Politieman van de Middellandse Zee: De Jaren 159-154 BCE

Samenvatting

  • De consul Marcus Fulvius Nobilior verslaat de Ligurische Eleates en krijgt een triomftocht toegekend (159 BCE);
  • Publius Cornelius Scipio Nasica en Marcus Popilius Laenas worden tot censor gekozen (159 BCE);
  • De Senaat weigert tweemaal om de 1.000 Achaeïsche gijzelaars vrij te laten (159 en 155 BCE);
  • De Romeinen besluiten voorlopig de nieuwe Seleucidische heerser Demetrios I Soter als vriend te behandelen;
  • Koning Ariarathes V van Cappadocië wordt door zijn broer Orophernes uit zijn koninkrijk verdreven, maar door toedoen van de Senaat weer in ere hersteld; de twee broers wordt te verstaan gegeven dat ze de troon moeten delen (158-157 BCE);
  • De consul Gaius Marcius Figulus levert strijd tegen de Illyrische Delmatae en belegert hun bolwerk Delminium (156 BCE);
  • Koning Attalos II van Pergamum vraagt Rome om hulp tegen Koning Prusias II van Bithynië en de Galaten; aanvankelijk is de Romeinse reactie nogal lauw (156 BCE);
  • De consul Marcus Claudius Marcellus verslaat de Ligurische Apuani en krijgt een triomftocht toegekend (155 BCE);
  • De consul Publius Cornelius Scipio Nasica neemt Delminium in en krijgt een triomftocht toegewezen (155 BCE);
  • Vertegenwoordigers van de drie grote filosofische scholen van Athene bezoeken de Senaat in een poging een boete van 500 talenten omlaag te krijgen (155 BCE);
  • Een Lusitanische leider genaamd Punicus verslaat de praetor Manius Manilius; begin van de Lusitanische Oorlog (155 BCE);
  • De consul Lucius Postumius Albinus komt te overlijden; er gaan geruchten rond dat hij is vergiftigd door zijn vrouw Publilia (154 BCE);
  • De consul Quintus Opimius schiet Massilia te hulp en verslaat de Ligurische Oxybii en Deciates (154 BCE);
  • Marcus Valerius Messalla en Gaius Cassius Longinus worden tot censor gekozen (154 BCE);
  • Een Romeinse commissie van vijf mannen probeert Ptolemaios VIII Physcon te installeren als de nieuwe heerser over Cyprus, maar slaagt daar niet in; Physcon valt het eiland aan, maar wordt door zijn broer Ptolemaios VI gevangen genomen (154 BCE);
  • Romeinse diplomaten slagen erin een einde te maken aan de oorlog tussen Pergamum en Bithynië (154 BCE);
  • Punicus verslaat de praetor Lucius Calpurnius Piso Caesoninus, maar wordt later in de strijd gedood en opgevolgd door Caesarus (154 BCE);
  • De Senaat beveelt de Belli om de muren van de stad Segeda te slechten, wat ze weigeren; begin van de Tweede Keltiberische Oorlog (154 BCE).

In de hier besproken jaren vochten de Romeinen geen grote buitenlandse oorlogen uit. Dat betekent niet dat het vredige jaren waren. Een van de consuls van 159 BCE, Marcus Fulvius Nobilior, leverde strijd met de Ligurische Eleates. Zijn veldtocht moet een succes zijn geweest, want de consul mocht het volgende jaar een triomftocht houden. De verschillende Ligurische stammen bleven lastpakken voor de Romeinen, en de consul van 155 BCE, Marcus Claudius Marcellus – voor de tweede maal consul –, vocht tegen de stam van de Apuani. Ook aan hem werd een triomftocht toegekend.

Over de Alpen

Afbeelding van de Mont Blanc in de Alpen (foto: 4000er).

