De Derde Punische Oorlog: Het Jaar 147 BCE

Baal Hammon.

Samenvatting

  • De Romeinse vlootcommandant Lucius Hostilius Mancinus verovert een deel van Carthago, maar moet daar vervolgens gered worden door Scipio Aemilianus;
  • Scipio herstelt de discipline in het Romeinse leger;
  • Scipio leidt een aanval op de wijk Megara en neemt een gedeelte ervan in; hij realiseert zich echter dat hij deze verovering niet kan behouden en verlaat daarop de wijk weer;
  • Hasdrubal de Boetharch stelt Romeinse en Italiaanse krijgsgevangenen terecht;
  • Scipio laat zijn manschappen loopgraven graven om Carthago van de buitenwereld af te snijden; tevens geeft hij hun de opdracht een dam aan te leggen om de havenmond af te sluiten;
  • De Carthagers reageren hierop door vanuit de oorlogshaven een nieuw kanaal naar zee te graven en door een nieuwe vloot te bouwen;
  • Een gevecht op zee tussen Carthaagse en Romeinse schepen eindigt onbeslist, maar de meeste Carthaagse schepen worden uitgeschakeld;
  • De Romeinen vallen een externe kade van Carthago aan en nemen die bij de tweede poging in;
  • Viriathus begint een nieuwe ‘Oorlog als Vuur’ in Spanje; de praetor Gaius Vetilius wordt verslagen, gevangen genomen en gedood;
  • De Romeinen proberen de Achaeïsche Bond te verzwakken door verschillende van zijn leden toe te staan zich af te scheiden.

De Derde Punische Oorlog ging haar derde jaar in met Publius Cornelius Scipio Africanus Aemilianus aan het roer als de nieuwe consul en opperbevelhebber van het Romeinse leger in Afrika. Tegelijkertijd brak er een nieuwe oorlog uit in Spanje waarin de Romeinen het op moesten nemen tegen een bijzonder talentvolle Lusitanische aanvoerder genaamd Viriathus, een voormalige herder. De ijzige relaties met de Achaeïsche Bond leidden tot een nieuw conflict in Griekenland dat de Romeinen noodzaakte tot een interventie met militaire middelen. Wederom moesten de Romeinen schaken op drie verschillende borden, maar dat was een spelletje waar ze nog steeds heel goed in waren.

Derde Punische Oorlog

Het duurde nog wel even voordat Scipio in Afrika was gearriveerd, en daarom zette zijn voorganger Piso deze lente zijn operaties in het Afrikaanse binnenland voort. De Romeinse vlootcommandant Lucius Hostilius Mancinus bevond zich nog altijd in de buurt van Carthago en bemerkte daar plotseling dat een gedeelte van de stadsmuren – die meer dan 30 kilometer lang waren – onverdedigd was. Daar was ook wel een reden voor: dit deel van Carthago werd beschermd door steile rotsen en het zag er onneembaar uit. Niettemin besloot Mancinus juist hier aan te vallen. Hij voer met zijn schepen naar de plek toe en zette er een groep soldaten met belegeringsladders aan land. Hoewel het terrein zeer lastig was, versloegen de Romeinen de Carthaagse verdedigers die op hen af werden gestuurd en dreven hen terug de stad in door een poort. Via diezelfde poort drongen ze vervolgens de stad binnen, waarna steeds meer van hun kameraden de schepen verlieten en zich bij hen voegden. De meeste van hen waren ongewapende leden van de scheepsbemanningen.

Kaart van Carthago.

De Romeinen hadden nu een deel van Carthago bezet, maar het zou erg moeilijk voor ze worden om het veroverde terrein te behouden. Slechts 500 van de Romeinse soldaten waren behoorlijk bewapend, de rest – zo’n 3.000 man volgens Appianus – bestond uit ongewapende zeelieden. Bovendien beschikten Mancinus en zijn manschappen over onvoldoende proviand, dus ze hadden dringend hulp nodig van Piso of het nabijgelegen Utica. Gelukkig was Scipio net aangekomen in die laatstgenoemde stad en had hij de brief gelezen die Mancinus aan de magistraten van Utica had gestuurd. Onmiddellijk kwam Scipio in actie. Er werden voorraden verzameld, Carthaagse gevangenen werden vrijgelaten zodat ze hun landgenoten konden vertellen dat Scipio in aantocht was en er werden boodschappers uitgezonden om Piso zo spoedig mogelijk terug naar Carthago te halen. Vervolgens voer Scipio naar Carthago toe met het gedeelte van de vloot dat zich niet bij Mancinus bevond. Hij had de dekken van de oorlogsschepen volgestouwd met soldaten. Voor de Carthaagse verdedigers moet dit een zeer intimiderend gezicht zijn geweest. De mannen van Mancinus hadden zich ondertussen met de moed der wanhoop verdedigd tegen de veel talrijkere vijand, maar ze stonden nu op het punt van de rotsen geduwd te worden. De komst van Scipio zorgde er echter voor dat de Carthagers zich terugtrokken. De zwaar onder druk staande soldaten en zeelieden konden daarop geëvacueerd worden.

