De Vrede van Apameia: Het Jaar 188 BCE

Samenvatting

  • De volkstribuun Gaius Valerius Tappo slaat bespreking in de Senaat over en stuurt een wetsvoorstel om volledig Romeins burgerrecht toe te kennen aan de burgers van Formiae, Arpinum en Fundi rechtstreeks naar de volksvergadering;
  • Scipio Africanus wordt door de censors wederom tot princeps senatus benoemd;
  • Marcus Fulvius Nobilior neemt Same op Kephallenia in na een beleg van vier maanden;
  • In de veronderstelling dat hij Romeinse steun heeft, valt de Achaeïsche Bond Sparta aan nadat deze stad zich van de Bond probeert af te scheiden; Sparta wordt verslagen;
  • Koning Ariarathes IV van Cappadocië wordt na betaling van 300 talenten erkend als ‘vriend van het Romeinse volk’;
  • De Vrede van Apameia maakt formeel een einde aan de oorlog tussen Rome en het Seleucidische Rijk;
  • Terwijl ze door Thracië trekken, worden Gnaeus Manlius Vulso en zijn leger aangevallen door Thracische stammen, die veel soldaten doden en een groot deel van de Romeinse buit stelen.

De nieuwe consuls Marcus Valerius Messalla en Gaius Livius Salinator lijken een vrij gemakkelijk jaar te hebben gehad. De eerstgenoemde kreeg de oorlog tegen de Liguriërs als zijn provincie, de laatstgenoemde Gallia Cisalpina. Uiteindelijk bereikten beiden weinig en waarschijnlijk deden ze ook niet veel. De spannendste gebeurtenis tijdens hun ambtstermijn was waarschijnlijk een zonsverduistering op 17 juli.

Constitutionele kwesties

Buste van Cicero, Romeins staatsman afkomstig uit Arpinum (Capitolijnse Musea, Rome).

Dit jaar ontstond er een staatsrechtelijk geschil toen de volkstribuun Gaius Valerius Tappo een wetsvoorstel indiende om volledig Romeins burgerrecht toe te kennen aan de burgers van Formiae, Arpinum en Fundi. Deze hadden reeds Romeins burgerrecht zonder stemrecht (civitas sine suffragio) en de volkstribuun wilde hun nu ook dat laatste toekennen. Zijn voorstel werd aanvankelijk getroffen door het veto van vier van zijn collega’s omdat het niet eerst in de Senaat was besproken. De volkstribunen stapten echter over hun bezwaren heen nadat hun was medegedeeld dat het Romeinse volk, en niet de Senaat, nieuwe wetten maakte. Tappo had geen staatsrechtelijke regels overtreden door de Senaat over te slaan. Hoewel vaak wordt beweerd dat de veel beroemdere volkstribuun Tiberius Sempronius Gracchus (ca. 168-133 BCE) de eerste was die raadpleging van de Senaat in het wetgevingsproces oversloeg, laat de kwestie van Tappo zien dat er al veel eerder een precedent was.

De burgers van Formiae en Fundi werden opgenomen in de tribus Aemilia, die van Arpinum in de tribus Cornelia. Arpinum – dat als stad van de Volsci ooit een doodsvijand van Rome was – was nu een volwaardig onderdeel van de Romeinse wereld. Twee belangrijke Romeinen werden hier geboren: Gaius Marius en Marcus Tullius Cicero. Het opnemen van burgers in één van de 35 tribus was de taak van de censors, en dit jaar rondden Titus Quinctius Flamininus en Marcus Claudius Marcellus de census af. Samen hadden ze 258.318 Romeinse burgers geteld. Onder leiding van Marcellus vond vervolgens de lustrumviering plaats, de rituele reiniging van het Romeinse volk. Scipio Africanus was wederom tot princeps senatus benoemd en slechts vier senatoren waren van de rol geschrapt.

