Gracchus in Spanje: Het Jaar 179 BCE

Samenvatting

  • De broers Quintus Fulvius Flaccus en Lucius Manlius Acidinus Fulvianus worden tot consul gekozen, de enige keer in de geschiedenis van de Romeinse Republiek dat twee broers gelijktijdig consul zijn;
  • Quintus Fulvius Flaccus houdt een triomftocht voor zijn overwinningen in het Nabije Spanje;
  • Marcus Aemilius Lepidus en Marcus Fulvius Nobilior dienen als censors; eerstgenoemde wordt tot princeps senatus benoemd;
  • Bouw van de Basilica Fulvia Aemilia op het Forum Romanum en de Pons Aemilius over de Tiber;
  • De consul Quintus Fulvius Flaccus strijdt tegen de Liguriërs en dwingt een groep migrerende Kelten om naar hun land van herkomst terug te keren; voor zijn prestaties krijgt hij een tweede triomftocht toegewezen;
  • De propraetor van het Verre Spanje, Lucius Postumius Albinus, vecht tegen de Vaccaei;
  • De propraetor van het Nabije Spanje, Tiberius Sempronius Gracchus, behaalt een reeks overwinningen op de Keltiberiërs; hij pacificeert de regio door langlopende verdragen met de stammen te sluiten;
  • De oorlog tussen enerzijds Pergamum en Cappadocië en anderzijds Pontos wordt beëindigd;
  • Koning Philippos V van Macedonië sterft; hij wordt opgevolgd door zijn zoon Perseus.

Restanten van de Pons Aemilius.

Aan het begin van het jaar arriveerde de voormalige praetor Quintus Fulvius Flaccus aan de rand van het pomerium, de heilige grens van Rome, om een triomftocht te houden vanwege zijn overwinningen in Spanje. Terwijl hij nog wachtte op toestemming van de Senaat, werd hij samen met Lucius Manlius Acidinus Fulvianus tot consul gekozen. Laatstgenoemde was geboren als lid van de gens Fulvia en was later geadopteerd door een lid van het oude patricische geslacht de gens Manlia. Een interessant detail is dat hij tevens de broer van Quintus Fulvius Flaccus was. Dit was de enige keer in de geschiedenis van de Romeinse Republiek dat twee broers samen als consul dienden. De triomftocht van Flaccus was een spectaculair gebeuren. Onder andere werden 173.200 zilveren munten uit Osca in de optocht meegevoerd; Osca (het huidige Huesca) was in die dagen hét muntcentrum van Spanje. De consul had tijdens zijn laatste gevecht met de Keltiberiërs een tempel aan Fortuna Equestris en spelen aan Jupiter Optimus Maximus beloofd en loste die belofte nu in.

Dit jaar werden er ook nieuwe censors gekozen. De twee mannen die gekozen werden, Marcus Aemilius Lepidus en Marcus Fulvius Nobilior (zie 187 BCE), waren oude vijanden. Gelukkig voor de Romeinen begroeven de twee voormalige kemphanen de strijdbijl voordat ze aan hun taak als censor begonnen. Drie senatoren werden van de rol geschrapt en Lepidus werd zelf tot princeps senatus benoemd. Hij nam daarmee de plaats in van Lucius Valerius Flaccus, die het vorige jaar gestorven was. De censors besteedden verschillende belangrijke openbare werken aan, waarvan de belangrijkste de Basilica Fulvia Aemilia was. Dit was een grote basilica ten oosten van de oorspronkelijke Curia en het comitium. Het gebouw was aanmerkelijk groter dan de nabijgelegen Basilica Porcia die Cato de Censor in 184 BCE had gebouwd. De censor Fulvius gaf tevens opdracht voor de bouw van de Pons Aemilius, de eerste stenen brug over de rivier de Tiber. De brug verbond het Forum Boarium – de wijk met de veemarkt – met het gebied trans Tiberim, tegenwoordig Trastevere genoemd. Pas enkele decennia later werd de brug voltooid[1], maar de overblijfselen ervan – ook wel de Ponte Rotto genoemd – kan men ook vandaag de dag nog zien. De censor Lepidus wijdde op het Marsveld een tempel aan de Lares Permarini (de Laren van de Zee). De praetor Lucius Aemilius Regillus, wellicht een bloedverwant, had deze tempel beloofd tijdens de zeeslag bij Myonnesos in 190 BCE. Men vindt de resten van de tempel – overigens grotendeels verscholen onder de straat – in de Area Sacra di Largo Argentina.

Ligurië

Overblijfselen van de Tempel van de Lares Permarini (links, gedeeltelijk onder de straat).