Scipio nam vervolgens een aantal belangrijke maatregelen. Allereerst werd Mancinus naar huis gestuurd en vervangen door Scipio’s legaat Serranus. Mogelijk was dit Marcus Atilius Serranus, bekend vanwege zijn overwinningen in Spanje in 152 BCE. Vervolgens sloeg de consul zijn kamp op op de landengte voor Carthago. De Carthagers reageerden hierop door ongeveer een kilometer buiten de muren een eigen kamp te bouwen om van daaruit Scipio’s bewegingen in de gaten te houden. Als volgende maatregel herstelde Scipio de discipline in het Romeinse leger, die tot een onacceptabel niveau was afgezakt. Vrijwel iedereen die geen soldaat was, werd uit het kamp getrapt.

Nu was het tijd voor een aanval op Carthago. Scipio besloot de wijk Megara aan te vallen. Deze bevond zich ten noorden van de Carthaagse citadel, de Byrsa. Er werden twee aanvalseenheden geformeerd en naar verschillende stukken muur gestuurd die kilometers uit elkaar stonden. Toen de eenheid die door Scipio werd geleid werd ontdekt door de verdedigers, begon iedereen te schreeuwen: de verdedigers, Scipio’s troepen én de nog niet ontdekte soldaten die naar een ander deel van de muren verder naar het zuiden oprukten. Dit zorgde voor enige verwarring onder de Carthagers, maar ze slaagden er nog steeds in de aanval van Scipio’s manschappen af te slaan.

Een deel van de uitrusting van een triarius.

Hier had de aanval kunnen eindigen, maar plotseling ontdekten de Romeinen een toren die net buiten de muren stond en maakten zich meester van het gebouw. De toren was privébezit geweest en aan het begin van de oorlog verlaten. Toevallig was het bouwwerk ongeveer even hoog als de stadsmuren. Scipio stuurde een aantal van de dapperste soldaten naar boven. Die verjoegen eerst de verdedigers van de muur door ze met projectielen te bestoken. Vervolgens gooiden ze planken over het gat tussen de toren en de muur. De soldaten renden over de geïmproviseerde brug heen, bezetten de muur en openden een poort om hun kameraden binnen te laten. Zo’n 4.000 Romeinen stroomden de stad binnen, waarop de Carthaagse verdedigers naar de citadel vluchtten. Het is niet aannemelijk dat Scipio al van tevoren wist hoe de wijk Megara was opgebouwd. De wijk bestond grotendeels uit tuinen en boomgaarden en overal waren muren, heggen, struiken en greppels vol water. Dit was moeilijk terrein om op te vechten en de Romeinen konden gemakkelijk verdwalen op weg naar de Byrsa. Scipio nam daarom de lastige beslissing om zijn verovering op te geven en zich terug te trekken naar zijn kamp.

De oorlog sleept zich voort

De volgende dag besloot Hasdrubal de Boetharch Romeinse en Italiaanse krijgsgevangen over de stadsmuren te paraderen. Vervolgens liet hij ze, in het volle zicht van hun kameraden in het Romeinse kamp, martelen, verminken en vermoorden. Zelfs voor sommige Carthagers waren deze wreedheden niet meer acceptabel. De Raad van Dertig Ouderen protesteerde, en in reactie daarop liet Hasdrubal een aantal van de Ouderen terechtstellen. De Derde Punische Oorlog ging nu een zeer grimmige fase in.

Scipio had in de tussentijd besloten dat Carthago volledig van de buitenwereld moest worden afgesneden. Het grootste gedeelte van de oorlog was het beleg tamelijk losjes geweest. Meestentijds hadden de inwoners geen enkele moeite gehad om Carthago over land of over zee te bevoorraden. Daar kwam nu verandering in. Scipio’s aanval van de vorige nacht had één positief effect gehad: de Carthagers hadden hun kamp op de landengte verlaten en waren terug de stad in gevlucht. Scipio liet het kamp platbranden en liet daarna zijn manschappen een loopgraaf graven die liep van de zee tot de oevers van het Meer van Tunis. De loopgraaf was in totaal bijna 5 kilometer lang. Daarna liet hij erachter een tweede loopgraaf graven, gericht op het platteland. Aan beide kanten werden de lange loopgraven met elkaar verbonden door twee kortere loopgraven, zodat een gigantische rechthoek ontstond. Aan de kant van de stad werd een immense wal gebouwd met een balustrade en torens. De toren in het midden was uitzonderlijk hoog en kon gebruikt worden als observatieplatform om de troepenbewegingen in Carthago in de gaten te houden. Aan beide zijden werden de Romeinse verdedigingswerken beschermd door greppels en obstakels met scherpe punten. Het was duidelijk dat het van nu af aan onmogelijk zou zijn om Carthago over land binnen te komen of te verlaten.