Griekenland

Nu hij de Aetoliërs onderworpen had, voer Marcus Fulvius Nobilior naar het strategisch belangrijke eiland Kephallenia (tegenwoordig Kefalonia) toe om het te bezetten. Het eiland was dan wel genoemd in het vredesverdrag met de Aetolische Bond, maar het was expliciet uitgezonderd van de verdragsbepalingen. Op één na gaven alle steden op het eiland zich over aan de Romeinen: alleen de polis Same besloot zich te verzetten. Fulvius had zijn belegeringsmachines van Ambrakia meegenomen naar Kephallenia en gaf spoedig bevel om de muren van Same op twee plaatsen in te beuken. De verdedigers bouwden echter nieuwe muren en deden veelvuldig uitvallen. Livius beweert dat deze uitvallen alleen konden worden afgeslagen dankzij de inzet van 100 slingeraars uit de Achaeïsche steden Aigion, Patras en Dyme. Zijn bron was de Achaeër Polybius, die zelf ongetwijfeld van een pro-Achaeïsche bron gebruikmaakte. De slingers die de slingeraars gebruikten zouden uitzonderlijk nauwkeurig en krachtig zijn geweest, zelfs effectiever dan de slingers van de beroemde slingeraars van de Balearen. Uiteindelijk werd Same ingenomen na een beleg van vier maanden. De stad werd geplunderd en de burgers werden als slaven verkocht.

Kaart van Griekenland (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

De Romeinen kwamen er nu snel achter dat Griekenland een moeras was waaruit ze zich niet gemakkelijk konden terugtrekken. Aigion, de traditionele plaats waar vergaderingen van de Achaeïsche Bond plaatsvonden, klaagde erover dat Philopoimen een nieuw systeem wilde invoeren waarbij iedere stad van de Bond bij toerbeurt gastheer zou zijn van de Bondsvergadering. Sparta probeerden zich af te scheiden van de Achaeïsche Bond, waartoe de stad in 192 BCE onder dwang was toegetreden. Toen de Bond Sparta de oorlog verklaarde, probeerden de Spartanen de hulp van de Romeinen in te roepen. Fulvius deelde alle partijen echter botweg mee dat ze gezanten naar de Senaat in Rome moesten sturen. Een van de Achaeïsche gezanten was Lykortas, de vader van de geschiedschrijver Polybius. De Senaat gaf een onbegrijpelijk antwoord (i.e. hij weigerde in feite partij te kiezen) en de Achaeërs meenden dat ze daarmee groen licht hadden voor een militaire interventie. Het leger van de Bond viel direct Sparta aan en deze aanval was een groot succes. De Spartanen werden gedwongen hun muren af te breken, hun constitutie werd afgeschaft, buitenlandse huurlingen werd uitgezet en Spartaanse ballingen mochten terugkeren. Het kon de Romeinen niets schelen, maar ze konden niet voorgoed onverschillig blijven.

Klein-Azië

De zogenaamde Ludovisi Galliër, een Galaat die zelfmoord pleegt (Palazzo Altemps, Rome).

Tijdens de winter had de proconsul Gnaeus Manlius Vulso gezanten ontvangen van steden uit heel Klein-Azië. Deze kwamen hem feliciteren met zijn overwinningen op de Galaten van het jaar ervoor. Ze hadden kostbare geschenken meegenomen, die de consul maar wat graag aanvaardde. Ook Koning Ariarathes IV van Cappadocië had een delegatie naar Ephesos gestuurd. De koning had op het verkeerde paard gewed door eerst zijn schoonvader Koning Antiochos te steunen en daarna hulp te sturen aan de Galaten. Zijn gezanten kregen te horen dat de koning een ‘vriend van het Romeinse volk’ kon worden tegen betaling van een schatting van 600 talenten. In feite kwam dit neer op een forse boete voor de vijandige handelingen van de koning. Ariarathes had geen andere keuze dan dit voorstel te accepteren. Gelukkig voor hem kwam Koning Eumenes van Pergamum later tussenbeide. Hij slaagde erin de schatting terug te brengen tot ‘slechts’ 300 talenten.

