregast bij de bruiloft aanwezig.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, Pax Romana, p. 37-45 en p. 58-61;
  • Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 336-337;
  • Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 337-338.

Noten

[1] Leven van Galba 3.2 (de Galba van de biografie is keizer Galba, maar de praetor Galba was een van zijn voorouders).

[2] De term betekent iets in de trant van ‘aanvoerder van hulptroepen’ en heeft dus niets te maken met de Boeotische Bond of het ambt van βοιωτάρχης.

[3] Zo zagen de Romeinen de juridische situatie althans. Men kan echter volhouden dat het verdrag na 50 jaar vervallen was.

[4] Description of Greece 7.10.

[5] Het citaat komt uit Plutarchus, Leven van Cato de Oudere 9.2 (vertaling: Hedwig van Rooijen-Dijkman). Waarschijnlijk baseerde Plutarchus zich rechtstreeks op Polybius zelf.

6 Comments:

  1. Winfried Temme

    Beste Laurens,

    Ik vind het nog steeds indrukwekkend wat je doet. Naar aanleiding van het stuk over het jaar 150 BCE vraag ik me af in welke taal de Romeinen en die andere volkeren, zoals de Lusitaniërs, eigenlijk communiceerden en verdragen sloten. Weet jij dat?

    Hartelijke groet,

    Winfried Temme (oud-OU)

  2. Het beroep van tolk is waarschijnlijk het op één na oudste ter wereld. We mogen ervan uitgaan dat Romeinse magistraten in Spanje doorgaans de plaatselijke talen niet machtig waren, dus bedienden ze zich van mensen die dat wel waren. De grenzen tussen de Romeinse provincies en de niet-Romeinse gebieden waren altijd vloeiend en er was handelsverkeer over en weer. In Romeinse en Latijnse kolonies in Spanje als Italica, Corduba en Carteia zullen ook de nodige ‘inheemse’ elementen zijn geweest en voldoende mensen die meer dan één taal spraken.

    Een enkele keer worden tolken expliciet genoemd in de bronnen. Bijvoorbeeld door Polybius bij zijn beschrijving van de onderhandelingen voorafgaand aan de Slag bij Zama in 202 BCE. Scipio en Hannibal hadden allebei een tolk meegenomen zodat ze in het Latijn, respectievelijk het Punisch konden onderhandelen. Scipio’s kleinzoon nam in 146 BCE de zoon van de Numidische koning mee als tolk (zie het stukje dat morgen verschijnt).

    In het Griekstalige gebied, dus in Zuid-Italië, Griekenland, Macedonië en de gebieden die ooit door Alexander de Grote waren veroverd, hadden Romeinse magistraten het gemakkelijker omdat ze doorgaans zelf Grieks spraken. Al in 282 BCE vinden we een Romeinse diplomaat die in het Grieks onderhandelde. Hij werd wel bespot om zijn accent.

  3. Winfried Temme

    Zeer verhelderende reactie van ‘Messala’, dank!

  4. Winfried Temme

    Als (mede-)jurist blijf ik me wel afvragen hoe verdragen in dit soort situaties werden vastgelegd. Waarschijnlijk in de twee betrokken talen?

  5. Dit ligt wel voor de hand. De Griekse geschiedschrijver Polybius deed onderzoek naar de verdragen tussen Rome en Carthago door de eeuwen heen. Zelfs het oudste daarvan (uit 509 BCE) was nog te raadplegen op bronzen platen die ‘in het archief van de aedielen, bij de tempel van Jupiter Capitolinus’ werden bewaard. Polybius maakt nog een opmerking over het archaïsche Latijn van het oudste verdrag, dat ook voor Romeinen in zijn eigen tijd (tweede eeuw BCE) nauwelijks meer te lezen was. Daaruit mogen we wellicht afleiden dat déze platen alleen in het Latijn waren. Wat natuurlijk niet uitsluit dat in Carthago hetzelfde verdrag in het Punisch werd bewaard.

    Tegenwoordig kunnen verdragen worden gedeponeerd bij de VN, in alle betrokken talen. Zoiets was in de Oudheid onbekend. Ik weet niet of er ook verdragen in meerdere talen uit die tijd bewaard zijn gebleven, maar andersoortige teksten beslist. Hannibal liet in Zuid-Italië een inscriptie in het Punisch en het Grieks achter, en iedereen kent wel de Steen van Rosetta (Grieks, demotisch en hiërogliefen) of de inscriptie van Behistun (Oud-Perzisch, Elamitisch en Babylonisch).

  6. Pingback:Het Einde van Macedonië: Het Jaar 167 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.