Romeins schip op een graftombe uit Classe, bij Ravenna (Archeologisch Museum van Ravenna).

Ondanks de aanwezigheid van de Romeinse vloot kon de stad echter nog steeds via de zee bevoorraad worden. De Romeinse schepen slaagden er nooit in de toegang tot de haven (of cothon) volledig af te sluiten en snelle bevoorradingsschepen wisten voortdurend door de blokkade heen te glippen. Daarom besloot Scipio dat de havenmond afgesloten moest worden door de bouw van een grote dam. Schepen zetten groepjes werklieden af op de Taenia, de landtong ten zuiden van de stad tussen het Meer van Tunis en de zee. Het werk verliep voorspoedig, maar de Carthagers namen tegenmaatregelen en begonnen een nieuw kanaal te graven dat liep van de oorlogshaven naar de zee in het oosten. Vrouwen en kinderen hielpen bij de graafwerkzaamheden en tegelijkertijd werden er oorlogsschepen gebouwd van oud materiaal. Hoewel de Romeinen wel het lawaai hoorden en bovendien hun observatietoren hadden, hadden ze er kennelijk geen idee van wat er allemaal gaande was.

Toen het nieuwe kanaal en de schepen voltooid waren, voeren de Carthagers bij zonsopgang uit met 50 triremen en verschillende kleinere schepen. Ze verrasten daarmee de Romeinen, die compleet onvoorbereid waren. Maar in plaats van dat ze de nagenoeg weerloze Romeinse schepen aanvielen, gaven de Carthagers slechts een demonstratie van hun macht en voeren ze daarna de haven weer in. Een verklaring voor deze tamelijk curieuze actie zou kunnen zijn dat de schepen van slechte kwaliteit waren en de bemanningen onvoldoende training hadden gehad. Hoe dit ook zij, drie dagen later vond er een echte zeeslag plaats die onbeslist eindigde. Na uren van gevechten trokken de Carthaagse schepen zich weer terug richting de haven, maar daar kwamen enkele van de kleinere boten met elkaar in botsing. Ze raakten in elkaar verstrikt en als gevolg daarvan blokkeerden ze de toegang tot de haven. De grotere schepen werden nu gedwongen hun koers te verleggen naar een externe kade die langs de stadsmuur was aangelegd. Hier namen ze een defensieve positie in met hun voorstevens naar de Romeinse schepen gericht.

Punisch borstkuras, gemaakt van brons (achterkant; Bardo Museum).

Hoewel de Carthaagse schepen in de val zaten, bleek het voor de Romeinen lastig te zijn ze aan te vallen. De bemanningen van schepen uit Side in het huidige Turkije leerden de Romeinen echter om eerst hun ankers aan de achterkant te laten zakken, daarna de Carthaagse schepen te rammen en zichzelf vervolgens vrij te trekken met behulp van de lange touwen die aan de ankers waren bevestigd. Deze nieuwe tactiek werkte perfect en stelde de Romeinse schepen in staat zware schade aan te richten voordat het vallen van de nacht een einde aan het gevecht maakte. De volgende morgen liet Scipio zijn manschappen in alle vroegte oprukken over de dam voor een aanval op de externe kade, die een prima uitvalsbasis vormde voor een aanval op de haven zelf. De Romeinen probeerden de muur die de kade beschermde neer te halen, maar de Carthagers verzetten zich fel. Tijdens de nacht kleedden velen van hen zich uit, gingen het water in en waadden of zwommen met toortsen naar de kade toe. De verschijning van deze naakte mensen, hongerig maar woest, veroorzaakte grote paniek onder de Romeinen. De Romeinse discipline was nog altijd niet erg goed, en hoewel de aanvallers zware verliezen moeten hebben geleden, slaagden ze er toch in de Romeinse belegeringswerktuigen in brand te steken.