Beide consuls hadden dit jaar Ligurië als hun provincie toegewezen gekregen, maar onze bronnen maken alleen melding van operaties van Quintus Fulvius Flaccus in die streek. De andere consul, Manlius, deed niets wat het vermelden waard was. Ondanks de massadeportaties van het vorige jaar was dit gedeelte van Italië nog steeds niet gepacificeerd. Flaccus voerde een succesvolle nieuwe veldtocht uit en versloeg de Liguriërs in een geregelde veldslag. Ook slaagde hij erin een poging van een groep Kelten van de andere zijde van de Alpen om zich in de streek te vestigen te verhinderen. Zo’n 3.000 leden van dit volk vroegen de consuls en de Senaat om toestemming om daar te komen wonen onder het gezag van het Romeinse volk, maar de senatoren wezen hun verzoek af en gaven hun te verstaan dat ze moesten vertrekken. De consul zorgde er vervolgens voor dat ze dat ook deden. Bij terugkeer in Rome kreeg Flaccus nóg een triomftocht toegewezen, maar Livius merkt daarover wel op dat het “duidelijk [was] dat deze triomftocht meer op grond van zijn populariteit werd toegekend dan wegens de omvang van zijn wapenfeiten”.[2]

Spanje

De felste en belangrijkste gevechten vonden dit jaar in Spanje plaats, waar het imperium van de praetors Tiberius Sempronius Gracchus en Lucius Postumius Albinus verlengd was. Hoewel de laatstgenoemde was aangesteld als gouverneur van het Verre Spanje, sprak hij met Gracchus af om op veldtocht te gaan tegen een stam die bekendstond als de Vaccaei en die woonde in de valleien van de rivier de Douro in Noord-Spanje. Over deze veldtocht is verder geen informatie overgeleverd, en een van de redenen daarvoor kan zijn dat de overwinningen van Albinus werden overschaduwd door die van zijn collega Gracchus. Gracchus was getrouwd met – of waarschijnlijker: zou spoedig trouwen met – Cornelia, de dochter van Scipio Africanus. Polybius, een belangrijke bron voor de operaties van Gracchus tegen de Keltiberiërs van dit jaar, was een vriend van de gens Cornelia en daarom nogal eens bevooroordeeld als het om leden van dit oude patricische geslacht ging. Helaas is zijn verslag van de oorlog die Gracchus voerde verloren gegaan, maar de geograaf Strabo gaf er gelukkig een samenvatting van:

Area Sacra di Largo Argentina. De tempel van de Lares Permarini stond uiterst links (niet zichtbaar).

“omdat Polybius ook zei dat Tiberius Gracchus 300 steden in Keltiberië verwoestte, maakt Poseidonios[3] hem belachelijk en zegt hij dat de man dit alleen maar beweerde om Gracchus een plezier te doen. Hij noemde simpele uitkijktorens namelijk steden, zoals ze ook doen bij triomftochten. En misschien moeten we deze opmerking van Poseidonios maar ter harte nemen, want niet alleen generaals, maar ook geschiedschrijvers maken zich gemakkelijk schuldig aan dit soort falsificaties, in hun pogingen de daden die ze beschrijven te verfraaien.”[4]

Het verslag van Livius van de oorlog is wel bewaard gebleven en dit moet grotendeels gebaseerd zijn geweest op dat van Polybius. Laten we daarom kijken wat hij te vertellen heeft.

Gracchus viel allereerst de stad Munda[5] aan en nam haar tijdens een gewaagde nachtaanval in. Daarna viel hij forten aan en brandde hij akkers plat totdat hij de versterkte stad Certima bereikte (mogelijk Cetina in Aragon). Toen er geen ontzettingsleger kwam, gaf de stad zich over. Wat interessant is, is dat Gracchus veertig ruiters afkomstig uit de hoogste lokale adel opeiste. Die moesten dienstdoen in zijn leger. Livius beweert dat zij feitelijk gijzelaars waren, maar het lijdt geen twijfel dat ze tevens uitmuntende cavaleristen waren. Het volgende doelwit van de propraetor was de stad Alce, waarvan de locatie onbekend is. Hier bevond zich een Keltiberisch militair kamp. Na een paar dagen met de vijandelijke buitenposten geschermutseld te hebben, gaf Gracchus de prefecten van de bondgenoten het bevel om een terugtrekking te veinzen. De bondgenoten trokken op, deden net alsof ze werden teruggedreven en vluchtten terug naar het kamp met de Keltiberiërs op hun hielen. Binnen in het kamp had Gracchus zijn manschappen al in slagorde opgesteld en nu gaf hij ze bevel om de poorten uit te stormen. Het Keltiberische leger hing door de dolle achtervolging als los zand aan elkaar en werd compleet verrast. De Romeinse aanval was een geweldig succes: de vijand werd in de pan gehakt, zijn kamp ingenomen. Livius beweert dat de Romeinen zelf slechts 109 slachtoffers te betreuren hadden, en dit aantal is zó precies dat het wel eens correct zou kunnen zijn.

Replica van een falcata (afbeelding: Dorieo, CC BY-SA 3.0 license).

