Cato de Censor: Het Jaar 184 BCE

Samenvatting

  • Marcus Porcius Cato en Lucius Valerius Flaccus dienen als censors;
  • De censors nemen verschillende maatregelen: Lucius Quinctius Flamininus wordt uit de Senaat verwijderd omdat hij een man heeft gedood enkel en alleen om zijn schandknaap een plezier te doen; Lucius Scipio raakt zijn ‘staatspaard’ kwijt; Lucius Valerius Flaccus wordt op enig moment de nieuwe princeps senatus; op het Forum Romanum wordt de Basilica Porcia gebouwd;
  • Scipio Africanus wordt vervolgd voor verduistering van overheidsmiddelen; Scipio wacht de uitspraak niet af en trekt zich terug op zijn landgoed bij Liternum;
  • De Senaat besluit dat Romeinse gezanten onder alle omstandigheden een plenaire vergadering van de Achaeïsche Bond moeten kunnen bijwonen en toespreken;
  • Na een fel debat krijgen de praetors Gaius Calpurnius Piso en Lucius Quinctius toestemming om een deel van hun leger vanuit Spanje mee naar huis te nemen om deel te nemen aan hun triomftocht;
  • Aulus Terentius Varro verovert de stad Corbio in het gebied van de Suessetani;
  • De consul Lucius Porcius Licinus weigert de kandidatuur van Quintus Fulvius Flaccus voor het ambt van praetor suffectus, met als argument dat de kandidaat al tot curulisch aediel was gekozen;
  • De Romeinen krijgen hoofdpijn van de situatie in Griekenland.

Verreweg de belangrijkste gebeurtenis dit jaar was het proces tegen Scipio Africanus wegens verduistering van overheidsmiddelen (als het inderdaad dit jaar was, en niet het jaar ervoor). De belangrijkste persoon was Marcus Porcius Cato, die tot censor werd gekozen en zich ontpopte tot een van de meest consciëntieuze, maar ook een van de strengste censors ooit. Vanwege zijn optreden zou hij bekend komen te staan als Cato de Censor (Cato Censorius). In de tussentijd moet de situatie in Griekenland de Romeinen continu hoofdpijn hebben bezorgd. Wederom werden er delegaties in de Senaat ontvangen en vertrokken er nieuwe Romeinse delegaties naar Griekenland. Er kwam geen einde aan, maar de Romeinen hadden het aan zichzelf te wijten.

Cato de Censor

Er werd dit jaar een felle strijd gevoerd om het ambt van censor. Livius beweert dat zowel Scipio Africanus als zijn broer Lucius Scipio – veroordeeld voor verduistering in 187 BCE – kandidaat waren voor de patriciërs. Africanus was al in 199 BCE censor geweest en aangezien zijn tweede consulaat in 194 BCE was, kan de bewering van Livius heel goed kloppen. Het volk koos echter voor zijn vijand Cato en Cato’s oude bondgenoot Lucius Valerius Flaccus. Cato en Flaccus waren in 195 BCE samen consul geweest en het lijkt erop dat ze vrij populair waren. Hoewel alle andere kandidaten eensgezind waren in hun haat jegens Cato, koos de comitia centuriata voor de twee outsiders. Livius beweert dat dit tegen de zin van de adel was (adversa nobilitate), maar aangezien de rijkere klassen de comitia centuriata beheersten, moeten Cato en Flaccus ook onder de aristocraten ruim voldoende steun hebben gehad. Het moet ook gezegd worden dat Cato een fenomeen was: hij was boer, soldaat en politicus, kundig historicus, jurist en redenaar. Daarnaast was hij beroemd vanwege zijn ijzeren gestel en zijn eenvoud, en vanwege zijn weerzin tegen rijkdom en weelde. Boven alles hechtte Cato veel waarde aan de traditionele Romeinse moraal en principes, en had hij een hekel aan de Griekse cultuur. Kennelijk was dit wat het Romeinse volk wilde.

Gezicht op het Forum Romanum.