In het jaar 154 BCE vonden er meer militaire operaties tegen de Ligurische stammen plaats. De stad Massilia, al zeer lang een Romeinse bondgenoot in Zuid-Gallië, riep de hulp van Rome in toen ze werd aangevallen door twee Ligurische stammen, de Oxybii en de Deciates. De stammen bedreigden niet alleen Massilia zelf, maar belegerden ook twee van haar kolonies in de regio, de steden Nikaia (het huidige Nice) en Antipolis (het huidige Antibes). De Romeinen reageerden door eerst een diplomatieke delegatie naar het gebied te sturen. De Liguriërs hadden echter geen trek in diplomatie en probeerden te voorkomen dat de Romeinen hun schepen verlieten. Alleen de gezant Gaius Flaminius – mogelijk de zoon van de consul van 187 BCE – slaagde erin de kust te bereiken, waar hij moest constateren dat de stammen probeerden zijn bagage te plunderen. Toen zijn slaven en vrijgelatenen probeerden dit te voorkomen, werden ze aangevallen en raakte Flaminius zelf gewond.

De Senaat was woedend over deze aanval op een onschendbare diplomaat en reageerde door de consul Quintus Opimius naar het gebied te sturen voor represailles tegen de stammen. Dit zou heel goed de eerste Romeinse veldtocht kunnen zijn geweest tegen de Liguriërs die aan de andere zijde van de Alpen leefden, in wat nu de Provence in Frankrijk is. Opimius was een ‘nieuwe man’ en erop gebrand zichzelf te bewijzen. Hij rukte allereerst op naar Aigitna, het stadje waar het incident met de Romeinse diplomaten had plaatsgevonden. Het stadje werd bestormd en de inwoners werden als slaven verkocht. Daarna versloeg de consul vlot in twee achtereenvolgende veldslagen de Oxybii en de Deciates. De stammen gaven zich daarop over en Massilia kreeg toestemming om een groot gedeelte van hun land te annexeren. Ook al staat vast dat de veldtocht een groot succes voor de Romeinen was, zijn er geen gegevens bewaard gebleven waaruit kan worden afgeleid dat aan de consul een triomftocht werd toegekend.

Een Dalmatische veldtocht

Cybele en Attys (Museo Archeologico, Venetië).

In 157 BCE was een Illyrische stam met de naam Delmatae of Dalmatae begonnen met aanvallen op stammen die Romeinse bondgenoten waren. Gezanten van het eiland Issa (tegenwoordig Vis, Kroatië) en van de stam van de Daorsi kwamen zich bij de Senaat in Rome beklagen, waarop de Senaat Gaius Fannius Strabo – de consul van 161 BCE – naar Illyrië stuurde om een onderzoek in te stellen. De Delmatae weigerden met hem te spreken, met als gevolg dat de Senaat het volgende jaar de consul Gaius Marcius Figulus naar het gebied stuurde met een leger. Figulus – de naam betekent ‘pottenbakker’ – was een ervaren legeraanvoerder. In 169 BCE, op het hoogtepunt van de Derde Macedonische Oorlog, had hij het bevel gevoerd over de Romeinse vloot. In 162 BCE was hij al eens tot consul verkozen, maar de verkiezing was ongeldig verklaard en zowel hijzelf als zijn collega Publius Cornelius Scipio Nasica waren gedwongen geweest om af te treden.[1] Figulus moet er daarom op gebrand zijn geweest zichzelf te bewijzen. Zijn veldtocht begon echter slecht toen de Delmatae zijn leger wisten te verrassen toen het zijn kamp aan het opbouwen was. De Romeinen waren onvoorbereid en werden vlot verslagen, maar uiteindelijk was deze nederlaag eerder vernederend dan ernstig. De consul wist zijn troepen weer bij elkaar te krijgen en zette zijn veldtocht voort.

Na verschillende kleinere steden te hebben ingenomen rukte het Romeinse leger op naar de belangrijkste stad in de streek, die Delminium of Dalminion heette (in het huidige Bosnië). Delminium bleek een formidabel obstakel. De stad werd goed verdedigd en een beleg zou vele maanden kosten. Appianus beweert dat Figulus een groot gedeelte van Delminium in de as wist te leggen door met zijn katapulten brandende houten balken de stad in te schieten, maar de consul slaagde er niet in het bolwerk vóór het aflopen van zijn ambtstermijn in te nemen. Figulus werd nu opgevolgd door Publius Cornelius Scipio Nasica, dezelfde Scipio Nasica die in 162 BCE samen met Figulus consul was geweest. Nasica was een telg uit een roemrijk geslacht. Zijn vader had in 204 BCE de heilige steen die Cybele of de Magna Mater voorstelde in ontvangst genomen en was vervolgens in 191 BCE consul geweest. Nasica had zelf tijdens de Derde Macedonische Oorlog zijn sporen verdiend (zie 168 BCE) en had in 159-158 BCE als censor gediend (zie hieronder). Ook hij moet na zijn mislukte consulaat van zeven jaar daarvoor zeer begerig naar roem zijn geweest. Ook al zijn er geen details van zijn veldtocht bewaard gebleven, we weten dat Nasica er uiteindelijk in slaagde om Delminium te veroveren en de Delmatae te onderwerpen. Volgens de Fasti werd hem voor zijn overwinningen een triomftocht toegekend.