Aan het begin van de lente nam Vulso zijn troepen mee naar de grens met Pamphylië. Daar nam hij de eerste 2.500 talenten in ontvangst van de schadevergoeding die Koning Antiochos de Romeinen moest betalen (direct na de nederlaag van de koning bij Magnesia waren er al 500 talenten betaald). De proconsul kreeg tevens graan voor zijn leger en trok daarna verder naar het oostelijker gelegen Apameia. Na acht dagen kwam hij hier aan en hij kreeg gezelschap van de decemviri die vanuit Rome waren gestuurd. Nu was het tijd om formeel de Vrede van Apameia te sluiten. De vredesvoorwaarden waren niet heel veel anders dan de voorwaarden die al direct na afloop van de Slag bij Magnesia waren afgesproken (zie 190 BCE). De koning moest onder meer zijn troepen terugtrekken uit heel Klein-Azië ten westen van het Taurusgebergte, de Romeinen een schadevergoeding van 12.000 talenten betalen[1] in twaalf jaarlijkse termijnen en al zijn olifanten en het grootste gedeelte van zijn vloot overdragen. De Seleuciden moesten 20 gijzelaars, onder wie de koningszoon Antiochos, naar Rome sturen om de loyaliteit van de koning te waarborgen. Indien mogelijk moesten ook Hannibal en een aantal Griekse onruststokers worden uitgeleverd. Daarnaast moest de koning de Romeinen van 540.000 medimnoi graan voorzien. Dat komt neer op ongeveer 28 miljoen liter!

Drachme van Koning Philippos V (bron: Classical Numismatic Group Inc.)

Alle partijen bij het verdrag zwoeren de vereiste eden. Vulso deed dit namens de Romeinen. De proconsul stuurde vervolgens zijn broer Lucius en de decemvir Quintus Minucius Thermus naar Syrië toe om ook Koning Antiochos een eed te laten zweren. Toen zij beiden teruggekeerd waren en alles was geregeld in Klein-Azië, keerden Manlius en de decemviri met het leger terug naar Europa. Hun terugtocht door Thracië zou op een fiasco uitlopen. Toen Lucius Scipio in 190 BCE met zijn leger van Europa naar Klein-Azië trok, had hij ervoor gezorgd dat Koning Philippos van Macedonië tijdens de tocht door dit gevaarlijke gebied met vele vijandige stammen zijn flanken in de gaten hield. Het lijkt erop dat Vulso en de decemviri geen enkele voorzorgsmaatregel genomen hadden. Zwaar beladen met buit trok de Romeinse marscolonne door Thracië. Dat was vragen om problemen.[2]

Kaart van Klein-Azië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Niet lang nadat de Romeinen uit Lysimacheia waren vertrokken, vielen de Thraciërs de Romeinse legertros aan die zich in het midden van de marscolonne bevond. Er werd zwaar gevochten en aan beide kanten vielen vele slachtoffers, maar de Thraciërs slaagden erin om een groot gedeelte van de Romeinse buit te stelen. Tijdens een tweede gevecht sneuvelde de eerdergenoemde Quintus Minucius Thermus. Tussen Ainos en Maroneia werd een derde gevecht geleverd. Omdat het terrein hier open was, hadden de Romeinen de overhand en dreven ze de Thracische aanvallers terug. De Romeinse verliezen aan manschappen en buit waren aanzienlijk geweest, maar ze hadden nu in elk geval weer veilig gebied bereikt. Vulso trok met zijn leger naar Apollonia om daar de winter door te brengen.

Bronnen

Primaire bronnen

Noten

[1] Eigenlijk 15.000, maar hiervan waren er al 3.000 betaald.

[2] Livius 38.40 geeft Koning Philippos de schuld van de Thracische aanvallen die zouden volgen, maar deze beschuldigingen lijken nergens op gebaseerd te zijn.

5 Comments:

  1. Pingback:Het Proces tegen Lucius Scipio: Het Jaar 187 BCE – – Corvinus –

  2. Pingback:Gracchus op Sardinië: Het Jaar 177 BCE – – Corvinus –

  3. Pingback:De Romeins-Syrische Oorlog: Het Jaar 190 BCE – – Corvinus –

  4. Pingback:Tiberius Gracchus: Het Jaar 133 BCE – – Corvinus –

  5. Pingback:De Opkomst van Marius en Jugurtha: De Jaren 120-118 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.