Cato en Flaccus kweten zich uitstekend van hun taak. Zeven senatoren werden van de rol geschrapt. Een van hen was Lucius Quinctius Flamininus, de broer van Titus Flamininus en de consul van 192 BCE. Lucius Flamininus had in een dronken bui een man gedood, enkel en alleen om zijn Carthaagse schandknaap een plezier te doen. Dit was natuurlijk schandalig gedrag, dus de sanctie van de censors was volledig gerechtvaardigd. Lucius Scipio raakte zijn ‘staatspaard’ (equus publicus) kwijt, maar omdat hij niet uit de Senaat werd verwijderd, is het onduidelijk wat de motieven van de censors waren. Op enig moment werd Lucius Valerius Flaccus zelf de nieuwe princeps senatus, een erepositie die hij overnam van Scipio Africanus.[1] Zeer belangrijk was dat Cato en Flaccus veel aanbestedingsprocedures lanceerden voor de bouw van waterreservoirs, wegen en openbare gebouwen. Het bekendste gebouw was de Basilica Porcia, een vrij kleine basilica op het Forum Romanum net ten westen van de Curia Hostilia (het Senaatsgebouw). De Basilica Porcia stond op deze plek totdat het gebouw tijdens de crematie van Clodius Pulcher samen met de Curia zelf in vlammen opging. Er werden twee nieuwe kolonies gesticht dit jaar: Potentia in Picenum en Pisaurum in het gebied dat de Romeinen als Gallië beschouwden (tegenwoordig de stad Pesaro in de Marche).

Het proces van Scipio

Nu Cato zijn politieke vijand Scipio Africanus had verslagen bij de verkiezing van de censors, was het tijd om oude rekeningen te vereffenen. Net als zijn broer drie jaar geleden, werd de grote generaal nu vervolgd wegens het verduisteren van geld dat van Koning Antiochos was afgenomen of door hem was betaald en in de schatkist had moeten worden gedeponeerd. De aanklager zou een zekere Marcus Naevius geweest kunnen zijn, maar de Petilii – twee volkstribunen – worden eveneens genoemd in onze bronnen. Livius geeft ruiterlijk toe dat hij niet weet welke versie correct is en voegt daaraan toe dat er over de zaak  veel verwarde en tegenstrijdige informatie is overgeleverd. In elk geval zijn er twee interessante anekdotes met betrekking tot het proces bewaard gebleven. In het eerste verhaal werd Africanus door de Senaat gevraagd verantwoording af te leggen voor het ontbrekende bedrag. Africanus vroeg daarop zijn broer Lucius om de boekrol te halen waarop de financiële gegevens over de oorlog tegen Koning Antiochos waren genoteerd. In plaats van deze boekrol aan de man te overhandigen die hem ter verantwoording had geroepen, had hij het geschrift voor de ogen van de senatoren aan flarden gescheurd en de man toegesnauwd dat die zijn onderzoek maar op de snippers moest baseren.

Overblijfselen van de Tempel van Saturnus, waar de schatkist werd bewaard.

Het proces tegen Africanus zou gehouden worden op het comitium op het Forum Romanum. Volgens de tweede anekdote werd de zaak verdaagd tot 19 oktober. Aangezien dit de dag was waarop hij Hannibal had verslagen in de Slag bij Zama (of eigenlijk bij Naraggara), beklom Scipio de Rostra en deelde het volk mee dat hij naar de Capitolijn zou gaan om een offer te brengen aan Jupiter, Juno, Minerva en alle andere goden die over de Capitolijn en de burcht waakten. Na zijn mededeling liep hij gewoon weg en nam de trap die van het Forum beneden naar de top van de heuvel leidde. Een immense menigte volgde hem naar boven. Zelfs de schrijvers en de gerechtsboden zouden achter Scipio aangegaan zijn. De aanklagers bleven op het Forum achter in gezelschap van slechts een handjevol slaven en een heraut. Het is moeilijk om te beoordelen hoeveel van dit verhaal op waarheid berust. Het is zeker mogelijk dat Scipio Africanus nog altijd populair was bij grote delen van het Romeinse volk, maar aan de andere kant was het duidelijk dat hij machtige vijanden had die eveneens op steun onder de bevolking konden rekenen. Van deze vijanden was Cato de belangrijkste. Geheel in overeenstemming met zijn aard – hij was altijd al meer generaal dan staatsman geweest – besloot Scipio uiteindelijk de uitspraak niet af te wachten. Hij trok zich terug op zijn landgoed bij Liternum in Campanië. Daar stierf hij, waarschijnlijk in 183 BCE.