Het Forum Romanum anno nu.

Binnenlandse zaken

Aan het thuisfront verstreken in de beschreven periode relatief rustige jaren. In respectievelijk 159 BCE en 154 BCE werden er censors gekozen. Publius Cornelius Scipio Nasica en Marcus Popilius Laenas (de lastige consul van 173 BCE) registreerden 328.316 burgers. De pontifex maximus Marcus Aemilius Lepidus werd wederom tot princeps senatus benoemd, een positie die hij al sinds 179 BCE bekleedde. De censor Nasica was verantwoordelijk voor het plaatsen van de eerste waterklok of clepsydra in Rome.

Het volgende paar censors bestond uit Marcus Valerius Messalla en Gaius Cassius Longinus. Zij waren in respectievelijk 161 BCE en 171 BCE consul geweest. Bij de census werden 324.000 burgers geregistreerd. Voor de zesde en laatste maal werd Marcus Aemilius Lepidus tot princeps senatus benoemd. Hij zou in 152 BCE sterven, waarna het ambt van pontifex maximus twee jaar lang vacant bleef. Lepidus werd uiteindelijk opgevolgd door de eerdergenoemde Scipio Nasica, die rond 147 BCE ook de nieuwe princeps senatus werd.

Gezanten van de Achaeïsche Bond probeerden tot tweemaal toe de 1.000 Achaeïsche gijzelaars vrij te krijgen die nog steeds in steden in Etrurië werden vastgehouden. In 159 BCE had de Senaat het verzoek afgewezen, maar in 155 BCE was hij genegen de Achaeërs bewegingsvrijheid toe te kennen, al moesten ze wel nog wat langer in Italië blijven. In wezen was dit een compromis tussen vrijlating en voortzetting van de detentie. De praetor die de vergadering voorzat, Aulus Postumius (die in 151 BCE consul zou worden), weigerde echter om het compromis in stemming te brengen. Het gevolg was dat de gijzelaars ook geen bewegingsvrijheid kregen.

Het Senaatsgebouw – de Curia – op het Forum Romanum.

Eveneens in 155 BCE vond er een memorabele gebeurtenis plaats in Rome. Vertegenwoordigers van drie grote filosofische scholen uit Athene bezochten de Senaat. Athene had de stad Oropos geplunderd en was daarvoor zwaar bestraft. De Romeinen hadden Sikyon, een stad die lid was van de Achaeïsche Bond, als rechter aangewezen en Sikyon had de Atheners een boete van 500 talenten opgelegd. Drie grote Griekse filosofen probeerden de Senaat er nu van te overtuigen dat de boete verlaagd moest worden. Karneades vertegenwoordigde de Academie, Diogenes de Stoa en Kritolaos de Peripatetische school. De genot nastrevende vertegenwoordigers van het Epicurisme waren niet naar Rome afgereisd: hun filosofie werd in het Italië van die tijd gewantrouwd. In 161 BCE waren veel filosofen en redenaars uit Rome verdreven, en het is zeker niet ondenkbaar dat er onder hen veel Epicureeërs waren geweest.[2] De drie vertegenwoordigers die wel acte de présence gaven, maakten grote indruk. Doordat een senator genaamd Gaius Acilius als tolk optrad, konden ook senatoren die het Grieks onvoldoende machtig waren hun betoog volgen. Uiteindelijk werd de boete verlaagd naar 100 talenten.