De paniek begon zich nu te verspreiden en veel soldaten vluchtten terug naar het Romeinse kamp op de Taenia. Scipio reed met een troep ruiters naar buiten om de vluchtende soldaten tegen te houden. De bevelhebber gaf de opdracht om manschappen die hun vlucht niet staakten te doden, en Appianus beweert dat hij eigenhandig enkele soldaten doodsloeg. Scipio’s optreden was bruut, maar uiteindelijk had het het gewenste resultaat. Na een ongemakkelijke nacht in het kamp hervatten de Romeinen hun aanval op de externe kade en slaagden ze erin de verdedigers te verdrijven. Vervolgens liet Scipio een nieuwe muur bouwen die even hoog was als de stadsmuren. Bij de Romeinse muur werden 4.000 soldaten gelegerd, hetgeen aangeeft dat de kade tamelijk breed moet zijn geweest. Deze mannen kregen de opdracht de verdedigers zoveel als ze konden met projectielen te bestoken. Het was nu herfst, en de Romeinen waren duidelijk een stap dichter bij de verovering van de stad gekomen.

Spanje

In 150 BCE hadden de consul Lucius Licinius Lucullus en de praetor Servius Sulpicius Galba duizenden Lusitaniërs afgeslacht. Hoewel deze moordpartij tijdelijk een einde maakte aan de Lusitanische raids in de Romeinse provincie Hispania Ulterior, sloegen de stammen dit jaar hard terug en kregen de Romeinen te maken met een nieuwe ‘Oorlog als Vuur’ (purinos polemos in het Grieks, een term gemunt door Polybius). Zo’n 10.000 strijders liepen Turdetanië onder de voet en werden vervolgens onderschept door de praetor Gaius Vetilius en zijn ongeveer even grote leger. Vetilius dreef de Lusitaniërs in een hoek, waarna onderhandelingen geopend werden. Deze hadden kunnen leiden tot een nieuw vredesverdrag, maar plotseling stapte een zekere Viriathus naar voren. Hij was een herder die Galba’s slachtpartij van drie jaar geleden had overleefd en nu zijn landgenoten herinnerde aan de kwade trouw van Rome bij die gelegenheid. Appianus beweert dat de Lusitaniërs hem vervolgens tot hun leider kozen, maar het lijkt veel aannemelijker dat hij reeds als een van de aanvoerders van het Lusitanische leger diende.

De oorlog in Spanje, 147-133 BCE (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Viriathus gaf zijn manschappen bevel zich in slagorde op te stellen, maar als hij zelf zijn paard zou bestijgen, moesten ze zich in alle richtingen verspreiden. 1.000 eliteruiters van de Lusitaniërs op snelle paarden bestookten vervolgens de Romeinse linies. Ze lieten een regen van werpspiesen op hun tegenstanders neerdalen en trokken zich daarna weer terug. Vetilius probeerde het gevecht met de ruiters aan te gaan, maar telkens als hij in de buurt kwam, galoppeerden ze gewoon weer weg. Dankzij deze tactiek stelde Viriathus zijn infanteristen in staat te ontsnappen. Deze manschappen hadden de opdracht gekregen zich bij het stadje Tribola te verzamelen (de precieze locatie is niet bekend). Hier voegden steeds meer vrijwilligers, die hadden gehoord van de dapperheid en heldendaden van Viriathus, zich bij de Lusitanische strijdmacht.

Replica van een falcata (afbeelding: Dorieo, CC BY-SA 3.0 license).

De praetor rukte op naar Tribola met zijn leger van 10.000 soldaten. In een dicht bebost gebied liep hij echter in een hinderlaag. Er werden 4.000 Romeinse en Italiaanse soldaten gedood en Vetilius werd gevangen genomen. Appianus beweert dat de Lusitaniërs die hem krijgsgevangen hadden gemaakt geen idee hadden wie hij was. Omdat de praetor oud en dik was, werd hij als waardeloos beschouwd en derhalve in koelen bloede vermoord. De overlevenden vluchtten naar een stad aan de kust die Appianus Karpessos (Καρπησσός) noemt en waarvan hij aannam dat hier om het oude Tartessos ging. Het bevel berustte nu bij een quaestor. Die beschikte over maar 6.000 soldaten en had daarom natuurlijk geen trek in een nieuwe veldtocht. Wel stuurde de quaestor 5.000 hulptroepen van de Belli en de Titti naar Lusitanië, maar die werden allemaal afgeslacht.