Italië

Een van de kandidaten voor het consulaat van dit jaar was Publius Claudius Pulcher. Het geluk lachte hem toen, want zijn broer Appius was de zittende consul en in die hoedanigheid belast met het leiden van de verkiezing. In plaats van zich als een onafhankelijke magistraat te gedragen begon Appius op het Forum actief campagne te voeren voor zijn broer, met als gevolg dat Publius geheel onverwacht tot consul gekozen werd. Als collega kreeg hij de plebejer Lucius Porcius Licinus naast zich. De nieuwe consuls moesten allereerst een hoop zaken in Rome zelf regelen. Quintus Caecilius Metellus keerde terug van zijn missie naar de Achaeïsche Bond en deed zijn beklag over het feit dat er niet op zijn verzoek een plenaire vergadering van de Bond was gehouden. De Senaat besloot daarop dat Romeinse gezanten onder alle omstandigheden een plenaire vergadering van de Achaeïsche Bond moesten kunnen bijwonen en toespreken. In feite betekende dit dat de Achaeërs hun constitutionele reglementen maar aan moesten passen om aan het Romeinse besluit tegemoet te komen.

Korinthische helm (Allard Pierson Museum, Amsterdam).

Een Spartaanse delegatie kwam weer eens klagen over de manier waarop hun volk door de Bond behandeld was en een nieuwe delegatie onder leiding van de voormalige consul Appius Claudius Pulcher werd naar Griekenland gestuurd om te bezien of Koning Philippos Thessalië al ontruimd had en zijn garnizoenen al had teruggetrokken uit Ainos en Maroneia. Philippos reageerde hierop door de bevolking van de laatstgenoemde stad te laten uitmoorden door een horde Thraciërs. Tegelijkertijd ontkende hij ook maar iets met de zaak te maken te hebben: het bloedbad zou het gevolg zijn geweest van interne strubbelingen in Maroneia zelf. De koning stuurde tevens zijn zoon Demetrios naar Rome om hem te verdedigen tegen de beschuldigingen. De jonge Macedonische prins was nu begin twintig en had een aantal jaar van zijn leven in de Romeinse hoofdstad doorgebracht; na de nederlaag van zijn vader bij Cynoscephalae in 197 BCE was hij als gijzelaar naar Italië gestuurd. Mede daarom verwachtte Philippos dat zijn zoon in staat zou zijn wat goodwill bij de Romeinen te kweken.

Er werd dit jaar in de Senaat fel gedebatteerd over de vraag of de twee praetors Gaius Calpurnius Piso en Lucius Quinctius hun legers mee naar huis mochten nemen vanuit Spanje. De nieuwe praetors waren daar tegen, want zij wilden uiteraard liever de beschikking hebben over goed gedrilde veteranen dan over pas gerekruteerde en daardoor nog erg onervaren troepen. Bij hun oppositie kregen de nieuwe praetors steun van een van de consuls en enkele volkstribunen, maar de andere consul en de overige volkstribunen steunden Calpurnius, Quinctius en hun legaten. De eerstgenoemde volkstribunen dreigden hun veto uit te spreken tegen ieder Senaatsbesluit waarin de legers het bevel kregen terug naar huis te gaan. De laatstgenoemde volkstribunen dreigden op hun beurt echter ieder ander Senaatsbesluit met een veto te treffen. Uiteindelijk werd een soort compromis gesloten: een deel van het leger mocht naar huis. Enkele duizenden verse rekruten werden naar Spanje gestuurd zodat veteranen en soldaten die zich uitzonderlijk dapper gedragen hadden naar huis konden gaan.

Toen Calpurnius en Quinctius later dit jaar zelf in Rome terugkeerden, werd aan hen beiden met eenparigheid van stemmen een triomftocht toegekend. In Hispania Ulterior was het voorlopig rustig. In het naburige Hispania Citerior werd er nog wel gevochten. Aulus Terentius Varro nam in het gebied van de Suessetani de stad Corbio in (wellicht in de buurt van het tegenwoordige Sangüesa). De inwoners werden als slaven verkocht en daarmee was de onrust in dit gedeelte van de Romeinse wereld weer beëindigd.

Het Forum Romanum nu.

Eveneens dit jaar was er een tamelijk curieus incident met een constitutioneel tintje. De praetor Gaius Decimius was plotseling overleden en er waren vele kandidaten die als zijn opvolger verkozen wilden worden. Een van hen was ene Quintus Fulvius Flaccus, die al tot curulisch aediel was gekozen (volgens Livius voor het volgende jaar). Hij bleek echter tevens de overduidelijke favoriet te zijn om de overleden praetor op te volgen. Dat was niet verrassend, want hij was afkomstig uit een aanzienlijke familie en zijn vader was maar liefst viermaal consul geweest. Een aantal volkstribunen was van mening dat als hij verkozen zou worden, dit in feite neer zou komen op het gelijktijdig bekleden van twee curulische ambten, hetgeen wettelijk verboden was. Anderen beweerden echter dat het Romeinse volk iedere kandidaat mocht kiezen die het wilde.