In 154 BCE zorgde de dood van de zittende consul Lucius Postumius Albinus voor een grote schok in Rome. Al snel deden geruchten de ronde dat hij was vergiftigd. Dit leidde ertoe dat zijn weduwe Publilia van moord werd beschuldigd, aan haar familie werd overgedragen en werd gedood. Er is nooit een motief voor de moord vastgesteld en het is dus heel goed mogelijk dat de arme Publilia gewoon onschuldig was.

Diplomatieke activiteiten

Martelaren uit 2 Makkabeeën, de leraar Eleazar en de vrouw Solomonia en haar zeven zonen. Rechts Sint Barbara. Fresco uit de Santa Maria Antiqua, Rome.

Het Seleucidenrijk
De nieuwe Seleucidische koning Demetrios I Soter had geprobeerd een wit voetje te halen bij de Romeinen door de man die de Romeinse gezant Gnaeus Octavius had vermoord geketend naar Rome te sturen (zie 166-160 BCE). Begin 159 BCE arriveerde een diplomatieke delegatie uit Syrië in Rome. De Seleucidische gezanten werden aanvankelijk niet erg enthousiast door de Senaat onthaald. De senatoren namen een peperdure kroon die 10.000 stater waard was in ontvangst, maar weigerden de gevangenen die hun werden aangeboden, de moordenaar Leptines en een van diens aanhangers. Door de weigering bleef de dood van Octavius ongewroken. De Seleuciden bleven daardoor bij de Romeinen in het krijt staan en de Romeinen hielden Demetrios onverminderd aansprakelijk voor de moord. Zo konden ze hem de misdaad aanwrijven als dat nodig zou zijn. Voorlopig zou Demetrios als Romeinse vriend behandeld worden, maar later zou de Senaat zijn rivaal steunen, een zekere Alexander Balas. Die beweerde een zoon te zijn van wijlen Antiochos IV (en mogelijk was hij inderdaad een bastaardzoon).

In het Seleucidenrijk zelf heerste nu een relatieve rust. In 159 BCE was in Judea de Hogepriester Alkimos gestorven. Hij was een aanhanger van Demetrios en diens generaal Bacchides geweest, en een fervente tegenstander van de orthodoxe Makkabeeën. Volgens 1 Makkabeeën had Alkimos opdracht gegeven de muren van de binnenplaats van de Tempel in Jeruzalem te slechten en had hij vervolgens een beroerte gekregen die tot zijn dood had geleid. De auteur van 1 Makkabeeën zag het lot van de Hogepriester duidelijk als een straf van God. Het doet er niet zoveel toe of het verhaal over zijn vreselijke dood nu waar is of niet, waar het om gaat is dat Alkimos dood was en Bacchides zich uit Judea terugtrok. Twee jaar later, in 157 BCE, mislukte een volgende Seleucidische inval. Bacchides en de Joodse leider Jonatan Apphus – broer van Judas Makkabeüs – kwamen daarop tot een vergelijk. Er werd vrede gesloten, Bacchides keerde naar Syrië terug en Jonatan ging vrolijk door met zijn religieuze zuiveringen, waarbij liberaler ingestelde Joden door terreur werden gedwongen volgens de Torah te leven.

Graftomben van de Koningen, Paphos, Cyprus.

Ptolemaeïsch Egypte
Hoewel de Romeinen al in 162 BCE Cyprus aan Ptolemaios VIII hadden toegewezen, stond het eiland nog altijd onder gezag van diens oudere broer Ptolemaios VI. In de zomer van het jaar 154 BCE reisde de jongere Ptolemaios – bijgenaamd Physcon (‘De Dikke’) – naar Rome af om zich bij de Senaat hierover te beklagen. Physcon beschuldigde zijn broer van een aanslag op zijn leven en toonde daarbij zelfs de littekens die als bewijs moesten dienen. De Senaat, die duidelijk aan de kant van de jongere broer stond, weigerde ook maar te luisteren naar de gezanten die de oudere broer had gestuurd. Omdat ze schoon genoeg hadden van Ptolemaios VI stelden de Romeinen een commissie van vijf mannen in die Physcon naar Cyprus moesten escorteren en het eiland aan hem moesten overdragen. Toen de commissie niet in haar opdracht slaagde, probeerde een woedende Physcon om Cyprus met geweld te veroveren. Hij werd echter verslagen door troepen die loyaal waren aan zijn broer en vervolgens gevangen genomen. De oudere Ptolemaios had zijn lastige broertje kunnen laten executeren, maar besloot in plaats daarvan hem gratie te verlenen, terug te sturen naar Kyrene en toestemming te geven te trouwen met zijn dochter Cleopatra Thea (vermoedelijk is er nooit een huwelijk gevolgd; Physcon trouwde later met zijn zuster Cleopatra II en haar dochter Cleopatra III – de naam Cleopatra kwam tamelijk veel voor).

