Gracchus op Sardinië: Het Jaar 177 BCE

Samenvatting

  • Marcus Claudius Marcellus, zoon van de held uit de Tweede Punische Oorlog, sterft;
  • Bij Luna wordt een Romeinse kolonie gesticht;
  • De consul Tiberius Sempronius Gracchus verslaat op Sardinië de Ilienses en de Balari;
  • Een Lex Claudia beoogt Latijnen die naar Rome verhuisd zijn te dwingen terug te keren naar hun eigen gemeenschappen;
  • De proconsuls Marcus Junius Brutus en Aulus Manlius Vulso zetten de oorlog tegen de Histri voort;
  • De consul Gaius Claudius Pulcher haast zich naar Histrië om het commando over het leger over te nemen, maar wordt gedwongen naar Rome terug te keren om de vereiste geloften af te leggen;
  • Na terugkeer in Histrië verovert Pulcher het Histrische bolwerk Nesactium en verschillende andere steden;
  • Pulcher brengt de Liguriërs bij de rivier de Scultenna een zware nederlaag toe; hij mag een triomftocht houden vanwege zijn overwinningen op twee verschillende volkeren.

Dit jaar stierf Marcus Claudius Marcellus. Hij was de zoon van de beroemde consul Marcus Claudius Marcellus die tijdens de Tweede Punische Oorlog in een hinderlaag was gedood. De jongere Marcellus was zelf consul geweest in 196 BCE, en vervolgens in 189 BCE censor. Eveneens dit jaar stichtten de Romeinen een kolonie van Romeinse burgers bij Luna (het huidige Luni) in het grensgebied tussen Etrurië en Ligurië. Het ging om een kustkolonie in de buurt van de monding van de rivier de Macra (tegenwoordig de Magra). Er lag hier zeker al eerder een nederzetting en we hebben gezien dat Cato de Oudere hier zijn troepen inscheepte met het oog op zijn Spaanse veldtocht van 195 BCE. Livius beweert dat het voor de kolonie benodigde land was afgepakt van de Liguriërs en dat het eerder had toebehoord aan de Etrusken. Dat kan heel goed kloppen. Luni zou worden gebruikt als verzamelplaats voor toekomstige operaties tegen de Liguriërs.

Italië

De nieuwe consuls voor dit jaar waren Gaius Claudius Pulcher en Tiberius Sempronius Gracchus. De laatstgenoemde werd met een nieuw leger naar Sardinië gestuurd om de oorlog tegen de Ilienses en de Balari te gaan leiden. Hij slaagde erin de twee volkeren in een geregelde veldslag te verslaan voordat hij zich terugtrok naar zijn winterkamp. Het volgende jaar zou er op Sardinië nog meer gevochten worden.

Het Senaatsgebouw – de Curia – op het Forum Romanum.

De consul Pulcher moest eerst verschillende binnenlandse problemen het hoofd bieden voordat hij kon afreizen naar zijn provincie Histrië. Vertegenwoordigers van een groot aantal Latijnse gemeenschappen kwamen bij de Senaat klagen dat hun steden in een rap tempo ontvolkt raakten. Dit was het gevolg van het feit dat veel van hun burgers zich in Rome hadden gevestigd en in de census als Romeinse burgers waren geregistreerd. Dit was geen nieuw probleem: tien jaar geleden was er een soortgelijk probleem geweest. Volgens de Romeinse wetgeving mochten Latijnen Romeinse burgers worden onder de voorwaarde dat ze mannelijk nageslacht achterlieten in hun oorspronkelijke gemeenschappen. Die voorwaarde was logisch, want anders zouden deze gemeenschappen al snel in spooksteden veranderen en niet meer in staat zijn aan hun militaire verplichtingen te voldoen. Helaas werd op grote schaal misbruik gemaakt van deze wetgeving. Het lijkt erop dat veel Latijnen hun eigen kinderen als slaven aan Romeinse families verkochten. Die lieten de kinderen dan vrij, waarop ze de status van vrijgelatenen kregen (en hún kinderen verkregen het volledige Romeinse burgerrecht). Tegelijkertijd adopteerden kinderloze Latijnen slaven en lieten die achter als betrof het hun eigen kinderen. De hele situatie toont duidelijk aan dat het Romeinse burgerrecht erg populair was.

Het probleem was echter nog veel groter. Delegaties van de Samnieten en de Paeligni, die tot de niet-Latijnse bondgenoten van de Romeinen behoorden, klaagden dat zo’n 4.000 gezinnen hun eigen gemeenschappen hadden verlaten en naar de bloeiende Latijnse kolonie Fregellae in Zuid-Latium waren verhuisd. Wederom liepen de Romeinen hierdoor het risico dat deze bondgenoten niet meer in staat zouden zijn het vereiste aantal soldaten voor het Romeinse leger te leveren. De situatie was ernstig genoeg om tot aanpassing en aanscherping van de bestaande wetgeving te komen. De consul Pulcher diende een voorstel voor een Lex Claudia in, dat bepaalde dat iedereen die tijdens of na de censuur van de eerdergenoemde Marcus Claudius Marcellus en Titus Quinctius Flamininus (i.e. 189188 BCE) als Latijn geregistreerd stond, naar zijn eigen gemeenschap terug moest keren. De handhaving van de nieuwe wet werd opgedragen aan een praetor. Verder besloot de Senaat dat mensen die slaven vrij lieten een eed moesten zweren dat ze dit niet deden om personen aan een ander burgerschap te helpen.

De oorlogen tegen de Histri en de Liguriërs

De Tempel van Jupiter Optimus Maximus op de Capitolijn (Capitolijnse Musea, Rome).