Geïnstrueerd door de Senaat vroeg de consul Lucius Porcius Licinus de kandidaat op tactvolle wijze om de wet te respecteren. Flaccus rook echter de overwinning en was niet bereid toe te geven. Hij beloofde om af te treden als aediel als hij verkozen zou worden, maar die toezegging vond de consul onvoldoende. Hij besloot de volksvergadering te ontbinden en nogmaals de Senaat te raadplegen. Daarna werd een nieuwe vergadering bijeengeroepen en ditmaal weigerde de consul simpelweg om Flaccus als kandidaat te accepteren. Het gevolg was een verhit debat tussen de consul en de volkstribunen die Flaccus steunden, maar ook tussen de volkstribunen onderling. Uiteindelijk riep de consul wederom de senatoren bij elkaar, waarna voor een simpele oplossing werd gekozen: de verkiezingen werden afgeblazen. Een van de vijf overgebleven praetors zou zowel als praetor urbanus optreden als als praetor peregrinus. Deze beslissing had overigens geen negatieve invloed op de politieke carrière van Flaccus: hij groeide uit tot oorlogsheld, bekleedde in 179 BCE het consulaat en diende vijf jaar later als censor.

Griekenland

Theseus in gevecht met de minotaurus. Rechtsboven de personificatie van Kreta.

Zo rond deze tijd had de delegatie van Appius Claudius Griekenland bereikt om na te gaan of Koning Philippos Thessalië had ontruimd. Toen ze ervan hoorden, lazen de gezanten de koning ook de les over het bloedbad in Maroneia. Daarna reisden ze door naar Kleitor op de Peloponnesos, waar een plenaire vergadering van de Achaeïsche Bond zou plaatsvinden. Appius Claudius haalde fel uit naar de Achaeërs vanwege de manier waarop ze de Spartanen hadden behandeld. Daarbij verwees hij zowel naar het bloedbad bij Kompasion in 188 BCE als naar de afschaffing van Sparta’s oude constitutie. Het Achaeïsche standpunt werd echter met verve verdedigd door Lykortas, de vader van de geschiedschrijver Polybius. Hij verdedigde niet alleen het optreden van de Bond tegen Sparta, maar maakte tevens duidelijk dat hij heel goed doorhad dat de vrijheid van de Grieken in werkelijkheid geen fundamenteel recht was, maar een Romeinse gunst. En precies daarom waarom was Appius totaal niet onder de indruk van de woorden van Lykortas.

Afgaande op een fragment van het werk van Polybius[2] mogen we ervan uitgaan dat de Romeinse delegatie vervolgens naar Kreta voer. We weten niet wat ze daar precies kwamen doen en waarom, maar het is mogelijk dat de Romeinen intervenieerden op verzoek van Rhodos. Dit eiland was een trouwe Romeinse bondgenoot en had de Romeinen tijdens de zeeoorlog met Antiochos gesteund door de Romeinse vloot te versterken met oorlogsschepen en ervaren zeelieden. Als handelsnatie had Rhodos veel te lijden onder aanvallen van Kretenzische piraten op zijn koopvaardijschepen en dit zou de reden kunnen zijn geweest om Romeinse bijstand in te roepen. Het heeft er alle schijn van dat Kreta in deze tijd in een permanente staat van oorlog en anarchie verkeerde. Polybius noemt in dit verband een gewelddadig conflict tussen de steden Gortys en Knossos.

Zodra de Romeinen één probleem in de Griekse wereld hadden opgelost, stak er ergens anders wel weer een ander probleem de kop op. De Hydra van Lerna was er niets bij. Het was waarschijnlijk dit jaar – of anders vroeg in het volgende jaar – dat Messene besloot zich af te scheiden van de Achaeïsche Bond, hetgeen tot een harde reactie van de Bond, Philopoimen en Lykortas leidde. Rome zat vast in het moeras dat Griekenland heette, of ze dat nu leuk vond of niet.

Bronnen

Primaire bronnen

Noten

[1] Zie Livius 39.52. Het is niet duidelijk of dit gebeurde na de dood van Scipio, nadat Scipio in ballingschap was gegaan of terwijl Scipio nog politiek actief was. In het laatste geval zou Scipio feitelijk zijn afgezet als princeps senatus, wat ongehoord was. Livius gelooft dat dan ook niet.

[2] Polybius 22.15.

One Comment:

  1. Pingback:Gracchus in Spanje: Het Jaar 179 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.