Cappadocië
In 158 BCE werd Koning Ariarathes V van Cappadocië uit zijn koninkrijk verdreven door zijn broer Orophernes, die daarvoor steun had gekregen van de Seleucidische koning Demetrios I. Naar verluidt was Demetrios boos geweest dat Ariarathes had geweigerd met zijn zuster Laodike te trouwen, de weduwe van Koning Perseus van Macedonië (zie 178 BCE). Ariarathes had dat gedaan omdat hij bang was dat de Romeinen zich geschoffeerd zouden voelen. Het antwoord van Demetrios was hulp aan Orophernes geweest. Tijdens het consulaat van Sextus Julius Caesar[3] en Lucius Aurelius Orestes, dus in 157 BCE, bepleitte de verdreven koning zijn zaak in Rome. De Senaat besloot om Ariarathes steun te verlenen tegen zijn broer en verordonneerde dat de koning in ere hersteld moest worden. Tevens besloot de Senaat dat de twee broers gezamenlijk moesten regeren. Er werd geen leger naar Cappadocië gestuurd, maar met wat hulp van Pergamum wist Ariarathes zijn kroon terug te krijgen. Een minpunt was dat hij die moest delen met een man aan wie hij nu een hartgrondige hekel moet hebben gehad.

Beeldje van Cleopatra II of III (Rijkmuseum van Oudheden, Leiden).

Pergamum
Koning Eumenes II Soter van Pergamum stierf eind 159 BCE of begin 158 BCE. Hoewel de koning een jonge zoon van rond de 11 had – de toekomstige Attalos III – werd hij opgevolgd door zijn jongere broer Attalos II Philadelphos (‘hij die zijn broeder lief heeft’). In 156 BCE raakte Attalos verzeild in een oorlog tegen Pergamums oude vijand Bithynië, dat werd geregeerd door Koning Prusias II. De Bithyniërs kregen hulp van de Galatische stammen die in de regio woonden. Ze versloegen de Pergameniërs op het slagveld en dwongen daarmee Attalos zich tot Rome te wenden voor hulp. De koning stuurde zijn broer Athenaios naar de Senaat toe, waarop de Senaat besloot een kleine delegatie naar Klein-Azië te sturen om de toestand daar in ogenschouw te nemen. Nadat de delegatieleden van het verloop van de oorlog kennis hadden genomen, werd een tweede delegatie naar het Oosten gestuurd om de oorlog te stoppen. Ondertussen waren de Bithyniërs in 155 BCE al tot aan de muren van Pergamum zelf opgerukt. Een aanval op de havenstad Elaia mislukte, maar Prusias liet zijn manschappen wel het omliggende platteland verwoesten. Zelfs tempels werden geplunderd voordat de koning besloot zich terug te trekken naar Bithynië. Op de terugweg leed zijn leger zwaar onder de honger en de dysenterie. Ook verloor de koning een groot deel van zijn vloot in een storm.

Het moet rond deze tijd zijn geweest dat de gezanten van de tweede Romeinse delegatie Bithynië bereikten. Ondanks de genoemde tegenslagen behandelde Koning Prusias de gezanten met louter minachting. De Senaat was woedend toen hij hoorde van de manier waarop de diplomaten waren behandeld. Hij nam daarop de ongebruikelijke stap om een commissie van tien mannen – decemviri – naar Klein-Azië te sturen. De commissie moest Prusias dwingen de oorlog onmiddellijk te beëindigen en een grote schadevergoeding te betalen aan Attalos. Begin 154 BCE keerden de kansen voor Pergamum. Koning Attalos had zelf een groot leger samengesteld en tevens versterkingen ontvangen van Koning Ariarathes van Cappadocië en van Koning Mithridates IV van Pontos. Zelfs nu hij met zoveel tegenstanders geconfronteerd werd, behandelde Prusias de Romeinse delegatie opnieuw op zeer arrogante wijze en weigerde hij de decemviri te gehoorzamen. De Romeinen hadden er nu genoeg van: ze annuleerden het verdrag tussen Rome en Bithynië. Prusias kon naar de hel lopen. Athenaios, de broer van Attalos, begon vervolgens de gebieden die loyaal waren aan Prusias te plunderen. Enkele maanden later landde een vierde (!) Romeinse delegatie in Klein-Azië. Deze slaagde erin het conflict tussen de twee regionale machten te beëindigen.