Na zijn overwinning ging Gracchus over tot grondige plundering van de gebieden van de Keltiberiërs. Hij dwong de door Polybius genoemde 300 steden tot overgave, maar de meeste daarvan waren in feite slechts kleine forten, zoals Poseidonios en Strabo al correct hadden doorzien (zie de geciteerde tekst hierboven). Hierna keerde de propraetor terug naar Alce en dwong met een korte belegering de stad zich te onderwerpen. Al snel bleek dat Gracchus met Alce de hoofdprijs te pakken had. Niet alleen kregen de Romeinen een rijke buit te pakken, de stad leverde hun ook verschillende belangrijke gevangenen op. Onder hen bevonden zich twee zoons en een dochter van Thurrus, een van de machtigste stamhoofden in de streek. Na een ontmoeting met Gracchus liep deze Thurrus over en werd een trouwe Romeinse bondgenoot. Toen de stad Ergavica (in de buurt van het huidige Cañaveruelas in Castilië) hoorde van de nederlaag van de stammen in de regio, besloot ze haar poorten voor de Romeinen te openen. Livius geeft in dit verband toe dat er ook andere bronnen over de veldtocht van Gracchus zijn, en dat die beweren dat de Keltiberiërs pas werden verslagen na zware gevechten waarin ook de Romeinen aanzienlijke verliezen leden. De bronnen lijken het er echter over eens te zijn dat Gracchus’ veldtocht een groot succes was. Hij sloot verdragen met een groot aantal Spaanse stammen en verzekerde daarmee een relatieve rust en vrede in dit gedeelte van het Iberische schiereiland voor de eerstkomende 25 jaar.

De Griekse wereld

Korinthische helm (Allard Pierson Museum, Amsterdam).

In Klein-Azië werd de oorlog tussen Koning Eumenes van Pergamum en Ariarathes van Cappadocië enerzijds en Koning Pharnakes van Pontos anderzijds beëindigd. De oorlog had Pontos compleet uitgeput, en na een nieuwe en verwoestende aanval van Eumenes en Ariarathes vroeg het koninkrijk om vrede. Als verliezende partij moest Pharnakes beloven dat hij nooit meer Galatië zou bedreigen. Ook moest hij zijn veroveringen in Paflagonië opgeven, maar het lijkt erop dat hij Sinope mocht houden, de belangrijke havenstad aan de Zwarte Zee die hij in 183 BCE had ingenomen. Sinope zou uiteindelijk een van de twee hoofdsteden van het Koninkrijk Pontos worden. De andere hoofdstad was het oostelijker gelegen Amaseia.[6]

In Macedonië overleed in de herfst van dit jaar Koning Philippos V. De koning was bijna zestig jaar oud, uitgeput van een leven lang oorlog voeren, moe van alle Romeinse vernederingen en diepbedroefd over de dood van zijn zoon Demetrios twee jaar eerder. De koning werd opgevolgd door zijn andere zoon, Perseus. Kennelijk was er ook nog een andere kandidaat voor de troon, een zekere Antigonos. Hij was een neef van Antigonos III Doson, die als regent was opgetreden toen Philippos nog minderjarig was, en de facto tussen 229 en 221 BCE als Koning van Macedonië had geregeerd. Perseus liet zijn rivaal echter vermoorden en werd vervolgens door het leger als nieuwe koning aanvaard. En het leger was uiteindelijk de machtsbasis van alle Macedonische koningen. Ogenschijnlijk wilde Perseus de vriendschapsbanden met de Romeinse Republiek hernieuwen, maar tegelijkertijd probeerde hij een wit voetje te halen bij de Grieken.

Bronnen

Primaire bronnen

Noten

[1] De brug werd afgebouwd toen Publius Cornelius Scipio Aemilianus en Lucius Mummius censor waren, dat wil zeggen in 142-141 BCE. Fulvius liet de stenen brugpilaren bouwen, maar de brug zelf was nog van hout. Scipio Aemilianus en Mummius voegden stenen bogen toe (Livius 40.51). Het is niet helemaal duidelijk of de brug werd vernoemd naar Fulvius’ collega Marcus Aemilius Lepidus. Hij zou ook vernoemd kunnen zijn naar de censor Scipio Aemilianus, die was geboren in de gens Aemilia.

[2] Livius 40.59 (vertaling: Hedwig van Rooijen-Dijkman).

[3] Een beroemde filosoof en geschiedschrijver uit Syrië die leefde van ca. 135 BCE tot 51 BCE.

[4] Strabo, Boek III, Hoofdstuk 4.

[5] Niet de stad Munda waar Caesar in 45 BCE de Optimates versloeg. Die stad lag in Zuid-Spanje.

[6] De graftomben van de Koningen van Pontos bevonden zich in Amaseia.

8 Comments:

  1. Pingback:De Derde Macedonische Oorlog: Het Jaar 171 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback:De Derde Punische Oorlog: Het Jaar 148 BCE – – Corvinus –

  3. Pingback:Cato de Censor: Het Jaar 184 BCE – – Corvinus –

  4. Pingback:Rome: San Bartolomeo all’Isola – – Corvinus –

  5. Pingback:De Dood van Flamininus: Het Jaar 174 BCE – – Corvinus –

  6. Pingback:Gracchus in Spain: The Year 179 BCE – – Corvinus –

  7. Pingback:Area Sacra di Largo Argentina – – Corvinus –

  8. Pingback:Viriathus: De Jaren 142-140 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.