De proconsuls Marcus Junius Brutus en Aulus Manlius Vulso zetten de oorlog tegen de Histri voort en versloegen het samengeraapte legertje dat probeerde hen tegen te houden. De provincie Histrië was eigenlijk toegewezen aan de consul Gaius Claudius Pulcher (zie hierboven), maar hij was opgehouden in Rome als gevolg van de problemen met de Latijnen. De consul was bang dat hij bij aankomst in zijn provincie zou moeten constateren dat de oorlog al gewonnen was. In dit verband vertelt Livius ons het vreemde verhaal dat Pulcher zich in het holst van de nacht en zonder de vereiste geloften op de Capitolijn te hebben afgelegd naar Histrië haastte. Bij aankomst in Histrië gaf hij in al zijn arrogantie de proconsuls het bevel te vertrekken, maar deze weigerden hem als consul te erkennen en deelden hem mee dat hij maar terug moest komen als hij de correcte procedures had gevolgd. De consul was woedend, maar in het legerkamp werd hij alleen maar uitgelachen en veel van de soldaten slingerden beledigingen in de richting van hun ‘nepbevelhebber’. Die haastte zich daarom terug naar Rome, legde alsnog zijn geloften af in de Tempel van Jupiter Optimus Maximus, verzamelde zijn lictors, trok zijn paludamentum aan (de mantel die door een militaire aanvoerder werd gedragen) en galoppeerde terug naar Aquileia. Daar stond al een nieuw leger voor hem klaar. Pulcher was natuurlijk niet van plan oorlog te gaan voeren met troepen die het hadden gewaagd hem te beschimpen.

In de tussentijd waren de proconsuls al begonnen met het beleg van het Histrische bolwerk Nesactium. Dit bevond zich in het uiterste zuiden van het Istrische schiereiland, in de buurt van het tegenwoordige Pula. Een en ander geeft goed aan hoe ver de Romeinen waren doorgedrongen in vijandelijk gebied, want Pula ligt op zo’n 140 kilometer afstand van Aquileia over land en minstens 100 over zee. In Nesactium hadden de Histri zich verschanst met hun belangrijkste leider Aepulo (of Epulon). Toen de consul Pulcher arriveerde, stuurde hij onmiddellijk zijn collega’s en hun legers weg en nam het bevel over het beleg over. De consul was een telg uit een Romeins geslacht dat bekendstond om zijn arrogantie, maar hij was beslist ook een talentvol veldheer. Door de loop van de rivier te verleggen, sneed hij de watervoorziening van het bolwerk af. Vervolgens maakte hij zich op voor een bestorming van de verdedigingswerken. De Histri realiseerden zich dat ze verloren waren en begonnen de vrouwen en kinderen te doden. Ook Aepulo pleegde zelfmoord toen de Romeinen de stad binnendrongen. Na de inname van Nesactium trok Pulcher naar de steden Mutila en Faveria, nam ze in en verwoestte ze. De buit was groot. Livius beweert dat er 5.632 mensen als slaven verkocht werden, een aantal dat zo precies is dat het best wel eens juist zou kunnen zijn. Wat echter belangrijker was, is dat Histrië nu gepacificeerd was.

Kaart van Noord-Italië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Uitrusting van een soldaat uit Picenum. De Piceni waren Romeinse bondgenoten en dienden in de Romeinse legers.

Dat gold niet voor Ligurië, waar verschillende Ligurische stammen zich nog altijd tegen de Romeinse overheersing verzetten. De Romeinen hadden in deze regio slechts één legioen gelegerd, en wel bij Pisa. Er waren dringend versterkingen nodig, maar de consul Gracchus was niet beschikbaar vanwege de oorlog op Sardinië. Daarom kreeg diens collega Pulcher, nog nagenietend van zijn zege in Histrië, het bevel om Ligurië binnen te vallen. Bij de rivier de Scultenna (nu de Panaro) wist hij de Liguriërs tot een geregelde veldslag te verlokken en bracht hij hun een verpletterende nederlaag toe. Vanwege zijn overwinningen op twee verschillende vijanden – volgens Livius een zeldzame prestatie – werd aan de consul een triomftocht toegekend. Deze triomftocht werd echter enigszins verpest door twee omstandigheden. Allereerst besloten de soldaten van de bondgenoten in het leger van de consul om diens strijdwagen in stilte te volgen. Ze waren boos omdat ze een bonus hadden gekregen die slechts de helft bedroeg van de bonus die aan Romeinse soldaten was toegekend. Een tweede smetje was dat de Liguriërs nog verre van verslagen bleken te zijn. Sterk nog, ze slaagden er later dit jaar of begin volgend jaar in de Romeinse kolonie Mutina aan de Via Aemilia aan te vallen en in te nemen.

De Griekse wereld

Dit jaar kwamen Romeinse gezanten op Rhodos aan om de beslissing van de Senaat over de Lyciërs mee te delen (zie 178 BCE). Toen de Romeinen de Rhodiërs lieten weten dat hun claim op Lycië geen steun vond in het Verdrag van Apameia en dat de Lyciërs slechts waren aangewezen als vrienden en bondgenoten, ontstond er grote consternatie op het eiland. De Rhodiërs geloofden dat de Lyciërs de Romeinen in de luren hadden gelegd en ze stuurden direct een delegatie naar de Senaat om zich te beklagen. De Lyciërs waren op hun beurt bijzonder opgetogen over de Senaatsbeslissing en probeerden nu het Rhodische juk af te werpen.

Bronnen

Primaire bronnen

One Comment:

  1. Pingback:De Spolia Opima: De Jaren 224-221 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.