Een nieuwe oorlog in Spanje

Kaart van Spanje (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”, CC BY 4.0).

In Hispania Ulterior leidde een stamhoofd genaamd Punicus zijn volk bij raids tegen stammen die trouw waren aan de Romeinen. De Lusitaniërs vormden geen uniforme natie; het ging bij hen veeleer om een losjes georganiseerde verzameling stammen in het zuidwesten van het Iberisch schiereiland. De naam Punicus suggereert overigens dat de man zelf Carthaagse wortels had. In 155 BCE versloegen de troepen van Punicus het leger van de praetor Manius Manilius en een jaar later dat van diens opvolger Lucius Calpurnius Piso Caesoninus. De Lusitaniërs sloten een bondgenootschap met de Vettones en voerden plundertochten uit tot diep in de gebieden die werden bewoond door nakomelingen van Carthaagse kolonisten die bondgenoten van Rome waren.[4] Toen Punicus later in de strijd sneuvelde, werd hij opgevolgd door Caesarus. Het conflict dat hij begon, kwam bekend te staan als de Lusitanische Oorlog.

In de provincie Hispania Citerior was het relatief rustig geweest sinds Tiberius Sempronius Gracchus daar in 179 BCE de orde had hersteld. Vijfentwintig jaar later, in 154 BCE, namen de Keltiberiërs echter weer de wapens op. De reden voor het conflict was eenvoudig: Romeinse arrogantie en onbetrouwbaarheid. Net als de Lusitaniërs vormden de Keltiberiërs geen natie, maar een verzameling onafhankelijke stammen die een gemeenschappelijke taal en cultuur hadden. Eén stam, de Belli, was de afgelopen jaren steeds machtiger geworden. Hun hoofdstad was Segeda, dat lag tussen de huidige plaatsen Belmonte de Gracián en  Mara in de provincie Zaragoza. De Belli hadden kleinere en minder sterke stammen zoals de Titti gedwongen zich binnen hun gebieden te vestigen en hadden vervolgens Segeda omringd met een zeven kilometer lange muur. In de verdragen die met Gracchus waren gesloten stond niets over een verbod op het bouwen van muren. Toch gaf de Senaat de Belli het bevel hun muur te slechten. Ook moesten ze hulptroepen leveren voor het Romeinse leger. Dat weigerden de Belli, want ze waren eerder hiervan vrijgesteld. De arrogante Senaat liet hen toen weten dat het hem vrijstond naar believen privileges te verstrekken en weer in te trekken. Deze reactie was de spreekwoordelijke lont in het kruitvat. De Belli kwamen in opstand en daarmee was de Tweede Keltiberische Oorlog een feit.

Bronnen

Primaire bronnen

Noten

[1] Het incident wordt genoemd door Plutarchus, Leven van Marcellus 5.1-3. De consul die de verkiezingen had geleid was Tiberius Sempronius Gracchus. Hij had bij de auspices een fout gemaakt.

[2] Zie Aulus Gellius, Attische Nachten 15.11.

[3] De eerste van de Julii Caesares die consul werd.

[4] Appianus gebruikt de term Βλαστοφοίνικας om deze mensen te beschrijven (The Spanish Wars 56). Dit lijkt iets te betekenen in de trant van ‘afstammend van Feniciërs’.

3 Comments:

  1. Pingback:De Derde Punische Oorlog: Het Jaar 149 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback:Tiberius Gracchus: Het Jaar 133 BCE – – Corvinus –

  3. Pingback:Vesontio (Besançon) – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.