Griekenland

De relatie tussen Rome en de Achaeïsche Bond was al enkele decennia verzuurd, en dat was alleen maar verergerd toen in 167 BCE 1.000 Grieken als gijzelaars naar Italië waren gedeporteerd. De Achaeïsche woede was na het besluit van 150 BCE om de 300 gijzelaars die nog in leven waren vrij te laten niet gaan liggen. Er waren problemen ontstaan over de teruggave van eigendom aan deze voormalige gevangenen, die zeventien jaar van huis waren geweest. Verder was de sterk pro-Romeinse politicus Kallikrates in 149 BCE onderweg naar Italië gestorven. Daarna werd de Bond al snel gedomineerd door politici als Diaios en Kritolaos, die juist anti-Romeinse sentimenten vertolkten. Deze mannen hadden gezien dat de Romeinen niet langer onoverwinnelijk waren: in 148 BCE hadden ze immers in Macedonië een smadelijke nederlaag geleden tegen de usurpator Andriskos. Bovendien was Rome nu gelijktijdig verwikkeld in oorlogen tegen Carthago en in Spanje. Mannen als Diaios en Kritolaos dachten daarom dat een Romeinse militaire interventie in Griekenland onwaarschijnlijk was. Dientengevolge waren ze veel minder bereid om aan de Romeinse eisen toe te geven.

Korinthische helm (Allard Pierson Museum, Amsterdam).

En dan was er nog het probleem dat Sparta heette. Al sinds de dag in 192 BCE dat de stad gedwongen was toe te treden tot de Achaeïsche Bond was Sparta een zeer recalcitrant lid geweest. Pogingen tot afscheiding waren doorgaans met grof geweld door het leger van de Bond de kop in gedrukt. Rome had meestal onverschillig gereageerd op zowel de Spartaanse afscheidingspogingen als de Achaeïsche reactie daarop. Vaak stuurden de Romeinen slechts een diplomatieke delegatie naar Griekenland om de gebeurtenissen te onderzoeken en deden ze vervolgens niets. De delegatie die dit jaar in Griekenland arriveerde, werd geleid door Lucius Aurelius Orestes, een van de consuls van 157 BCE. De Senaat had rond deze tijd de conclusie getrokken dat de Bond te machtig was geworden. De gezanten hadden instructies meekregen om de Bond te verzwakken door toe te staan dat verschillende steden uittraden. Bij deze steden ging het om relatief onbeduidende leden als Herakleia in Trachis en Orchomenos in Arcadië, maar ook om belangrijke steden als Sparta, Argos en vooral Korinthe.

Orestos was kennelijk in Korinthe toen hij de Achaeërs mededeelde hoe Rome in de wedstrijd zat. Zijn boodschap viel slecht. Spartanen die in de stad woonden, werden lastiggevallen en gearresteerd. Een aantal van hen zocht zijn toevlucht tot Orestes, die als diplomaat onschendbaarheid genoot. Toch probeerden de Achaeërs de Spartanen met geweld weg te slepen. Uiteraard protesteerde Orestes hiertegen en eenmaal terug in Rome overdreef hij het gebeurde schromelijk. Daarbij beweerde hij zelfs dat zijn eigen leven en de levens van de andere Romeinse gezanten in gevaar waren geweest. Dat klopte van geen kanten, maar de verontwaardigde Senaat stuurde een nieuwe delegatie naar Griekenland onder leiding van Sextus Julius Caesar, Orestes’ collega in 157 BCE. Het lijkt erop dat Caesar tijdens een Bondsvergadering in Aigion daadwerkelijk probeerde de situatie te verbeteren. Hij verwees nauwelijks naar het incident met Orestes en vertelde de Achaeërs simpelweg dat ze zich koest moesten houden.

Later zou de situatie toch escaleren, en Polybius gaf de schuld daarvan aan anti-Romeinse politici binnen de Bond, en vooral aan Kritolaos, die spoedig tot strategos gekozen zou worden. Deze Kritolaos had later dit jaar een ontmoeting met de Romeinse gezanten in Tegea in Arcadië. Daar kwam hij te laat aan en weigerde vervolgens een overeenkomst met de Spartanen te sluiten omdat hij daar naar eigen zeggen geen mandaat voor had. De Spartanen en Romeinen kregen te horen dat ze maar moesten wachten op de vergadering van de Bond in de lente van het volgende jaar. Die vergadering zou pas maanden later plaatsvinden. Polybius kan het wat Kritolaos betreft bij het juiste eind hebben gehad en hij was zeker goed geïnformeerd, want zijn broer Thearides diende op dat moment als diplomaat bij de Bond. Onze geschiedschrijver was echter bepaald geen onpartijdige beschouwer als het ging om Griekse zaken.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage, p. 347-351;
  • Richard Miles, Carthage must be destroyed, p. 343-345.

One Comment:

  1. Pingback:De Derde Punische Oorlog: Het Jaar 146 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.